Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

26-10-2026

ECLI

ECLI:NL:TADRAMS:2026:243

Zaaknummer

26-254/A/A

Inhoudsindicatie

Raadsbeslissing; klacht over de kwaliteit van dienstverlening gedeeltelijk gegrond. Verweerder heeft niet gehandeld zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat mag worden verwacht door na te laten zijn cliënte bij aanvang van de bijstand en/of tussentijds duidelijk te informeren over de te verwachten tijdsbesteding, de totale kosten en, voor zover redelijkerwijs mogelijk, het te verwachten resultaat. Verweerder heeft klaagster bovendien onvoldoende bijgestaan en haar in de richting van het sluiten van de VSO bewogen, terwijl hij wist, althans had moeten begrijpen, dat zij daarover twijfelde en zich vanwege haar gezondheid in een kwetsbare positie bevond waarin zij niet goed in staat was haar wil te bepalen. Daarmee heeft verweerder zijn zorgplicht ernstig geschonden. Hoewel de gedragingen op zich een zwaardere maatregel rechtvaardigen volstaat de raad in dit geval met de oplegging van een waarschuwing, aangezien verweerder niet eerder door de tuchtrechter is veroordeeld.

Uitspraak

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam van 26 oktober 2026 in de zaak 26-254/A/A naar aanleiding van de klacht van:

klaagster gemachtigde: mr. M. Zwennes  

over

verweerder  gemachtigde: mr. S.F. Knijnenburg

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE 1.1    Op 9 december 2024 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder. 1.2    Op 25 maart 2026 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2393677/EvR/KV van de deken ontvangen.  1.3    De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 11 september 2026. Daarbij waren klaagster en verweerder met hun gemachtigden aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt. 1.4    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 00 tot en met 04. Ook heeft de raad kennisgenomen van de door klaagster op 28 augustus 2026 nagezonden stukken.  

