Update
Onder het kopje ‘Selectie uitspraken door de NOvA’ wordt toegelicht waarom de uitspraken zijn geselecteerd. Door te klikken op het ECLI-nummer wordt u doorgeleid naar de database NOvA Tuchtrecht Updates.
Onder het kopje ‘Samenvattingen’ vindt u de samenvattingen die door de tuchtcolleges ten behoeve van de publicatie zijn gemaakt. Deze samenvattingen zijn ook te vinden in de database NOvA Tuchtrecht Updates.
Selectie uitspraken door de NOvA
ECLI:NL:TAHVD:2025:166: Voorwaardelijke schorsing wegens schending financiële integriteit en onafhankelijkheid
Deze zaak betreft een dekenbezwaar tegen een advocaat over diens financiële handelwijze en het in gevaar brengen van zijn onafhankelijkheid. De deken verwijt verweerder dat hij excessief heeft gedeclareerd, contante betalingen heeft geaccepteerd zonder rechtvaardiging en zijn eigen belangen boven die van zijn cliënten heeft gesteld door in verschillende rollen op te treden zonder daarover duidelijkheid te verschaffen.
De raad heeft geoordeeld dat verweerder in financiële aangelegenheden onvoldoende zorgvuldig en transparant heeft gehandeld. Hij heeft in familiezaken structureel meer werkzaamheden verricht en gedeclareerd dan van een advocaat mag worden verwacht, waaronder ook niet-juridische werkzaamheden. Daarnaast heeft de raad vastgesteld dat verweerder zijn onafhankelijkheid in gevaar heeft gebracht door op te treden in verschillende rollen, onder meer als advocaat, bemiddelaar en (indirect) verhuurder, zonder dit voldoende kenbaar te maken.
Het hof sluit zich in grote lijnen aan bij het oordeel van de raad en bekrachtigt de beslissing. Het hof stelt, net als de raad, vast dat verweerder in twee dossiers excessief heeft gedeclareerd. De omvang van de gedeclareerde uren stond niet in verhouding tot de relatief beperkte aard van de zaken en verweerder heeft onvoldoende kunnen uitleggen waarom de tijdsbesteding zo hoog was. Daarbij heeft verweerder ook niet-juridische werkzaamheden als advocaatkosten in rekening gebracht, terwijl hij hierover niet transparant is geweest richting zijn cliënten. Daarnaast oordeelt het hof dat verweerder in strijd heeft gehandeld met de regels omtrent contante betalingen door bedragen te accepteren zonder dat daarvoor rechtvaardigende omstandigheden bestonden en zonder overleg met de deken. Het hof oordeelt dat verweerder daarmee de kernwaarde (financiële) integriteit heeft geschonden.
Ten aanzien van de onafhankelijkheid bevestigt het hof het oordeel van de raad dat verweerder door het combineren van verschillende rollen een situatie heeft gecreëerd waarin belangenverstrengeling kon ontstaan. Verweerder heeft onvoldoende inzicht getoond in het risico van deze rolvermenging en heeft nagelaten duidelijk te maken in welke hoedanigheid hij optrad. Daarmee heeft hij de kernwaarde onafhankelijkheid geschonden. Het hof bekrachtigt daarom het oordeel van de raad en legt een voorwaardelijke schorsing van acht weken op.
ECLI:NL:RBROT:2025:9759: Kantonrechter vernietigt niet transparant en oneerlijk kostenbeding en wijst vordering van advocatenkantoor af
Deze zaak betreft een procedure bij de kantonrechter waarin een advocatenkantoor betaling van openstaande facturen eist van twee cliënten (hierna: gedaagden). Het kantoor heeft gedaagden bijgestaan in een geschil met de verhuurder van hun huurwoning en heeft in de opdrachtbevestiging bevestigd dat de werkzaamheden worden verricht tegen een uurtarief van € 240 exclusief btw en 6% kantoorkosten. Ook is in de opdrachtbevestiging vermeld dat dit tarief periodiek kan worden aangepast en dat de werkzaamheden maandelijks achteraf in rekening worden gebracht.
