Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

16-02-2026

ECLI

ECLI:NL:TAHVD:2026:53

Zaaknummer

250336

Inhoudsindicatie

Het hof stelt vast dat de voorzitter bij zijn beoordeling van de juiste en volledige feiten is uitgegaan. De voorzitter heeft echter ten onrechte (ook) het ne-bis-in-idembeginsel als maatstaf gehanteerd. Weliswaar heeft klager eerder over verweerder geklaagd, maar deze klacht is nog niet uitgemond in een onherroepelijke beslissing.

Inhoudsindicatie

Verzet tegen voorzittersbeslissing waarbij de klacht niet is verwezen ongegrond. De maatstaf die de voorzitter had moeten aanleggen is naar het oordeel van het hof louter die van de behoorlijke tuchtprocesorde. Naar het oordeel van het hof verdraagt de onderhavige klacht zich daar niet mee. De klacht van klager ziet namelijk deels op hetzelfde handelen dan wel nalaten van verweerder als genoemd in de eerdere klacht van klager, zoals de voorzitter terecht heeft overwogen. Dat volgens klager de klacht van 19 september 2025 een aanzienlijk ruimere strekking heeft dan de klacht van 3 juni 2023, laat onverlet dat de tweede klacht deels is gebaseerd op hetzelfde feitencomplex. Voor de beoordeling van het verwijzingsverzoek is van belang dat de mogelijkheid om de klacht aan de tuchtrechter voor te leggen, teneinde daar te betogen dat het onderzoek van verweerder ontoereikend en/of onzorgvuldig is geweest, voorhanden was en dat klager daarvan gebruik heeft gemaakt Dat is het geval. De raad heeft immers op 12 mei 2025 uitspraak gedaan in de zaak 24-801/AL/NN en klager heeft tegen deze beslissing hoger beroep ingesteld bij het hof. Het hof zal hier uitspraak op doen. Het hof sluit zich aan bij de voorzitter waar deze oordeelt dat het niet aangaat om in een nog lopende procedure een ‘tegenklacht’ tegen verweerder in te dienen die ziet op hetzelfde feitencomplex. Naar het oordeel van het hof is hier sprake van de situatie dat klager het klachtrecht gebruikt voor een ander doel dan waarvoor het bedoeld is. Gelet hierop slaagt het beroep van klager op de beslissing van het hof van 6 juni 2024, ECLI:NL:TAHVD:2024:136, niet.

Uitspraak

Beslissing van 16 februari 2026 in de zaak 250336

naar aanleiding van het verzet  tegen de beslissing van de voorzitter van het hof  van 23 oktober 2025 in de klacht van:

klager 

tegen:

verweerder

 

1    DE PROCEDURE 

1.1    Met de beslissing van 23 oktober 2025 heeft de voorzitter van het hof het verzoek van klager tot verwijzing van de klacht tegen verweerder afgewezen. Deze beslissing is onder ECLI:NL:TAHVD:2025:205 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.

1.2    Het verzet van klager tegen de beslissing van de voorzitter is op 5 november 2025 ontvangen door de griffie van het hof. Behalve het verzetschrift bevat het dossier de stukken die in verband met het verwijzingsverzoek aan het hof zijn verstrekt. Het dossier bevat daarnaast het verweerschrift van 13 november 2025 en de repliek van 24 november 2025. 

1.3    Het hof heeft het verzet behandeld in raadkamer. 

2    FEITEN

2.1    Klager heeft een klacht ingediend over verweerder naar aanleiding van - kort gezegd - de medewerking die verweerder heeft verleend aan een krantenartikel dat mede betrekking heeft op klager en het verhuurbemiddelingsbedrijf waar klager eigenaar van is, en uitlatingen die verweerder in dat artikel heeft gedaan. De klacht gaat verder over het onderzoek dat verweerder naar aanleiding van het krantenartikel is gestart en de documenten die verweerder daarvoor heeft opgevraagd bij zowel klager als bij de journalisten die het artikel hebben opgesteld en die ook over het onderzoek zijn ingelicht. Daarnaast heeft de klacht betrekking op het dekenbezwaar dat verweerder naar aanleiding van het onderzoek heeft ingediend. In de klachtschriftuur heeft klager toegelicht waarom hierbij naar klager stelt sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen en nalaten van verweerder.