2    FEITEN 2.1    Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten. 2.2    Klaagster is in verband met een geschil met haar werkgever op non-actief gesteld. In dit geschil werd klaagster aanvankelijk bijgestaan door een andere advocaat. Vanaf eind september 2023 heeft verweerder klaagster bijgestaan. De werkgever werd bijgestaan door mr. V.  2.3    Verweerder heeft klaagster op 26 september 2023 een opdrachtbevestiging gestuurd. Hierin staat vermeld dat de algemene voorwaarden van het kantoor van toepassing zijn op de opdracht. In artikel 14 van deze algemene voorwaarden staat (kort gezegd) dat op de dienstverlening de klachten- en geschillenregeling Advocatuur van toepassing is en dat klachten kunnen worden voorgelegd aan de Geschillencommissie Advocatuur (hierna de Geschillencommissie). Ten aanzien van de kosten staat in de opdrachtbevestiging onder meer het volgende:  “Declaratie en kosten  Zoals mondeling toegelicht, is het uurtarief dat ik voor je in rekening breng EUR 300,=, te vermeerderen met 21% BTW. In overleg zal ik kantoorgenoten inzetten. (…)  Daarnaast kan het zijn dat ik je in een voorkomend geval verschotten in rekening moet brengen, zoals griffierecht en reiskosten. Deze kosten zijn niet in het uurtarief inbegrepen en ik zal je van tevoren op de hoogte stellen als dergelijke kosten gemaakt dienen te worden.  De bestede tijd wordt in rekening gebracht per tijdseenheid van zes minuten. Mijn declaraties gaan standaard vergezeld van een specificatie van uren en kosten en zullen zo veel mogelijk maandelijks worden uitgebracht, zodat u een overzicht houdt van gemaakte kosten. De betalingstermijn bedraagt 14 dagen. In jouw zaak zal ik met declareren wachten tot dat ik een goede indruk heb of partijen tot een voor jou aanvaardbare regeling zullen komen (zie hierna).  Vergoeding juridische kosten door derden  (…) Ik gaf je aan dat in het geval van een regeling met [de werkgever] een onderdeel hiervan zal dienen te zijn de vergoeding van de kosten van rechtsbijstand voor mijn kantoor. In het geval [de werkgever] daarmee instemt (in het kader van een regeling zal dat doorgaans het geval zijn), dan zal mijn standaard uurtarief gelden, zoals hiervoor genoemd.” 2.4    Verweerder heeft klaagster bijgestaan in een kortgedingprocedure en een verzoekschriftprocedure tegen haar werkgever bij de rechtbank Midden-Nederland. Deze procedures zijn na een zitting op 13 december 2023 tot 2 februari 2024 aangehouden om partijen de gelegenheid te geven tot een minnelijke regeling te komen.  2.5    Eerder bij e-mail van 21 november 2023 heeft verweerder klaagster gewezen op de mogelijkheid dat de rechter zal aansturen op een regeling doorgaans gunstiger uitpakt dan een beschikking van de rechter. Zij e-mail luidt in zoverre:  “Ik heb je vrijdag 17 november jl. in ons gesprek aangegeven dat wij als advocaten verplicht zijn om te bezien of het conflict anders opgelost kan worden dan via de rechter. Ook de rechter zal op de zitting bekijken of een regeling mogelijk is. Het is bijna altijd zo dat wanneer partijen zelf afspraken maken buiten de rechter om, dit voor de werknemer doorgaans gunstiger is. De rechter heeft namelijk minder speelruimte (op grond van de wet). (…) Een te bereiken regeling kan gaan over terugkeer en rehabilitatie, maar ook over vertrek (op termijn) met een vertrekvergoeding, outplacement en vergoeding kosten rechtsbijstand. De kosten tot nu toe zijn ca. EUR 23.000 exclusief BTW. Dit is een aanzienlijk bedrag. We vorderen betaling daarvan in rechte, maar het is onzeker of de rechter deze vordering toekent. Als partijen een regeling treffen, dan verwacht ik dat de [werkgever] deze kosten voor haar rekening neemt. Dat is belangrijk om te weten. (…) Mijn dringend advies is om er mee in te stemmen dat ik een afspraak maak voor een bespreking.” 2.6    Bij e-mail van 28 november 2023 heeft verweerder vervolgens aan klaagster geschreven:  “Hierbij onze conceptbrief zoals door R(…) [de kantoorgenoot van verweerder, hierna verder mr. S] grotendeels opgesteld met wat aanpassingen mijnerzijds aan [mr. V], advocaat van de [werkgever]. (…) Graag morgenochtend je akkoord met deze brief, zodat ik deze morgen eind van de ochtend kan verzenden aan [mr. V]. Ook verneem ik dat je vrijdagmiddag a.s. voor de bespreking aanwezig kunt zijn.  Tenslotte nog het volgende. Wij adviseerden je dringend het goede gesprek te voeren en te bekijken of er een voor jou goede regeling mogelijk is. Dit is ook van belang voor het behoud van je goede reputatie en die je terecht belangrijk vindt (geen openbare zitting). [Mr. S] en ik komen in ons werk steeds vergelijkbare conflicten tegen en zien ook in de rechtspraak dat vergelijkbare conflicten toch tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst door de kantonrechter leiden. Soms meteen billijke vergoeding naast de transitievergoeding en dikwijls ook niet. Met een regeling hebben we het resultaat van de beslechting van het conflict met de [werkgever] optimaal in de hand en kunnen ook de inmiddels hoge kosten voor jou beperkt blijven.” 2.7    Diezelfde dag (op 28 november 2023) heeft klaagster als volgt gereageerd:  “Ik merk dat je mij die kant op dwingt van een vso, vertrek, dat vind ik niet prettig. En daar ga ik vrijdag als er een afspraak plaats vindt het gesprek niet over voeren. Ik ga niet weg.  Wat kosten betreft, hebben we vorige week het over de 25K gehad die jij schreef, dat is niet realistisch, waren we het beiden over eens. Ik heb zelf mijn tel tijdsregistratie bijgehouden en als ik eea bereken qua tijd en prijs dan moet er inderdaad sprake zijn een berekeningsfout van jou[w] kant.” 2.8    Op 29 november 2023 heeft verweerder hierop als volgt geantwoord: “De kosten lopen op omdat er veel werk is verzet door [mr. S] door de vele lange gesprekken met jou. Ook ik heb lange gesprekken met je gevoerd. De brieven tot nu toe waren hele werkstukken, net als de lange dagvaarding. Als we de kosten bij [de werkgever] kunnen leggen, zijn dit reële kosten. Als we de kosten bij jou in rekening moeten brengen, dan kijken we zeker nog naar het eindbedrag. Ik wil je niet een vso aansmeren. Alles wat we doen en adviseren is puur in jouw belang.” 2.9    Op 7 december 2023 heeft verweerder aan klaagster een verweerschrift gestuurd en in de begeleidende e-mail geschreven: “Hierbij het verweerschrift met producties.  (…) Ondertussen zal ik een pro forma declaratie opstellen tot en met november jl. voor onze werkzaamheden, omdat we hiervan betaling vorderen in rechte op grond van goed werkgeverschap (7:611 BW). Ik zal kritisch naar deze declaratie kijken, maar weet dat er heel veel tijd aan je zaak is besteed (twee omvangrijke processtukken, twee lange brieven, diverse mailcorrespondentie, lange besprekingen – met jou en de tegenpartij – en lange telefoongesprekken). Voor deze declaratie heb ik mijn uurtarief verlaagd naar EUR 275 exclusief BTW. Weet dat wanneer de kantonrechter deze vordering niet toewijst, we deze declaratie bij jou in rekening moeten brengen, tenzij de [werkgever] deze alsnog betaalt, maar alleen in het kader van een regeling, zoals je weet.  