De kantonrechter toetst ambtshalve of er sprake is van oneerlijke bedingen in de overeenkomst tussen partijen en oordeelt allereerst dat het kostenbeding niet transparant is. Het kantoor heeft in de opdrachtbevestiging, naast het uurtarief en het percentage kantoorkosten, geen andere informatie verschaft die gedaagden in staat stelde om een inschatting te maken van het in totaal voor de diensten van het kantoor te betalen bedrag. Naar het oordeel van de kantonrechter had, hoewel dit mogelijk lastig in te schatten was, van het kantoor verwacht mogen worden dat het op zijn minst de (op dat moment voorzienbare) verschillende te verrichten werkzaamheden zou benoemen en daarbij een inschatting zou maken van het minimaal daaraan te besteden aantal uren. Dat het kantoor heeft toegezegd maandelijks achteraf te factureren, maakt gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden niet dat het beding alsnog transparant is.
Naar het oordeel van de kantonrechter is het kostenbeding ook oneerlijk. De gemaakte afspraken komen er volgens de kantonrechter feitelijk op neer dat gedaagden het kantoor een ‘carte blanche’ hebben gegeven voor wat betreft de te maken kosten. Er is geen inschatting gemaakt van de minimale kosten, er is geen afspraak gemaakt die erop neerkomt dat het kantoor gedaagden zou waarschuwen als de kosten een bepaald bedrag bereikt zouden hebben en er is geen maximum afgesproken. De opdracht zelf is ook niet duidelijk afgebakend; de omschrijving die is opgenomen in de opdrachtbevestiging is bijzonder ruim. Gelet op deze omstandigheden acht de kantonrechter het evenwicht tussen de rechten en verplichtingen van partijen aanzienlijk verstoord ten nadele van gedaagden.
Het kostenbeding wordt door de kantonrechter vernietigd. Het ontbreken van een kostenbeding maakt de overeenkomst tussen partijen in zijn geheel nietig en wordt geacht nooit te hebben bestaan. De kantonrechter wijst de vordering van het kantoor daarom af.
ECLI:NL:TAHVD:2025:150: Onvoorwaardelijke schorsing wegens oneigenlijke druk uitoefenen bij schikking en schending kernwaarden
Deze zaak betreft een klacht tegen de eigen advocaat, die klagers heeft bijgestaan in een geschil over de verkoop van aandelen in een huisartsenpraktijk. Klagers verwijten verweerder onder meer dat hij hen onvoldoende heeft geïnformeerd en geconsulteerd tijdens de schikkingsonderhandelingen en hen zodanig onder druk heeft gezet dat zij zich genoodzaakt zagen een voor hen ongunstige schikking te accepteren. De raad verklaarde deze klacht gedeeltelijk gegrond en legde een onvoorwaardelijke schorsing van zes weken op. Verweerder is in hoger beroep gekomen.
Het hof stelt vast dat verweerder gedurende de onderhandelingen structureel tekort is geschoten in zijn communicatie met klagers. Ondanks herhaalde verzoeken heeft hij hen onvoldoende geïnformeerd over de voortgang en inhoud van de onderhandelingen en heeft hij zonder voorafgaand overleg schikkingsvoorstellen gedaan en zelfs verlaagd. Klagers zijn niet tijdig betrokken bij wezenlijke stappen in het onderhandelingsproces en waren daardoor niet op de hoogte van de feitelijke stand van zaken.
Daarbij komt dat verweerder klagers op een laat moment confronteerde met een uitgewerkte vaststellingsovereenkomst, terwijl zij nog uitgingen van een aanzienlijk hoger onderhandelingsresultaat. Kort nadat klagers hun bezwaren tegen het voorstel kenbaar hadden gemaakt, heeft verweerder aangegeven dat hij ook de belangen van zijn kantoor in de afweging zou betrekken en heeft hij gewezen op de financiële consequenties van de gemaakte prijsafspraak. De raad en het hof achten aannemelijk dat hierdoor bij klagers druk is ontstaan om de overeenkomst alsnog te ondertekenen.
Het hof oordeelt dat verweerder hiermee in strijd heeft gehandeld met de op hem rustende zorgplicht en met de kernwaarden onafhankelijkheid en (financiële) integriteit. Een advocaat dient zich uitsluitend te laten leiden door het belang van zijn cliënt en mag eigen (financiële) belangen daarbij niet laten meewegen. Door het belang van zijn kantoor expliciet te betrekken en te dreigen uitvoering te geven aan een verboden “no cure no pay"-afspraak, heeft verweerder deze grenzen overschreden.
