Rechtspraak
Uitspraakdatum
26-10-2026
ECLI
ECLI:NL:TADRAMS:2026:246
Zaaknummer
26-357/A/A
Inhoudsindicatie
Raadsbeslissing. Klacht over de kwaliteit van de dienstverlening. Verweerder heeft nagelaten om belangrijke informatie schriftelijk (tijdig) vast te leggen, zoals de strategie en de proceskansen en -risico’s. Verweerder heeft onvoldoende oog gehad voor de complexe grensoverschrijdende en erfrechtelijke aspecten van de zaak. Ook zijn niet tijdig afspraken gemaakt over de financiële kant van de zaak en excessief gedeclareerd. Ook had verweerder de aansprakelijkstelling anders moeten afhandelen. Berisping.
Uitspraak
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam van 26 oktober 2026 in de zaak 26-357/A/A naar aanleiding van de klacht van:
klaagster
over
verweerder
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE 1.1 Op 11 september 2025 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder. 1.2 Op 22 april 2026 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2521897/EvR/JN van de deken ontvangen. 1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 14 september 2026. Daarbij waren klaagster en verweerder aanwezig. 1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventaris genoemde bijlagen 00 tot en met 04.
2 FEITEN 2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten. 2.2 Klaagster heeft zich – via een bevriende kantoorgenoot van verweerder, die hem bij klaagster heeft aanbevolen - tot verweerder gewend voor rechtsbijstand in een geschil met haar broer over de nalatenschap van hun ouders, die in Turkije woonachtig waren. Voorafgaand aan het overlijden van de ouders zou de broer grote bedragen van de bankrekening van hun ouders hebben afgehaald en ook onroerende zaken voor lage prijzen hebben gekocht. In Turkije is zij ook een procedure gestart tegen de broer over de erfenis. 2.3 Op 4 maart 2024 heeft verweerder een opdrachtbevestiging gestuurd aan klaagster. “1. Aard van de opdracht U heeft ons opgedragen u te adviseren/bij te staan in verband met de gedragingen van [naam broer] in verband met – kort gezegd – de erfenis. Onze activiteiten zullen bestaan uit het verzamelen van de relevante feiten, het opstellen van een sommatiebrief aan de wederpartij, het analyseren van de reactie, mogelijk het voeren van schikkingsonderhandelingen alsmede mogelijk een rechtszaak. 2. Vergoeding en uitbetaling Het honorarium bedraagt EUR 300 per uur inclusief kantoorkosten, maar exclusief BTW. Per maand wordt gefactureerd met een specificatie van de werkzaamheden. De werkzaamheden zullen worden uitgevoerd door mijzelf en door [naam kantoorgenoot]. Eventuele verschotten (griffierecht, deurwaarder, aangetekende post, etc.) worden apart gefactureerd. (…)” 2.4 Op 5 maart 2024 heeft klaagster gereageerd de opdracht te zullen ondertekenen, maar dat zij voordat er kosten gemaakt gaan worden eerst wil kunnen aantonen dat de betreffende goederen inderdaad op de naam van haar broer zijn gezet omdat er anders geen bewijs is van de onrechtmatige daden. 2.5 Verweerder heeft diezelfde dag gereageerd: “[Naam kantoorgenoot] en ik hebben het erover gehad. De insteek die we zouden kunnen kiezen, is dat wij simpel om afwikkeling van de erfenis vragen. Dat betreft dan in de eerste plaats de verdeling van de panden. Naar verwachting zal hij dan reageren dat hij die panden heeft gekocht en dan is het aan hem daarvan bewijs te leveren. Los daarvan kunnen we de aandacht leggen op het wegsluizen van het geld van de rekening van je ouders. Als we deze strategie kiezen, hoeven we ten aanzien van de panden niet meteen bewijs mee te sturen (maar het moet wel worden verzameld). Ten aanzien van de geldrekening zouden wij bij voorkeur wel enig bewijs meesturen. Als je het hiermee eens bent, dan kunnen wij op basis van jouw feitenrelaas aan de slag. Het bewijs van de “koop” van de panden kunnen wij dan later nog in stelling brengen, indien nodig.” 