2.2 In de beslissing van 23 oktober 2025 waartegen verzet is ingesteld, heeft de voorzitter geconstateerd dat een deel van de klachten in de klachtschriftuur overeenkomt met de klacht die klager op 3 juni 2023 over verweerder bij het Hof van Discipline heeft ingediend. Na onderzoek en afhandeling van die klacht door de deken in het arrondissement Noord-Nederland, heeft de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden daarover op 12 mei 2025 een beslissing genomen (zaaknr. 24-801/AL/NN). De klacht is ongegrond verklaard. De beslissing is gepubliceerd op tuchtrecht.nl onder nummer ECLI:NL:TADRARL:2025:133. Tegen die beslissing heeft klager hoger beroep ingesteld en de zaak staat in januari 2026 bij het hof op zitting, zoals de voorzitter heeft geconstateerd.

2.3 Bij de huidige klacht van klager gaat het deels om hetzelfde handelen dan wel nalaten van verweerder in dezelfde periode als in de genoemde eerdere klacht. Op grond van het (ook) in het tuchtrecht geldende ne-bis-in-idem-beginsel is geoordeeld dat niet opnieuw kan worden geklaagd over gedragingen van een advocaat/deken waarover de tuchtrechter eerder al (onherroepelijk) heeft geoordeeld. Een advocaat/deken tegen wie een klacht is ingediend moet er na het einde van de klachtprocedure namelijk in beginsel op kunnen vertrouwen dat de klacht tegen hem/haar daarmee afgewikkeld is en niet opnieuw aan de tuchtrechter kan worden voorgelegd. Het ne-bis-in-idem-beginsel staat aan een nieuwe klachtbehandeling in de weg.

2.4 De voorzitter heeft vastgesteld dat klager daarnaast nieuwe klachten heeft geformuleerd die betrekking hebben op het onderzoek dat verweerder naar aanleiding van voornoemd krantenartikel is gestart, de documenten die verweerder daarvoor bij klager en de journalisten heeft opgevraagd,  het op de hoogte stellen van de journalisten van het onderzoek, en op het dekenbezwaar dat verweerder naar aanleiding van dat onderzoek heeft ingediend. Dit dekenbezwaar is nog in behandeling bij de Raad van Discipline te ’s Hertogenbosch. 

2.5 De voorzitter heeft de klacht niet verwezen, enerzijds omdat de huidige klacht deels om hetzelfde handelen dan wel nalaten van verweerder in dezelfde periode gaat als in de hiervoor onder 2.2 genoemde eerdere klacht (het ne-bis-in-idem-beginsel); anderzijds omdat klager binnen de kaders van het onder 2.4 vermelde dekenbezwaar al zijn bezwaren over het door de deken gestarte onderzoek, de gang van zaken daaromtrent en over het dekenbezwaar naar voren kan brengen. Klager moet die procedure eerst moet doorlopen om daarover een oordeel van de tuchtrechter te verkrijgen. Geoordeeld is dat het niet aangaat om in die nog lopende procedure nu al een ‘tegenklacht’ tegen verweerder in te dienen die ziet op hetzelfde feitencomplex. 

 

3    HET VERZET

De gronden van verzet 3.1    Klager heeft aan het verzet ten grondslag gelegd dat de voorzitter in de beslissing van 23 oktober 2025, waarvan verzet, ten onrechte heeft geconstateerd dat een deel van de klachtschriftuur zou overeenkomen met de klacht over verweerder die in juni 2023 bij het hof is ingediend. In die klacht ging het uitsluitend over de uitlating van verweerder in het artikel van [naam krant]

over de woorden “dat mag niet”. Die klacht is beperkt tot die uitlating.

3.2    De thans ingediende klacht heeft volgens klager een aanzienlijk ruimere strekking. De voorzitter heeft ook vastgesteld dat de klacht waarvan verwijzing wordt gevraagd deels gaat over hetzelfde handelen van verweerder. Daarmee staat vast dat de klacht die ter verwijzing voorligt in ieder geval deels niet gaat over hetzelfde handelen of nalaten als genoemd in de eerste klacht. De klacht gaat over een groot aantal nieuwe klachtonderdelen waarover nog niet eerder is geklaagd.

3.3    Klager heeft gewezen op een beslissing van het hof van 6 mei 2024, gepubliceerd op tuchtrecht.nl onder nummer ECLI:NL:TAHVD:2024:136. Klager stelt dat uit deze beslissing volgt dat de voorzitter van het hof in beginsel niet de vrijheid heeft om doorverwijzing te weigeren.  

Het verweer 3.4    Verweerder heeft tegen het verzet aangevoerd dat aan de – tweede – klacht van 19 september 2025 hetzelfde feitencomplex, te weten het gegeven interview aan [naam krant], ten grondslag ligt. Hiermee is het ne-bis-in-idem-beginsel geschonden. 