Uiteraard kunnen we nog voor de zitting proberen tot een regeling te komen, waarvan je de punten, zoals die tot nu toe zijn besproken, kent en waarover ik je ook eerder mailde. Weet dat ik een schikking in jouw zaak aanbeveel, ook in verband met reputatiemanagement.” 2.10    Op 15 december 2023 (om 11:39 uur) heeft verweerder klaagster vervolgens geschreven:  “Zoals meerdere keren aangegeven - en gelet ook op hetgeen de kantonrechter ter zitting ook heeft aangegeven over “hoge bomen” - is de kans reëel dat de kantonrechter de arbeidsovereenkomst ontbindt op de g-grond. Eventueel met een billijke vergoeding. Het is onzeker of de volledige advocaatkosten zullen worden vergoed. Een en ander hebben we goed doorgesproken tot nu toe.  Een schikking heeft als voordeel dat partijen zelf de regie hebben over andere afspraken, zoals de door jou gewenste verklaring(en) en waarmee partijen “hun verhaal kunnen maken”, zoals de kantonrechter ook aangaf, datum uit dienst en de hoogte van de vergoedingen (ook van de advocaatkosten die jij netto inclusief BTW moet betalen).  De advocaatkosten voor jou zijn hoog, omdat er erg veel werk is gedaan voor je. Je hebt de conceptdeclaratie ontvangen met de specificatie van de werkzaamheden. [Mr. S] heeft letterlijk avonden gewerkt aan de processtukken en dat heeft ze zeer nauwgezet en met toewijding gedaan, wat kwalitatief hoogwaardige stukken heeft opgeleverd. De hoogte van de declaratie komt overeen met de norm die rechtsbijstandsverzekeraars hanteren (1 uur per geschreven pagina en de tijd voor diverse lange (telefoon)gesprekken. Dat we je deze declaratie nog niet als factuur verzonden hebben, is omdat het zeer wel mogelijk is dat partijen eruit komen waarbij jij geen advocaatkosten hebt en ik jou ondertussen ook niet met deze hoge kosten wilde belasten. Hierover hebben we gesproken toen we de aanpak van je zaak uitvoerig bespraken.  Graag verneem ik vandaag of in het weekend van je of je er met een regeling uit wil komen of dat je erop gokt dat de kantonrechter in je voordeel zal beslissen. Is dat laatste het geval, dan zal ik wel mijn declaratie al moeten zenden. Ik wil dan best nog even kijken of we je een korting kunnen geven, enkel en alleen uit coulance, en of een betalingsregeling mogelijk is. Ik meende bovenstaande toch even zo te moeten opschrijven.  Nogmaals, mijn advies is om deze zaak zo goed mogelijk te regelen. Nu kan het! En als je nog advies van een kantoorgenoot van mij (…) hierover wil, dan kan dat natuurlijk. Zij kent je zaak.” 2.11    Op 15 december 2023 (om 12:01 uur), heeft klaagster als volgt gereageerd:  “Ik heb jou gisteren gevraagd, voorgesteld om onder onafhankelijke gespreksbegeleiding tot een oplossing te komen. Tot mijn verrassing heb je iets heel anders gedaan, je bent zonder mij gaan praten en onderhandelen en kwam met een communicatie voorstel.  De rechter heeft aangegeven aan [de werkgever] dat de Hoge Raad heel streng is op herplaatsing, ze heeft ook aangegeven dat ze ontslagbescherming op mij zal toepassen, omdat je haar hebt uitgelegd dat ik geen hoge boom ben, maar een CAO medewerker, zonder macht, mijn positie wordt niet meegeteld als toppositie, sleutelpositie, het is niet eens een top 200 sleutelposities.  De rechter was zeer kritisch naar [mr. S]. Wat betreft advocaat kosten, ik had een andere advocaat, ik kwam bij jou voor aanvullend advies ik was zoekende. Dat was voor mij een betaalbare advocaat.  Ik zei dat ik jou te duur vond. Je hebt gezegd dat je mij graag wilde verdedigen en dat geld nooit reden mag zijn en dat je mij niet op kosten zou jagen en redelijk zou blijven. Je wilde heel graag deze zaak hebben. Je verwachtte en ging er tevens van uit dat [de werkgever] de rekening zal betalen.  Wat ik nu gek vind, en je verrast mij met je mail, dat in deze fase (…) het over jouw advocaat kosten gaat, niet over mijn belang.” 2.12    Op 31 januari 2024 heeft verweerder de advocaat van de werkgever, mr. V, geïnformeerd over de gezondheidstoestand van klaagster. Hij schrijft in dat verband het volgende:  “Een complicerende maar wel zeer relevante factor is dat cliënte momenteel ziek is en wegens haar slechts gezondheidstoestand, burn out en oververmoeid, het niet kan opbrengen om zich te concentreren en adequaat te reageren – ook omdat het geschil zo belastend voor haar is. Wegens miscommunicatie tussen mij en mijn cliënte, was het mij niet duidelijk dat cliënte geen bezwaar had om u hierover meer in detail te informeren. Gelet op haar huidige gezondheidstoestand is het extra belangrijk dat cliënte zich bewust is van en goed geïnformeerd is over de inhoud en de consequenties van het tekenen van deze overeenkomst.” 2.13    Op 1 februari 2024 een dag voordat de aanhouding van de procedures verstreek, heeft klaagster op het kantoor van verweerder een vaststellingsovereenkomst ondertekend met haar werkgever. Klaagster heeft op het voorblad van die overeenkomst met pen geschreven: “Hierbij verklaar ik dat ik onvoldoende geadviseerd ben over vragen die ik nog heb t.a.v. de inhoud van deze overeenkomst en ben ik mij dus niet volledig bewust van de consequenties voor mij op het moment dat ik getekend heb.  Ik voel mij onder druk gezet door mijn werkgever om te tekenen zonder aanvullend advies dat ik heb aangevraagd, vandaag te mogen afwachten tot 17.00. Ondanks dat de zaak is aangehouden bij de rechter tot en met morgen 2-2-2024. Mijn werkgever heb ik geïnformeerd over mijn gezondheidsklachten en dat ik op aanvullend advies wacht.” 2.14    Bij e-mail van 1 februari 2024 heeft mr. V de door de werkgever ondertekende VSO geretourneerd en naar aanleiding van de handgeschreven tekst van klaagster gewezen op de wettelijke bedenktijd van 14 dagen (tot uiterlijk 15 februari 2024. De e-mail luidt als volgt:  “Dank voor toezending van de VSO getekend door [klaagster]. Bijgaand zend ik u de inmiddels ook door [de werkgever] ondertekende VSO retour. Hiermee zijn partijen tot volledige overeenstemming gekomen.  Met betrekking tot de handgeschreven opmerking van [klaagster] op het voorblad, merkt [de werkgever] op dat [klaagster] ruim de tijd gekregen heeft om zich op de VSO en haar positie te beraden, namelijk sinds 27 december jl. Daarbij is ze uiteraard door u bijgestaan en geadviseerd. Voor zover [klaagster] desondanks, bij nader inzien toch nog een streep door de gemaakte afspraken zou willen zetten, heeft zij nog de mogelijkheid om binnen de wettelijke bedenktermijn van 14 dagen na vandaag (uiterlijk 15 februari a.s.) deze VSO te ontbinden. In dat geval valt de VSO weg en is het alsnog aan de rechter om uitspraak te doen in deze zaak. Ik ga er van uit dat [klaagster] hier geen gebruik van zal willen maken, maar het lijkt [de werkgever] goed om haar gezien haar opmerkingen toch nog eens expliciet op deze mogelijkheid te wijzen. Maakt zij hier geen gebruik van, dan is de VSO vanaf 16 februari a.s. definitief.  