2.6 Op 14 maart 2024 heeft verweerder aan klaagster geschreven een beslagrekest te zullen opstellen, waarna de broer zal worden gesommeerd om te betalen en dat bij uitblijven van die betaling beslag zal worden gelegd. Op 22 maart 2024 heeft verweerder een conceptbeslagrekest voorgelegd aan klaagster. Op 25 maart 2024 heeft verweerder een aangepast concept-beslagrekest voorgelegd, samen met een concept-sommatiebrief. 2.7 Op 8 april 2024 heeft verweerder aan klaagster voorgesteld om te begroting van de kosten voor de verdere behandeling en de strategie te bespreken. De bespreking heeft op 17 april 2024 plaatsgevonden. Op 18 april 2024 heeft verweerder daarover geschreven: “(…) I. Kosten Je hebt gezegd dat de kosten van behandeling je tot dit moment wat tegenvallen. Dat wordt inderdaad mede veroorzaakt door de samenwerking tussen [naam kantoorgenoot] en mij, maar dat komt het eindproduct ten goede. Je ziet aan de tijdschrijflijsten dat beide advocaten er niet even veel tijd aan besteden en ik leidend ben. De gisteren door ons beiden aan de zaak bestede tijd zullen wij niet in rekening brengen. Uit de onderstaande kostenbegroting kun je opmaken dat een groot deel van het werk al is gedaan en dat de kosten van verdere behandeling niet zo groot zijn als je denkt. Als je hier verder nog vragen over hebt hoor ik die graag. II. Begroting kosten verdere behandeling In het kader van de te voeren bodemprocedure beoog ik hieronder een begroting te verstrekken voor de te verwachte uren die recht doen aan de complexiteit van de kwestie. a. Werkzaamheden voor het indienen verzoekschrift conservatoir beslag Te zoeken overleg met de wederpartij om te proberen alomvattende regeling te bereiken: 1 uur b. Verzoekschrift leggen conservatoir beslag. Dit verzoekschrift is in concept gereed en moet nog op onderdelen worden aangepast. Daarna kan het worden ingediend. Na het verkregen verlof moet het beslag worden gelegd en moet dat beslag worden overbetekend aan de debiteur. Kosten van behandeling bij elkaar begroot op 2 uren. c. Aanhangig maken bodemprocedure. Overleg met de cliënte opstellen van de dagvaarding in de bodemprocedure, waaronder begrepen opname eventuele nader gevoerde verweren door de wederpartij en weerlegging daarvan, eventuele overige benodigde stukken: 10 uur. Bestudering conclusie van antwoord wederpartij: 2 uur. Voorbereiden) zitting. Correspondentie Rb, wederpartij, cliënte, bestudering eventuele stukken wederpartij, reistijd naar en van de rechtbank (1 tot 2 uur) en aanwezigheid ter plaatse (Rb), concipiëren notities ter zitting (mede naar aanleiding van de CvA van de wederpartij), comparitie van partijen en interactie met de rechter en wederpartij: 10 uur. c. Nazorg: Nabespreking cliënte, evaluatie van de procedure en overleg met cliënte over eventuele vervolgstappen, betekening vonnis, eventuele corr. wederpartij, cliënte en deurwaarder: 1 uur. d. Onvoorziene omstandigheden. Gezien de dynamiek van de bodemprocedure bouw ik een buffer in voor onvoorziene omstandigheden, bijvoorbeeld indien en voor zover de wederpartij een reconventionele vordering instelt en/of er getuigenverhoren dienen plaats te vinden. Ik begroot daarom vooralsnog 6 extra uren voor mogelijke aanvullende werkzaamheden of onvoorziene complicaties, zonder getuigenverhoren. In het geval van getuigenverhoren zullen bovendien conclusies na getuigenverhoren worden geconcipieerd en dient de conclusie na getuigenverhoor van de wederpartij te worden bestudeerd. De hiermee gemoeide tijd valt vooralsnog moeilijk in te schatten en is onder andere afhankelijk van beantwoording van de vraag hoeveel getuigen worden gehoord en wat de getuigen verklaren. Eventuele incidenten/incidentele vorderingen worden vooralsnog niet verwacht en zijn in bovengenoemde begroting daarom niet meegenomen. e. In totaal bedraagt de urenbegroting derhalve 32 uren, inclusief 6 uur onvoorzien. f. Kosten. Voorts dient in de bodemprocedure rekening te worden gehouden met de verschotten, waaronder begrepen deurwaarderskosten oproepingsexploit en betekeningsexploit vonnis (ong. 300,-) en griffierecht verzoekschrift en dagvaarding (€ 2.626,--). Ik begroot de hiermee gemoeide kosten op (afgerond) EUR 3.000. (…) Deze begroting voor de bodemprocedure is indicatief. De werkelijk bestede tijd wordt in rekening gebracht. Verdere communicatie en transparantie over tijdsbesteding zullen tijdens het proces worden gehandhaafd.” 