Rechtspraak
Het hof stelt vast dat de voorzitter bij zijn beoordeling van de juiste en volledige feiten is uitgegaan. De voorzitter heeft echter ten onrechte (ook) het ne-bis-in-idembeginsel als maatstaf gehanteerd. Weliswaar heeft klager eerder over verweerder geklaagd, maar deze klacht is nog niet uitgemond in een onherroepelijke beslissing.
Verzet tegen voorzittersbeslissing waarbij de klacht niet is verwezen ongegrond. De maatstaf die de voorzitter had moeten aanleggen is naar het oordeel van het hof louter die van de behoorlijke tuchtprocesorde. Naar het oordeel van het hof verdraagt de onderhavige klacht zich daar niet mee. De klacht van klager ziet namelijk deels op hetzelfde handelen dan wel nalaten van verweerder als genoemd in de eerdere klacht van klager, zoals de voorzitter terecht heeft overwogen. Dat volgens klager de klacht van 19 september 2025 een aanzienlijk ruimere strekking heeft dan de klacht van 3 juni 2023, laat onverlet dat de tweede klacht deels is gebaseerd op hetzelfde feitencomplex. Voor de beoordeling van het verwijzingsverzoek is van belang dat de mogelijkheid om de klacht aan de tuchtrechter voor te leggen, teneinde daar te betogen dat het onderzoek van verweerder ontoereikend en/of onzorgvuldig is geweest, voorhanden was en dat klager daarvan gebruik heeft gemaakt Dat is het geval. De raad heeft immers op 12 mei 2025 uitspraak gedaan in de zaak 24-801/AL/NN en klager heeft tegen deze beslissing hoger beroep ingesteld bij het hof. Het hof zal hier uitspraak op doen.
Het hof sluit zich aan bij de voorzitter waar deze oordeelt dat het niet aangaat om in een nog lopende procedure een ‘tegenklacht’ tegen verweerder in te dienen die ziet op hetzelfde feitencomplex. Naar het oordeel van het hof is hier sprake van de situatie dat klager het klachtrecht gebruikt voor een ander doel dan waarvoor het bedoeld is. Gelet hierop slaagt het beroep van klager op de beslissing van het hof van 6 juni 2024, ECLI:NL:TAHVD:2024:136, niet.