Ik zal de rechter in ieder geval berichten dat de VSO vandaag tussen partijen gesloten is en verzoeken om een laatste aanhouding tot en met 16 februari a.s.  U ontvangt nog een concept getuigschrift van ons.” 2.15    Op 13 februari 2024 (om 12:02 uur) heeft klaagster een e-mail gestuurd aan verweerder en zijn kantoorgenoot (mr. S), waarin zij het volgende schrijft:  “Het gaat nog steeds niet zo goed met mij. We spraken elkaar vorige week, ik blijf mijn twijfels houden. (…) Tenslotte, ik ben ziek, maar heb mij niet ziekgemeld, wat is wijsheid? Moet ik mij ziek melden, of kan dat pas als de vso definitief is?” 2.16    Op 13 februari 2024 (om 12:12 uur) heeft verweerder als volgt gereageerd:   “Wat betreft je ziekte het volgende. Je bent vrijgesteld van werk op grond van de cao, dus verschil met afwezigheid door arbeidsongeschiktheid is er niet. De vraag is dan wat je belang is bij ziekmelding. Van belang is wel of jij per 1 augustus a.s. weer in staat bent om te solliciteren. Want dat eist het UWV als je een WW-uitkering zou aanvragen.” 2.17    Op 15 februari 2024 heeft klaagster zelf een e-mail gestuurd aan mr. V, waarin zij zich beroept op de wettelijke bedenktermijn. Hierop volgend heeft tussen klaagster en verweerder na middernacht telefonisch overleg plaatsgevonden en heeft verweerder aan klaagster een conceptantwoord gestuurd dat zij kon gebruiken om haar e-mail van 15 februari 2024 aan de werkgever weer in te trekken.  2.18    De volgende ochtend - op 16 februari 2024 (om 6:08 uur) - heeft klaagster haar eerdere bericht ingetrokken. Zij schrijft mr. V als volgt:  “Ik heb mijn advocaat net telefonisch gesproken en ik verzoek je mijn vorige bericht waarin ik mij beroep op de bedenktermijn als niet geschreven en als ingetrokken te beschouwen.” 2.19    Naar aanleiding van een e-mail hierover van mr. V van later die dag om 09:27 uur, heeft verweerder hem om 11:49 uur geantwoord: “Er zijn twee wijzigingen aan de bijgaande tekst voor het getuigschrift gevoegd. Het is voor cliënte belangrijk dat er staat dat zij goed heeft gefunctioneerd.  Verder is het inderdaad zo dat cliënte zich niet op de bedenktermijn heeft beroepen. Ik bel u aanstonds nog even.” 2.20    Op 17 februari 2024 heeft klaagster verweerder het volgende meegedeeld: “Ik heb de mail van [mr. V] gisteren om 16-2-2024 om 09.27 niet ontvangen en was niet geïnformeerd. De mail is niet aan mij voorgelegd en niet in mijn opdracht/met mijn instemming beantwoord. Ik heb je tijdig verzocht een ander bericht namens mij te sturen en te laten weten dat voor mij de vso niet definitief is. Dat weigerde je te doen, dat vindt ik spijtig en naar. Ik heb er last van.  Ik verzoek je om voorlopig niet te communiceren met [mr. V] en mij te informeren over de status, want ook daar ben ik niet over geïnformeerd. Heeft [mr. V] de rechtbank geïnformeerd, mag ik de mail zien?” 2.21    Op 18 februari 2024 heeft klaagster vervolgens een e-mail gestuurd aan verweerder, waarin zij schrijft: “De mail van [mr. V] had jij aan mij moeten voorleggen voordat je antwoorde, dat ben je verplicht. Ik heb je geen opdracht en toestemming gegeven om zonder mij te handelen. Ik sta ook niet achter jouw antwoord. De VSO is niet definitief. Ik verzoek je nog steeds om voorlopig niet te communiceren met [mr. V] of actie te ondernemen. Zou je wel alle communicatie en berichten die je van [mr. V] ontvangt aan mij willen doorsturen?” 2.22    Op 21 februari 2024 heeft verweerder klaagster als volgt geantwoord: “Vanmiddag in ons telefoongesprek gaf je mij aan dat je me niet meer vertrouwt omdat ik de mail van [mr. V] van vrijdag 16 februari jl. van 9.27 uur waarin hij naar aanleiding van jouw mail van vrijdagmorgen 6.08 uur aan de [werkgever] – waarin jij verzoekt dat je beroep op de bedenktermijn van ruim 6 uur daarvoor als niet gedaan en geschreven te beschouwen – vraagt om bevestiging dat jij je niet op de bedenktermijn beroept, heb beantwoord met een bevestiging dat jij je niet op de bedenktermijn beroept. Je verwijt is dat ik dit niet vooraf met je heb besproken. Dit was geheel conform jouw mail van vrijdagmorgen 6.08 uur. Ik heb derhalve niet buiten mijn bevoegdheid als jouw vertegenwoordiger gehandeld en evenmin in strijd met jouw wens of belangen. Mijn bevestiging was immers geheel conform de tekst van jouw mail van 6.08 uur. Ik bestrijd overigens dat ik je onder druk heb gezet deze mail te sturen, zoals je in ons telefoongesprek van vanmorgen voor het eerst aangaf. Ik heb je donderdagnacht wel geadviseerd om goed na te denken of je het beroep op de bedenktermijn echt wil en dat dit betekent dat je geen positief geformuleerd getuigschrift krijgt en dat de afspraken over geen negatieve verklaringen met het verval van de vso ook vervallen en dat dit niet handig is als je in sollicitatieprocedures zit. Ik heb toen aangegeven dat het kan helpen als je aan de [werkgever] aangeeft dat je je beroep op de bedenktermijn als niet geschreven beschouwt. Je gaf toen aan dat je een en ander probeerde op te schrijven, maar dat dit niet lukt (het was inmiddels ca. 00.15 uur). Ik heb je toen een tekstvoorstel geappt (om 00.24 uur). Je ging erover nadenken en om 6.08 uur heb je vervolgens je e-mail gestuurd, zoals hiervoor genoemd. En nogmaals, ik heb aan [mr. V] bevestigd wat jij mij schreef. Daarvoor hoefde ik dus niet vooraf weer toestemming van je te vragen als je advocaat. Toch vind je dit een belangrijk punt en zelfs zo belangrijk dat je hierdoor geen vertrouwen meer in mij hebt. Vertrouwen is essentieel voor de samenwerking met je advocaat. We hebben daarom ook besloten om de samenwerking te beëindigen. Ik heb je aangeboden dat ik nog twee dingen voor je kan doen ter afronding van de zaak, namelijk 1) het intrekken van het kort geding, nu de vso definitief is geworden en dat partijen dit ook hebben afgesproken in artikel 13.2 van de vso en 2) aan [mr. V] berichten dat je akkoord gaat met het laatste tekstvoorstel voor je getuigschrift van de [werkgever]. Ik zal mijn declaratie aan de [werkgever] sturen conform de afspraken in de vso.”  2.23    Op 21 februari 2024 heeft klaagster een e-mail gestuurd aan verweerder, waarin zij als volgt reageert:  “Wat jij hieronder schrijft klopt niet.  Dit is niet zoals het is gegaan, en ook niet wat is besproken.  