2.8 Op 29 april 2024 heeft verweerder aan klaagster laten weten dat er op 30 april 2024 beslag zal worden gelegd op de woning van de broer. Daarbij heeft hij ook opgemerkt: “(…) We hebben het eerder gehad over de verhouding tussen de procedure in Turkije en die in Nederland. Je hebt geschreven dat de inzet van de procedure is dat de overdrachten ongedaan worden gemaakt (de vier transacties met je broer). [De gemachtigde van de broer] heeft telefonisch tegen mij gezegd, dat wat hem betreft er geen twee procedures parallel aan elkaar over kunnen worden gevoerd. [Naam kantoorgenoot] en ik denken dat dat wel kan, maar dat de schadevordering een voorwaardelijk karakter heeft in die zin dat wanneer hij meewerkt met terug levering van de betreffende onroerende zaken, de schadevordering voor dat deel komt te vervallen. Omgekeerd zouden we kunnen stellen dat wanneer hij de schadevergoeding betaalt, de vordering tot terug levering komt te vervallen. Dat laatste is niet wat je wil, maar zo zou de structuur moeten zijn (geld en transacties met neef onvoorwaardelijk, overige transacties voorwaardelijk).” 2.9 Op 7 mei 2024 heeft verweerder aan klaagster geschreven: “(…) In de tussentijd hoef je je geen zorgen te maken over mogelijke niet-ontvankelijkheid. Wat betreft de samenlopende procedures zien wij het zo, dat de verkopen die in Turkije ter discussie staan pas geen schade toebrengende feiten meer zijn als die verkopen worden teruggedraaid. Tot die tijd is het wel schade. (…)” 2.10 Op 8 mei 2024 heeft verweerder een conceptdagvaarding voorgelegd aan klaagster. 2.11 Op 13 mei 2024 heeft verweerder namens klaagster de broer gedagvaard. Daarbij is gesteld dat klaagster door haar broer is benadeeld, omdat deze de erfenis heeft verarmd en uitgehold met als doel zichzelf te bevoordelen en klaagster te benadelen, wat een inbreuk is op een (vermogens)recht van klaagster en/of in strijd met de maatschappelijke betamelijkheid en daarmee een onrechtmatige daad. Verzocht is om de exacte hoogte van de gestelde schade in een schadestaatprocedure vast te stellen. 2.12 Op 2 oktober 2024 heeft klaagster aan verweerder geschreven dat, als hij denkt dat de schuld uit onrechtmatige daad binnen de boedel valt, hij daar geen tijd en kosten aan moet besteden. 2.13 Op 19 december 2024 heeft de broer een conclusie van antwoord ingediend. Verweerder heeft de conclusie van antwoord diezelfde dag doorgestuurd aan klaagster en verzocht om haar reactie. Op 20 december 2024 heeft klaagster haar commentaar op de conclusie van antwoord aan verweerder toegestuurd en diverse vragen gesteld. Verweerder heeft daarop niet gereageerd. 2.14 Op 28 februari 2025 heeft klaagster aan verweerder geschreven: “(…) Tijdens de comparitie zal naar voren komen dat er al een procedure speelt in Turkije die eerder is ingesteld dan de Nederlandse procedure en is ingesteld op onvoorwaardelijke basis zoals ook de Nederlandse procedure. Wat is de juridische onderbouwing voor mijn recht om ook in Nederland een procedure te voeren over overlappende kwesties met gevaar voor tegenstrijdige uitspraken in twee landen. Het lijkt mij niet genoeg om maar te stellen dat wij beide procedures als voorwaardelijk beschouwen. Al de bovengenoemde vragen zijn juridische kwesties die onderzocht en bestudeerd hadden moeten worden (en misschien ook zijn bestudeerd maar niet gecommuniceerd naar mij toe) voor het instellen van de procedure. Je begint niet eerst een zaak om daarna pas te bekijken of deze enige kans van slagen heeft, wat de juridische knelpunten zijn en welke verweren opgeroepen kunnen worden door gedaagde. Overigens zijn er geen juridische verweren opgeroepen door gedaagde die niet al voorzien waren.” 