Het hof bekrachtigt daarom het oordeel van de raad dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Gelet op de ernst en samenloop van de tekortkomingen, het ontbreken van inzicht in het laakbare van zijn handelen en de schending van gedragsregel 2 en 16, acht het hof de door de raad opgelegde maatregel ontoereikend. De maatregel wordt verzwaard tot een onvoorwaardelijke schorsing van twaalf weken.
ECLI:NL:TAHVD:2025:208: Onvoorwaardelijke schorsing wegens rechtstreeks contact met wederpartij
Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Verweerder heeft een cliënte bijgestaan van 27 maart 2020 tot oktober 2021 in een geschil tussen haarzelf en haar broer. Vanaf oktober 2021 is klager de cliënte gaan bijstaan in een geschil over door verweerder bij haar in rekening gebracht honorarium. Klager verwijt verweerder dat hij in strijd met gedragsregel 25 rechtstreeks contact heeft gehad met (thans) de cliënte van klager, terwijl hij wist dat zij door klager werd bijgestaan.
De raad stelt voorop dat gedragsregel 25 bepaalt dat een advocaat zich niet rechtstreeks met een partij in verbinding mag stellen als deze wordt bijgestaan door een advocaat, tenzij deze advocaat daarvoor toestemming geeft. Verweerder heeft aangevoerd dat hij ervan mocht uitgaan dat klager de cliënte niet langer bijstond, omdat de cliënte dat had meegedeeld en berichten die dit bevestigden op haar telefoon aan verweerder had getoond. De raad heeft dit verweer gepasseerd, omdat deze berichten niet zijn overgelegd en ook anderszins niet blijken uit het dossier. De raad is van oordeel dat verweerder eerst contact had moeten opnemen met klager om te verifiëren of de cliënte nog werd bijgestaan. Ook stond het hem niet vrij om een week later zonder tussenkomst van klager een regeling met de cliënte te treffen, temeer nu hij uit een e-mail die in de tussentijd was gestuurd wist, althans behoorde te weten, dat klager de cliënte nog bijstond. De raad heeft de klacht daarom gegrond verklaard en aan verweerder een onvoorwaardelijke schorsing van twee weken opgelegd. Verweerder is in hoger beroep gekomen.
Het hof ziet geen aanleiding om tot een andere beoordeling van de klacht te komen dan de raad heeft gedaan en is met de raad van oordeel dat de aan verweerder opgelegde maatregel passend is. Dat verweerder buiten klager om en zonder bij klager te verifiëren of hij daadwerkelijk niet meer voor de cliënte optrad, met de cliënte een regeling heeft getroffen, acht het hof op zich al ernstig verwijtbaar. Het hof rekent het verweerder daarbij temeer aan dat het een regeling betrof voor zijn eigen declaratie, waarvan klager hem namens de cliënte nog geen maand daarvoor expliciet had bericht dat juist deze regeling “niet aan de orde” was. Het hof bekrachtigt de beslissing van de raad, inclusief de opgelegde maatregel van een onvoorwaardelijke schorsing van twee weken.
Samenvattingen (bron: tuchtcolleges)
1. Wat een behoorlijk advocaat betaamt
-
Hof van Discipline
Dekenbezwaar. De deken verwijt verweerder in dit dekenbezwaar dat hij onvoldoende integer en zorgvuldig heeft gehandeld in financiële aangelegenheden en zijn onafhankelijkheid in gevaar heeft gebracht door zijn eigen belang boven de belangen van cliënten te stellen. Het hof oordeelt (op grond van de nog voorliggende klachten) dat verweerder de kernwaarde financiële integriteit heeft geschonden door in twee (familierechtelijke) dossiers excessief te declareren en door daarnaast in één dossier contante bedragen te accepteren zonder dat er feiten en omstandigheden aanwezig...
2025-08-25
(Zaaknummer: 240385, ECLI:NL:TAHVD:2025:166, TR-2025-0779) -
Rechtbank Rotterdam
Advocatenkantoor vordert van consumenten betaling van openstaande nota's. Ambtshalve toetsing kostenbeding. Beding is niet transparant en oneerlijk. De kantonrechter vernietigt het kostenbeding. Omdat overeenkomst van opdracht niet zonder kostenbeding kan bestaan, is overeenkomst nietig.
2025-08-08
(Zaaknummer: 11500993 CV EXPL 25-1554, ECLI:NL:RBROT:2025:9759, TR-2025-1235)