Jij hebt mij zwaar onder druk gezet, en was boos dat ik mijn heb beroepen op mijn bedenkrecht, en je vond mijn besluit belachelijk. Ik vertelde je dat ik rust wilde, ik wil geen vso. Mijn gezondheid gaat helemaal niet goed, solliciteren heeft geen zin, ik ben ziek. Vervolgens heb je mij dwingend geadviseerd mijn mail te herroepen en mij een voorbeeld whatsapp tekst gestuurd. De volgende dag zou je met mij bellen om te kijken of ik zeker was van mijn besluit.  Ik heb je vertrouwd, en erop gerekend dat je mij zou bellen voordat je iets schriftelijk zou doen richting [de werkgever].  Tot mijn verbazing en teleurstelling heb jij de wezenlijke mail van [mr. V] van vrijdag jl. om 09.26 zonder, mijn toestemming en overleg beantwoord, zonder deze eerst aan mij voor te leggen beantwoord.  (…)  Ik verzoek je om niet meer namens mij op te treden.  De factuur naar [de werkgever] moet je overigens naar mij sturen, niet naar [de werkgever]” 2.24    Op 22 februari 2024 heeft klaagster verweerder verzocht om het volledige dossier met alle communicatie tussen hem en mr. V aan haar nieuwe advocaat te sturen.  2.25    Op 22 februari 2024, later op de dag, heeft verweerder klaagster geantwoord dat hij pas relevante informatie aan de opvolgend advocaat zou sturen, nadat hij (confraterneel) telefonisch met haar had overlegd.   2.26    Op 26 februari 2024 heeft klaagster de deken gevraagd te bemiddelen tussen haar en verweerder met betrekking tot de overdracht van het dossier aan haar nieuwe advocaat. Er is vervolgens (telefonisch) bemiddeld.  2.27    Op 6 maart 2024 heeft verweerder mr. V een declaratie van € 30.000,- te vermeerderen met BTW gestuurd. Daarop heeft mr. V aan verweerder laten weten dat klaagster de werkgever had verboden om deze declaratie te voldoen.  2.28    Op 13 maart 2024 heeft verweerder de opvolgend advocaat van klaagster geschreven:  “Er volgen vandaag nog wat stukken die wij in hard copy ontvangen hadden en nog twee geluidsbestanden.” 2.29    Op 28 maart 2024 heeft het kantoor van verweerder in een sommatiebrief aan klaagster gesommeerd een bedrag van € 36.386,- aan uitstaande declaraties te voldoen.  2.30    Op 29 maart 2024 heeft klaagster hierop een klacht ingediend bij de Geschillencommissie over verweerder.  2.31    Op 24 april 2024 is het kantoor van verweerder een incassoprocedure gestart om de openstaande declaraties betaald te krijgen.  2.32    In een brief van 14 juni 2024 heeft de Geschillencommissie laten weten dat het kantoor van verweerder niet bij hen is aangesloten en de klacht daarom in beginsel niet kon worden behandeld, tenzij het kantoor van verweerder zich alsnog binnen 14 dagen aansloot. Het kantoor van verweerder heeft zich naar aanleiding van deze brief niet (alsnog) aangesloten bij de Geschillencommissie.  2.33    Op 17 juli 2024 heeft klaagster in de incassoprocedure een bevoegdheidsincident opgeworpen vanwege artikel 14 van de algemene voorwaarden, waarin (kort gezegd) staat dat de Klachten- en Geschillenregeling Advocatuur van toepassing is en klachten kunnen worden voorgelegd aan de Geschillencommissie.  2.34    Bij tussenvonnis van 11 september 2024 heeft de rechtbank het bevoegdheidsincident verworpen en hierin het volgende overwogen:  “4.2. De vraag is of partijen bindend advies zijn overeengekomen. Daartoe moet het bepaalde in de artikelen 13 en 14 van de algemene voorwaarden van [het kantoor van verweerder] worden uitgelegd. In artikel 13 van de algemene voorwaarden staat dat uitsluitend de Nederlandse rechter bevoegd zal zijn van eventuele geschillen tussen de maatschap en een cliënt kennis te nemen. Deze bewoordingen zijn op zichzelf beschouwd op te vatten als een exclusieve forumkeuze voor de Nederlandse rechter. In artikel 14 van de algemene voorwaarden is daarentegen opgenomen dat een cliënt eventuele klachten over de dienstverlening kan voorleggen aan de Geschillencommissie. [Klaagster] heeft artikel 14 redelijkerwijs zo mogen begrijpen dat [het kantoor van verweerder] het aan de keuze van de cliënt overlaat om eventuele geschillen aan de Geschillencommissie in plaats van aan de rechter voor te leggen, dat [het kantoor van verweerder] daarmee dan instemt en dat daarmee dan dus wordt afgeweken van het bepaalde in artikel 13.  4.3. In dit geval heeft [klaagster] een klacht ingediend bij de Geschillencommissie. Deze klacht is echter niet in behandeling genomen, omdat [het kantoor van verweerder] niet is aangesloten bij de Geschillencommissie. [Het kantoor van verweerder] heeft zich binnen de in de brief van 14 juni 2024 van de Geschillencommissie genoemde termijn ook niet alsnog aangesloten. Anders dan [klaagster] aanvoert, kan de rechtbank [het kantoor van verweerder] in het kader van dit incident niet verplichten zich alsnog te registreren bij de Geschillencommissie. Dat betekent dat de Geschillencommissie in deze kwestie feitelijk niet kan en zal optreden als bindend adviseur. Onder deze omstandigheden kan [klaagster] zich er niet meer op beroepen dat de Geschillencommissie moet oordelen over het geschil tussen partijen. Daarmee wordt teruggevallen op het wettelijk uitgangspunt dat partijen een geschil aan de rechter kunnen voorleggen. Dat betekent dus dat [het kantoor van verweerder] het geschil kan voorleggen aan deze rechtbank.” 2.35    Bij e-mail van 6 december 2024 heeft het kantoor van verweerder (bij monde van mr. L) bij de deken geïnformeerd of zij in het kader van de tegen klaagster lopende incassoprocedure stukken konden indienen om zich te verweren tegen de stellingen van klaagster.  2.36    Hierop is namens de (toenmalige) deken op 6 december 2024 als volgt geantwoord:  “Dank voor het toesturen van de e-mailcorrespondentie waarvan u hebt aangegeven deze graag als nadere producties in te dienen in het incassogeschil met een voormalig cliënte van uw kantoor. U heeft hiervoor toestemming gevraagd aan de advocaat van uw voormalig cliënt. Die toestemming is echter niet verleend. U vraagt zich af of dit een gerechtvaardigde doorbreking van de geheimhoudingsplicht is. “Graag verwijs ik u naar een uitspraak van de Baad van Discipline ’s-Hertogenbosch van 28 maar 2011 die over een gelijksoortige kwestie gaat. In rechtsoverweging 5.4 staat dat ook in een civiele procedure geldt dat de geheimhoudingsplicht tussen een advocaat en zijn cliënt geldt ten opzichte van derden. In een incassoprocedure van een advocaat tegen zijn cliënt, zijn slechts die advocaat en zijn cliënt betrokken. De door de advocaat aan de rechter verstrekte informatie was noodzakelijk om zijn vordering te onderbouwen. Indien de advocaat deze informatie niet aan de rechter zou mogen verstrekken, zou hij in een onmogelijke positie worden gedwongen en zou hem de mogelijkheid tot het leveren van bewijs ontnomen worden. De advocaat heeft de informatie enkel kenbaar gemaakt aan de rechter in een procedure waarbij geen derden waren betrokken.” 2.37    Bij vonnis van 16 april 2025 heeft de rechtbank de vorderingen van het kantoor van verweerder afgewezen. 