2.15 Op 7 maart 2025 heeft verweerder de diverse vragen van klaagster beantwoord. Voor zover relevant, heeft hij daarbij geschreven: “(…) 2. Er valt verder een onderscheid te maken tussen de bevoegdheid van een rechter om een zaak te berechten en het toepasselijk recht. Vanwege het feit dat je broer in Nederland woont kon hij hier worden gedagvaard en kon hier verhaal van de vordering worden verzekerd met conservatoir beslag op het huis. Dat was volgens mij - naast je wens om maximaal druk op je broer uit te oefenen - een belangrijke reden om hier een procedure te starten. Als de rechter mocht oordelen dat Turks recht toepasselijk is op de onderliggende transacties en de rechtmatigheid daarvan, dan kan (en moet) hij inlichtingen over dat Turkse recht inwinnen. Jouw verhuizing naar Engeland heeft verder geen invloed op de procedure, de rechterlijke bevoegdheid of op het toepasselijk recht. 3. Tussen jou en je broer bestaat geen rechtsverhouding uit zaakwaarneming. Omdat die verhouding ontbreekt, kun je geen rekening en verantwoording vorderen. Daarom is de rechtsgrond van de vordering onrechtmatige daad. Dat hebben we besproken. Rechtsgronden moeten door de rechter overigens ambtshalve worden aangevuld. (…) Wat betreft de declaratie bestaat er voor mij alleen verschil van mening over de welbekende akte wijziging eis. Ik heb al aangeboden dat te crediteren. Andere bezwaren zijn mij niet bekend. Als jij met de bovenstaande uitleg kan instemmen, dan hoor ik het graag. Vervolgens kunnen we de strategie naar de comparitie toe bespreken, indien je althans blijvend van mijn diensten gebruikt wilt maken en er voldoende vertrouwen is om de samenwerking voort te zetten. Ik blijf wel aanspraak maken op betaling van de declaraties voor zover ik niet heb toegezegd die te crediteren. Dat gaat gewoon om de rechttoe rechtaan behandeling van de zaak.” 2.16 Bij vonnis van 18 juni 2025 heeft de rechtbank de vorderingen van klaagster afgewezen. Daarbij is overwogen dat de gestelde onrechtmatige daad naar Nederlandse recht zal worden beoordeeld, gelet op de instemming van de broer daarmee en het bepaalde in artikel 4 lid 1 of artikel 14 lid 1 van de Rome II-verordening. De rechtbank heeft de vorderingen afgewezen, omdat geen sprake is van een onrechtmatige daad ten opzichte van klaagster omdat de ouders ten tijde van de transacties nog in leven waren en er nog geen nalatenschap was. Klaagster kon dus niet in haar vermogen worden aangetast op het moment dat de transacties plaatsvonden. Hoogstens zou, aldus de rechtbank, sprake kunnen zijn van een onrechtmatige daad ten opzichte van de ouders. Ook is klaagster in de proceskosten veroordeeld. 2.17 Verweerder heeft het vonnis op 19 juni 2025 doorgestuurd aan klaagster. Daarbij heeft hij opgemerkt: “Hierbij gaat het vonnis. Het is erg teleurstellend. De Rechtbank is van mening dat geen sprake was van een onrechtmatige daad tegen jou omdat ten tijde van de transacties en de onttrekkingen aan de bankrekening je ouders eerst allebei en later alleen je moeder nog in leven waren. De Rechtbank vindt dus geoorloofd wat er is gebeurd en dat vind ik onbegrijpelijk. Er zijn voldoende aanknopingspunten om het vonnis in beroep aan te vechten. Ik denk dat we je broer allereerst buiten rechte (nogmaals) uitdrukkelijk moeten sommeren om de waarde van alle onttrekkingen en de genoten transactiewinsten terug te storten in de nalatenschap. Als hij dat (weer) weigert, dan staat eens temeer vast dat je door de eerdere handelingen wel degelijk in je vermogen bent aangetast. Het is opmerkelijk dat de Rechtbank die omstandigheid, het weigeren om de nalatenschap weer aan te vullen, niet in de overwegingen heeft betrokken.” 2.18 Op 25 juni 2025 heeft verweerder een eerste analyse van het vonnis aan klaagster toegezonden. Daarin schrijft hij onder meer: “1. De Rechtbank heeft in lijn met onze argumentatie zichzelf bevoegd geacht en Nederlands recht van toepassing verklaard. De toepasselijkheid van Nederlands recht vloeit voort uit Rome-II (Verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen), artikel 4. Niet vereist was derhalve dat je broer met de toepasselijkheid van Nederlands recht instemde. Dat zijn raadsman dat ter zitting deed, kwam slechts voort uit de onduidelijke stelling die hij in de conclusie van antwoord had ingenomen. 