4    BEOORDELING 

Verzet mogelijk?  4.1     De beslissing van de voorzitter waartegen het verzet is ingesteld, ziet op de situatie als bedoeld in artikel 46c lid 5 Advocatenwet. In dit artikel is bepaald dat de voorzitter klachten tegen dekens verwijst naar een deken van een andere orde om de klacht te laten onderzoeken en af te handelen. 

4.2    De Advocatenwet voorziet niet in de mogelijkheid van afwijzing van een verwijzingsverzoek. Het hof is van oordeel dat de (plaatsvervangend) voorzitter in beginsel verplicht is om klachten over een deken door te verwijzen naar een andere deken en dat de (plaatsvervangend) voorzitter in beginsel niet de vrijheid heeft dat te weigeren. In beginsel wil zeggen dat weigeren alleen in uitzonderlijke gevallen aan de orde is, zoals wanneer er sprake is van misbruik van procesrecht/klachtrecht. Afwijzing van het verwijzingsverzoek is daarnaast aan de orde bij onnavolgbare klachten of ongepast taalgebruik, wanneer een klacht over de deken wordt ingediend op een wijze of voor een doel waarvoor de tuchtrechtelijke procedure niet is bedoeld. Dit kan het geval zijn als er voor de klacht een andere procedure bestaat. Het indienen van zo’n klacht is dan in strijd met de goede tuchtprocesorde.

4.3    Ook voorziet de Advocatenwet niet in een rechtsmiddel als de voorzitter een verzoek tot verwijzing afwijst. Het hof is echter van oordeel dat verzet dan mogelijk moet zijn. Om die reden heeft het hof de mogelijkheid van verzet tegen afgewezen verwijzingsverzoeken vastgelegd in artikel 13 van het procesreglement.

Maatstaf 4.4    Een verzet is alleen gegrond als in redelijkheid moet worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is. Twijfel kan bijvoorbeeld bestaan als de voorzitter een verkeerde maatstaf (toetsingsnorm) heeft toegepast of de beslissing heeft gebaseerd op onjuiste of onvolledige feiten.

Overwegingen  4.5     Het hof stelt vast dat de voorzitter bij zijn beoordeling van de juiste en volledige feiten is uitgegaan. De voorzitter heeft echter ten onrechte (ook) het ne-bis-in-idembeginsel als maatstaf gehanteerd. Weliswaar heeft klager eerder over verweerder geklaagd, maar deze klacht is nog niet uitgemond in een onherroepelijke beslissing.

4.6    De maatstaf die de voorzitter had moeten aanleggen is naar het oordeel van het hof louter die van de behoorlijke tuchtprocesorde. Naar het oordeel van het hof verdraagt de onderhavige klacht zich daar niet mee. De klacht van klager ziet namelijk deels op hetzelfde handelen dan wel nalaten van verweerder als genoemd in de eerdere klacht van klager, zoals de voorzitter terecht heeft overwogen. Dat volgens klager de klacht van 19 september 2025 een aanzienlijk ruimere strekking heeft dan de klacht van 3 juni 2023, laat onverlet dat de tweede klacht deels is gebaseerd op hetzelfde feitencomplex. Voor de beoordeling van het verwijzingsverzoek is van belang dat de mogelijkheid om de klacht aan de tuchtrechter voor te leggen, teneinde daar te betogen dat het onderzoek van verweerder ontoereikend en/of onzorgvuldig is geweest, voorhanden was en dat klager daarvan gebruik heeft gemaakt Dat is het geval. De raad heeft immers op 12 mei 2025 uitspraak gedaan in de zaak 24-801/AL/NN en klager heeft tegen deze beslissing hoger beroep ingesteld bij het hof. Het hof zal hier uitspraak op doen.

4.7    Daarnaast sluit het hof zich aan bij de voorzitter waar deze oordeelt dat het niet aangaat om in een nog lopende procedure een ‘tegenklacht’ tegen verweerder in te dienen die ziet op hetzelfde feitencomplex. 

4.8    Naar het oordeel van het hof is hier sprake van de situatie dat klager het klachtrecht gebruikt voor een ander doel dan waarvoor het bedoeld is. Gelet hierop slaagt het beroep van klager op de beslissing van het hof van 6 juni 2024, ECLI:NL:TAHVD:2024:136, niet.

4.9    Zij het onder verbetering van gronden, komt het hof niet tot een andere uitkomst dan de voorzitter, zodat het hof het verzet van klager ongegrond zal verklaren.

 

   BESLISSING

Het Hof van Discipline:

- verklaart het verzet ongegrond.

Deze beslissing is gewezen door mr. C.H. van Breevoort- de Bruin, voorzitter, mrs. J.C.A.T. Frima en A. Groenewoud, leden, in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 16 februari 2026.  

griffier    voorzitter             

De beslissing is verzonden op 16 februari 2026.