3    KLACHT 3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet vanwege het volgende:   a)    het versturen van excessieve declaraties aan klaagster zonder duidelijke onderbouwing;  b)    klaagster niet vooraf een kosteninschatting te geven en niet tussentijds op de hoogte te houden van de oplopende kosten, maar na zes weken dienstverlening te melden dat de kosten € 23.000,- waren en achteraf een declaratie van € 32.000,- aan de rechtbank en de werkgever van klaagster te sturen (en niet eerst aan klaagster, zodat zij deze niet heeft kunnen controleren); c)    tegen de wil en het belang van klaagster in te handelen, door zonder haar toestemming met de advocaat van haar werkgever (mr. V) te onderhandelen, zonder haar toestemming aan mr. V te laten weten dat zij afzag van de bedenktermijn, en haar onder druk te zetten om een VSO te ondertekenen onder de dreiging dat verweerder het uitstaande bedrag aan declaratie(s) anders persoonlijk bij haar zou opeisen; d)    het geschil over de declaraties te laten escaleren door een civiele procedure te starten, in strijd met de toepasselijke algemene voorwaarden (waarin staat dat geschillen zullen worden beslecht door de Geschillencommissie), waardoor klaagster zich geïntimideerd heeft gevoeld en meent dat sprake is van machtsmisbruik; e)    de geheimhoudingsplicht te schenden door zonder toestemming van klaagster vertrouwelijke correspondentie in te brengen in de incassoprocedure; f)    te weigeren het dossier over te dragen aan de opvolgend advocaat van klaagster; g)    klaagster niet te informeren over haar rechten als zieke werknemer, en evenmin over alternatieven zoals ontbinding bij de kantonrechter, loondoorbetaling of hoger beroep bij ontbinding. De strategie van verweerder was erop gericht om snel tot een vaststellingsovereenkomst te komen, terwijl dat niet in het belang van klaagster was.