2. In r.o. 4.4 overweegt de Rechtbank van alles over een vordering die wordt ingesteld krachtens onrechtmatige daad. De Rechtbank vergeet daarbij dat wij slechts een verklaring voor recht hebben gevorderd, dat sprake is geweest van onrechtmatige handelingen, en geen schadebedrag hebben gevorderd. Voor toewijsbaarheid van die verklaring voor recht is volgens vaste jurisprudentie voldoende dat aannemelijk is dat door de gedragingen schade is geleden en hoeft er niet te worden bewezen dat er schade is geleden, hoe hoog die is. Ook het causale verband tussen de onrechtmatige gedragingen en de schade komt pas in de schadestaatprocedure in volle omvang aan bod. Ook toekomstige schade is schade die in de schadestaatprocedure kan worden gekwantificeerd. Het door de Rechtbank geciteerde uitgangspunt voor haar overwegingen, is dus onjuist. Misschien verklaart dat tevens de misslagen die daarna in de overwegingen staan. 3. Onbegrijpelijk is de stelling dat jij niet in je vermogenspositie bent aangetast (r.o. 4.5). Op het moment dat je de zaak aanhangig maakt, waren je ouders al overleden en dus was er toen al een directe aanspraak op de erfenis. Die erfenis was door de onttrekkingen van je broer met ongeveer 80% afgenomen en je broer is niet van zins gebleken dat weer aan te vullen. Als je broer geen fratsen had uitgehaald, had de erfenis allang kunnen zijn verdeeld. Al met al is voldoende aannemelijk dat je schade hebt geleden. 4. De overweging in r.o. 4.6 houdt in dat de gedragingen van je broer uitsluitend onrechtmatig kunnen zijn jegens de ouders en dat de vordering op je broer daarom hooguit in de (nog onverdeelde) nalatenschap van je ouders terecht kan zijn gekomen. Dat betekent echter niet dat de gedragingen niet tevens onrechtmatig kunnen zijn jegens jou. Er zijn twee deelgerechtigden tot de nalatenschap waarvan één de nalatenschap heeft uitgehold, waarvan de ander de dupe is. Het handelen van de een treft de ander in haar vermogen, dus ook van een rechtstreekse onrechtmatige daad is sprake. Het is onbegrijpelijk dat de Rechtbank oordeelt dat onrechtmatig handelen alleen jegens de nalatenschap aan de orde is c.q. kan zijn. 5. Uit overweging 4.6 zou ook volgen dat jouw vermogensrechtelijke belang niet wordt beschermd tegen het handelen van je broer, met andere woorden dat niet is voldaan aan het relativiteitsvereiste (artikel 6:163 BW). In de door ons gestelde subsidiaire grondslag van de vordering – handelen in strijd met de maatschappelijke betamelijkheid – ligt echter besloten dat is voldaan aan het relativiteitsvereiste. De Rechtbank is hier geheel aan voorbij gegaan. 6. Mijn mening, dat sprake is geweest van onrechtmatig handelen, is door het vonnis niet gewijzigd. Het is een absurd vonnis. Als het juist is, zouden erfgenamen elkaar – zolang de erflaters nog in leven zijn - onbeperkt kunnen benadelen, zonder dat dit consequenties heeft. Het is weinig overtuigend opgeschreven dat jij geen vordering uit onrechtmatige daad zou hebben.” 2.19 Op 3 juli 2025 heeft klaagster een second opinion ingewonnen bij een andere advocaat, mr. [L]. Mr. [L] concludeert in haar second opinion dat de rechtbank het bij het juiste eind heeft en dat een hoger beroep geen slagingskansen heeft. Wel zou klaagster haar broer vanuit haar hoedanigheid van erfgename kunnen aanspreken, maar mr. [L] verwacht dat de Nederlandse rechter zich onbevoegd zal verklaren om een vordering over de nalatenschappen te beoordelen en dat het Nederlandse recht ook niet van toepassing is. Zij heeft klaagster geadviseerd om zich tot een Turkse advocaat te wenden. 2.20 Klaagster heeft de second opinion op 4 juli 2025 aan verweerder toegezonden, waarbij zij hem aansprakelijk heeft gesteld wegens een door hem gemaakte beroepsfout. 