4    VERWEER  4.1    Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan. 

5    BEOORDELING Toetsingskader 5.1    Bij de beoordeling van een over een advocaat ingediende klacht dient de tuchtrechter het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen. Bij deze toetsing is de tuchtrechter niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen, gezien het open karakter van de wettelijke normen, daarbij van belang zijn. Of het niet naleven van een bepaalde gedragsregel ook tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen oplevert, hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld. 5.2    In de onderhavige klachtzaak is een geschil over de kwaliteit van de dienstverlening van verweerder. De raad overweegt dat pas sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat mag worden verwacht. Tot die professionele standaard behoort het inschatten van de slagingskans van een aanhangig te maken procedure en de cliënt daarover te informeren. De cliënt(e) dient door de advocaat erop gewezen te worden wat de proceskansen zijn en het kostenrisico is. 5.3    Gedragsregel 16 lid 1 bepaalt dat de advocaat zijn cliënt(e) op de hoogte dient te brengen van belangrijke informatie, feiten en afspraken. Ter voorkoming van misverstand, onzekerheid of geschil, dient de advocaat belangrijke informatie en afspraken schriftelijk aan zijn of haar cliënt(e) te bevestigen. 5.4    Op grond van gedragsregel 17 eerste lid behoort een advocaat bij het vaststellen van zijn declaratie, alle omstandigheden in aanmerking genomen, een redelijk honorarium in rekening te brengen. Op grond van het tweede lid draagt de advocaat er zorg voor dat bij het aanvaarden van de opdracht duidelijke afspraken zijn gemaakt over zijn honorarium, de doorbelasting van kosten en de wijze van declareren. Op grond van het derde lid stelt de advocaat zijn cliënt(e) op de hoogte zodra hij voorziet dat de declaratie aanmerkelijk hoger zal worden dan de aanvankelijk aan de cliënt(e) opgegeven schatting.  Klachtonderdelen a) en b)  5.5    Deze klachtonderdelen lenen zich voor een gezamenlijke beoordeling en komen er in de kern op neer dat verweerder klaagster bij aanvang van de dienstverlening geen kosteninschatting heeft gegeven en haar niet tussentijds op de hoogte heeft gehouden van de oplopende kosten, maar na zes weken liet weten dat de kosten voor zijn werkzaamheden inmiddels € 23.000,- bedroegen. Verder heeft verweerder in het kader van de procedures een declaratie van € 32.000,- opgesteld en aan de rechtbank en de werkgever gestuurd zonder deze eerst aan klaagster voor te leggen, zodat zij die niet heeft kunnen controleren (klachtonderdeel b). Volgens klaagster is de factuur excessief en niet transparant (klachtonderdeel a).  5.6    De raad overweegt ten aanzien van klachtonderdeel b) allereerste het volgende. Van een advocaat wordt verwacht dat hij zijn cliënt(e) bij aanvang van de bijstand, maar ook tussentijds duidelijk informeert over de te verwachten tijdsbesteding, de totale kosten en, voor zover redelijkerwijs mogelijk, het te verwachten resultaat. Dit volgt uit gedragsregels 17 lid 2 en de rechtspraak van het HvD (7 september 2018, ECLI:NL:TAHVD:2018:178, r.o. 5.18) en het Hof van Justitie (12 januari 2023, ECLI:EU:C:2023:14). Deze afspraken dienen bovendien op grond van gedragsregel 16 lid 1 schriftelijk met de cliënt(e) te worden vastgelegd. 5.7    De raad is van oordeel dat verweerder niet aan deze eisen heeft voldaan. Verweerder heeft klaagster op 26 september 2023 een opdrachtbevestiging gestuurd, waarin hij klaagster heeft geïnformeerd over zijn uurtarief en over het uurtarief van zijn kantoorgenoot, mr. S. Een inschatting van de (totale) kosten ontbreekt daarin echter. Ook in latere correspondentie is niet gebleken dat verweerder de financiële consequenties met klaagster heeft besproken. Dat verweerder klaagster er meerdere malen op heeft gewezen dat er veel tijd aan haar dossier werd besteed, acht de raad daartoe onvoldoende.  5.8    Voor zover verweerder heeft aangevoerd dat hij in zijn opdrachtbevestiging heeft vermeld dat met klaagster een afwijkende afspraak was gemaakt over het declareren, namelijk dat daarmee zou worden gewacht tot duidelijk was of een aanvaardbare regeling tussen klaagster en de werkgever zou worden getroffen, geldt dat deze afspraak niet in overeenstemming is met de verplichtingen die op verweerder rusten, zoals weergegeven onder r.o. 5.6. Als gevolg hiervan werd klaagster op 21 november 2023 onverwacht geconfronteerd met de mededing dat de kosten inmiddels waren opgelopen tot circa € 23.000,-.  5.9    Voor zover verweerder verder heeft betoogd dat hij mondeling een globale kostenraming heeft afgegeven van € 8.000 tot € 10.000 (terwijl klaagster overigens stelt dat een bedrag van € 6.000 tot € 8.000 is genoemd), geldt dat ook indien wordt uitgegaan van de lezing van verweerder, niet is gebleken dat hij klaagster heeft geïnformeerd op het moment dat de geraamde kosten waren bereikt dan wel werden overschreden, zoals hij behoorde te doen op grond van gedragsregel 17 lid 3. Daarnaast overweegt de raad dat verweerder zijn declaratie van € 32.000,- in december 2023 niet aan de rechtbank en de werkgever had mogen toezenden zonder deze vooraf aan klaagster voor te leggen. Klaagster was immers de opdrachtgever en diende derhalve eerst van de declaratie kennis te kunnen nemen. Verweerders handelwijze is naar het oordeel van de raad niet verenigbaar met de zorgvuldigheid die van een behoorlijk handelend advocaat mag worden verwacht en gelet hierop is klachtonderdeel b) gegrond.  5.10    De raad overweegt over klachtonderdeel a) dat de tuchtrechter niet de bevoegdheid heeft om declaratiegeschillen te beslechten, maar slechts waakt tegen excessief declareren. Of een declaratie als excessief moet worden aangemerkt, hangt af van alle omstandigheden van het geval. Naar het oordeel van de raad is het gedeclareerde bedrag weliswaar hoog, maar blijkt uit de stukken in het klachtdossier, waaronder overgelegde urenspecificaties, voldoende dat de in rekening gebrachte uren zijn gebaseerd op daadwerkelijk verrichte werkzaamheden. Klachtonderdeel a) is dan ook ongegrond. Klachtonderdelen c) en g)  5.11    Deze klachtonderdelen lenen zich voor een gezamenlijke beoordeling en komen neer op de volgende verwijten. Klaagster stelt dat verweerder tegen haar wil met mr. V heeft onderhandeld en zonder haar toestemming aan hem had laten weten dat zij afzag van de bedenktermijn, waarbij hij klaagster onder druk heeft gezet om de VSO te ondertekenen onder de dreiging dat verweerder het uitstaande bedrag van de declaratie(s) anders persoonlijk bij haar zou opeisen (klachtonderdeel c). Klaagster verwijt verweerder in dat verband eveneens dat hij haar niet heeft geïnformeerd over haar rechten als zieke werknemer, en evenmin over alternatieve routes zoals ontbinding bij de kantonrechter, loondoorbetaling of hoger beroep bij ontbinding. Verweerder heeft hiermee in strijd met zijn zorgplicht de rechten van klaagster als zieke werknemer opzettelijk genegeerd en zijn eigen plan doorgedrukt. De strategie van verweerder was erop gericht om snel tot een VSO te komen, terwijl dat niet in het belang van klaagster was (klachtonderdeel g).  5.12    De raad overweegt het volgende. Uit de weergegeven feiten komt naar voren dat klaagster gedurende verweerders bijstand kenbaar twijfels had over het sluiten van de VSO en over de door verweerder voorgestane werkwijze. Al op 28 november 2023 heeft klaagster uitdrukkelijk aan verweerder laten weten dat zij het gevoel had dat verweerder haar in de richting van een VSO dwong en dat zij dat niet wilde. Daarmee was het verweerder duidelijk dat klaagster niet zonder meer achter de voorgestelde koers stond. Niet gebleken is dat verweerder op dat moment deze twijfels aangreep om pas op de plaats te maken en de positie van klaagster nader met haar te bespreken. Verweerder volstond met de mededeling op 29 november 2023 dat hij klaagster niet een VSO wilde aansmeren en dat alles wat hij deed in haar belang was. In de daarop volgende e-mails heeft verweerder zich met name gericht op de onzekerheid dat bij een eventuele ontbinding door de kantonrechter de advocaatkosten volledig zouden worden vergoed (zie e-mails van 7 december 2023 en 15 december 2023).  5.13    Op 31 januari 2024 heeft verweerder mr. V geschreven dat klaagster kampte met burn-out klachten, oververmoeid was en zich niet goed kon concentreren. Vanaf dat moment moest het voor verweerder dus in ieder geval duidelijk zijn geweest dat klaagster ziek was en er daarom rekening mee moest houden dat klaagster wellicht niet goed in staat was om haar positie te beoordelen of om weloverwogen beslissingen te nemen. Juist onder die omstandigheden mocht van verweerder een zorgvuldige begeleiding worden verwacht. Het lag op zijn weg om met klaagster op een rustig moment haar positie bij een ziekmelding te bespreken, de verschillende strategieën en alternatieven inzichtelijk te maken en de voor- en nadelen van een VSO of een ontbinding door de kantonrechter duidelijk en schriftelijk uiteen te zetten. De enkele e-mails van verweerder in het dossier, zoals zijn e-mail van 13 februari 2024, volstaan niet. Gelet op de door klaagster geuite twijfels over een VSO en haar gezondheidsklachten kon verweerder er niet mee volstaan haar te informeren over één bepaalde route (die van de VSO), terwijl niet gebleken is dat hij klaagster voldoende inzicht heeft gegeven in de alternatieven. Evenmin is gebleken dat verweerder de inhoud en gevolgen van de VSO voorafgaand aan de ondertekening door klaagster op 1 februari 2024 op een begrijpelijke en zorgvuldige wijze met klaagster heeft besproken en schriftelijk heeft vastgelegd. Daarmee heeft verweerder onvoldoende gewaarborgd dat de beslissing van klaagster berustte op een weloverwogen keuze. 5.14    De gebeurtenissen in de daarop volgende periode bevestigen dit beeld. Gelet op de handgeschreven tekst van klaagster op de door haar ondertekende VSO, was vanuit de werkgever gewezen op de mogelijkheid van het inroepen van een wettelijke bedenktermijn van twee weken. Toen klaagster op 13 februari 2024 aan de werkgever had laten weten dat zij gebruik wilde maken van haar bedenktermijn, heeft verweerder niet op een rustig moment de verschillende mogelijkheden met klaagster doorgenomen. In plaats daarvan heeft hij haar in de nacht van 16 februari 2024 ervan overtuigd dat zij haar e-mail aan de werkgever moest intrekken. Tegen de achtergrond van de bestaande twijfel van klaagster over de VSO en haar bij verweerder bekende gezondheidsklachten, is deze handelwijze niet verenigbaar met de zorgvuldigheid die van verweerder mocht worden verwacht. Vanwege de uitgesproken twijfels van klaagster, haar herhaaldelijk kenbaar gemaakte gezondheidsproblemen en het feit dat zij zich op haar bedenktermijn had beroepen, mocht verweerder niet zonder meer aannemen dat klaagster de volgende ochtend daadwerkelijk en weloverwogen afstand had gedaan van de bedenktijd. Voordat verweerder vervolgens aan mr. V berichtte dat de intrekking correct was, had het op zijn weg gelegen om bij klaagster te verifiëren of zij daadwerkelijk achter die intrekking stond.  5.15    De raad komt gelet op deze feiten en omstandigheden tot het oordeel dat verweerder klaagster onvoldoende heeft bijgestaan en haar in de richting van het sluiten van de VSO heeft bewogen, terwijl hij wist, althans had moeten begrijpen, dat zij daarover twijfelde en zich vanwege haar gezondheid in een kwetsbare positie bevond. Daarmee heeft verweerder zijn zorgplicht ernstig geschonden. Indien verweerder van mening was dat de door hem voorgestane oplossing noodzakelijk was, lag het op zijn weg zich uit de zaak terug te trekken (gedragsregel 14). Met druk vasthouden aan een eigen koers, in omstandigheden waarin de cliënte ernstig twijfelt of zij die koers wenselijk vindt en kenbaar maakt met gezondheidsklachten te kampen waardoor zij de situatie niet goed overziet, heeft er in dit geval voor gezorgd dat zij niet, op basis van volledige en begrijpelijke informatie, zelf tot een vrije en weloverwogen beslissing kon komen. De raad komt op grond van deze feiten en omstandigheden daarom tot de slotsom dat klachtonderdeel c) in zoverre gegrond is en klachtonderdeel g) volledig gegrond is.  5.16    Het is de raad echter onvoldoende gebleken dat verweerder klaagster onder druk zette om de VSO te tekenen met als (enige) doel zijn eigen belang bij het vergoed krijgen van zijn advocaatkosten. Verweerder heeft gemotiveerd toegelicht dat hij ervan overtuigd was dat het sluiten van de VSO voor klaagster het best mogelijke resultaat was. Klachtonderdeel c) is voor het overige daarom ongegrond.   Klachtonderdelen d) en e)  5.17    Deze klachtonderdelen hebben betrekking op het starten van een incassoprocedure door het kantoor tegen klaagster en de Algemene Voorwaarden van het kantoor. De raad overweegt, in lijn met zijn beslissing van 30 januari 2023, ECLI:NL:TADRAMS:2023:24, dat deze zaken betrekking hebben op de organisatie van het kantoor. Klaagster had haar klachten hierover dan ook tegen het kantoor moeten richten en niet tegen verweerder. De verweten gedragingen kunnen immers niet zonder meer aan verweerder als individuele advocaat worden toegerekend. Deze klachtonderdelen zijn in verband daarmee niet-ontvankelijk.   Klachtonderdeel f)  5.18    Klaagster verwijt verweerder dat hij heeft geweigerd het dossier over te dragen aan de nieuwe advocaat van klaagster en dat dit klaagster heeft belemmerd in haar verdediging en haar belangen heeft geschaad. 5.19    De klachtonderdeel slaagt niet. Verweerder heeft gemotiveerd aangevoerd, hetgeen ook steun vindt in de overgelegde stukken, dat hij klaagster na haar verzoek van 22 februari 2024 om het dossier over te dragen, eerst op 26 februari 2024 had gevraagd welke stukken hij precies moest overdragen, omdat klaagster zelf ook beschikte over alle stukken. Op 27 februari 2024 heeft verweerder alle processtukken aan de opvolgend advocaat gestuurd en op 29 februari 2024 volgde alle e-mailwisseling. Op 12 maart 2024 heeft verweerder de opvolgend advocaat gevraagd of zij nu over alle stukken beschikte. Op 13 maart 2024 heeft verweerder nog de geluidsopnamen opgestuurd. Verweerder heeft hiermee voldoende aangetoond dat hij zich constructief heeft opgesteld bij het overdragen van het dossier. Dat klaagster is belemmerd in haar verdediging of in haar belangen is geschaad is niet komen vast te staan. Klachtonderdeel f) is ongegrond.     6    MAATREGEL 6.1.    Verweerder heeft niet gehandeld zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende      advocaat mag worden verwacht door na te laten zijn cliënte bij aanvang van de bijstand en/of tussentijds duidelijk te informeren over de te verwachten tijdsbesteding, de totale kosten en, voor zover redelijkerwijs mogelijk, het te verwachten resultaat. Verweerder heeft klaagster bovendien onvoldoende bijgestaan en haar in de richting van het sluiten van de VSO bewogen, terwijl hij wist, althans had moeten begrijpen, dat zij daarover twijfelde en zich vanwege haar gezondheid in een kwetsbare positie bevond waarin zij niet goed in staat was haar wil te bepalen. Daarmee heeft verweerder zijn zorgplicht ernstig geschonden. 6.2.     Hoewel de gedragingen op zich een zwaardere maatregel rechtvaardigen volstaat de raad in dit geval met de oplegging van een waarschuwing, aangezien verweerder niet eerder door de tuchtrechter is veroordeeld. 

7    GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING 7.1    Omdat de raad de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart, moet verweerder op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klaagster betaalde griffierecht van € 50,- aan haar vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door. 7.2    Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder daarnaast op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten: a) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en b) € 500,- kosten van de Staat.  7.3    Verweerder moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder a en b genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline” en het zaaknummer.

BESLISSING De raad van discipline: -    verklaart klachtonderdelen b), c) (gedeeltelijk) en g) gegrond; -    verklaart klachtonderdelen a), c) (overigens) en f) ongegrond; - verklaart klachtonderdelen d) en e) niet-ontvankelijk; -    legt aan verweerder de maatregel van waarschuwing op; -    veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klaagster; -    veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3.

Aldus beslist door mr. S.D. Arnold, voorzitter, mrs. D. Horeman en M.J.E. van den Bergh, leden, bijgestaan door mr. N. Borgers-Abu Ghazaleh als griffier en uitgesproken in het openbaar op 26 oktober 2026.  

Griffier     Voorzitter

Verzonden op: 26 oktober 2026