2.21 Tussen 7 juli 2025 en 14 juli 2025 hebben klaagster en verweerder gecorrespondeerd over het doorhalen van het beslag via de deurwaarder. Klaagster heeft daarbij opgemerkt geen hoger beroep in te zullen stellen wegens haar schadebeperkingsplicht. Verweerder heeft daarop gereageerd als het niet instellen van hoger beroep er sowieso toe leidt dat de schadebeperkingsplicht wordt geschonden en dat haar beslissing daarover niet voor zijn rekening komt. Ook heeft hij opgemerkt van mening te zullen zijn geen beroepsfout te hebben gemaakt, dat hij zijn beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar zal informeren en dat de verzekeraar de zaak verder in behandeling heeft genomen. 2.22 Op 7 oktober 2025 heeft mr. [R], op verzoek van verweerder, een juridische opinie gegeven of redelijkerwijs een vordering uit onrechtmatige daad ingesteld kon worden zoals aan de orde in het vonnis van 18 juni 2025. Daarin komt hij tot de conclusie dat, vanuit het perspectief van het vermogensrecht, het niet onbegrijpelijk is of op voorhand kansloos is om een vordering in te stellen zoals in de bodemprocedure aan de orde was. Of de vordering ook daadwerkelijk toegewezen kan worden, hangt aldus mr. [R] mede af van de omstandigheden van het geval. Daarbij merkt hij op dat de rechtbank de vordering op feitelijke gronden heeft afgewezen maar terecht niet heeft geoordeeld dat de vordering als zodanig niet voor toewijzing vatbaar is. Dit geldt volgens mr. [R] met name in de situatie dat de broer opzettelijk de (aanstaande) vermogenspositie van de zus heeft benadeeld, en met name ook indien dit betrekking heeft op haar kindsdeel. Ook wijst hij op de mogelijkheid om op grond van de overgang onder algemene titel (artikel 6:249 BW) jegens de broer een vordering uit onrechtmatige handelen die aan de ouders toekomt, zou kunnen instellen. 2.23 Diezelfde dag heeft mr. [L] een reactie opgesteld over de opinie van mr. [R]. Daarbij geeft mr. [L] aan dat de vraag of een vordering kán worden ingesteld snel met ‘ja’ kan worden beantwoord, maar dat een advocaat ook de taak heeft om de haalbaarheid van die vordering te onderzoeker. Ook merkt zij op dat mr. [R] zich niet waagt aan een inhoudelijke toets wat betreft de haalbaarheid van de vordering. Zij heeft haar advies herhaald dat het oordeel van de rechtbank daarover juist is. Wel meent zij dat namens de nalatenschap wellicht geprocedeerd had kunnen worden, maar dat dit niet is gedaan. Ook zou de Nederlandse rechter volgens mr. [L] dan onbevoegd zijn. Mr. [L] is daarbij van mening dat het onder de gegeven omstandigheden van de zaak in ieder geval een volstrekt kansloze exercitie was om een onrechtmatige daadsactie op dat moment jegens de broer in te stellen. De reden daarvoor is dat de nalatenschap nog niet was verdeeld, zodat op dat moment niet kon worden vastgesteld óf de broer klaagsters vermogenspositie had benadeeld met betrekking tot de nalatenschappen. Declaraties 2.24 Verweerder heeft de volgende facturen in rekening gebracht bij klaagster: Datum factuur Periode Bedrag excl. btw Uren 04-04-2024 28 februari 2024 maart 2024 € 4.905,- 16,35 02-05-2024 april 2024 € 1.770,- 5,9 30-05-2025 mei 2024 € 2.370,- 7,9 01-10-2024 september 2024 € 300,- 1,0 01-11-2024 oktober 2024 € 330,- 1,1 10-01-2025 november 2024 december 2024 € 750,- 2,5 18-02-2025 januari 2025 € 450,- 1,5 01-05-2025 april 2025 € 3.090,- * 10,3 03-06-2025 mei 2025 € 4.470,- * 14,9 07-07-2025 juni 2025 € 1.260,- * 4,2 Totaal € 19.695,- 65,65 * bij deze facturen is geen btw in rekening gebracht met als opmerking ‘n.v.t.’ 2.25 Op 28 en 29 maart 2025 heeft verweerder in totaal € 1.934,05 inclusief btw terugbetaald/gecrediteerd. 2.26 Op 2 oktober 2025 heeft verweerder aan klaagster medegedeeld dat er nog € 5.730,- aan onbetaalde facturen zijn en dat er ten onrechte geen btw is gefactureerd. Daarmee zou er volgens verweerder nog € 7.940,- openstaan en dat het zijn voorkeur heeft om het geschil bij de burgerlijke rechter uit te procederen.
3 KLACHT 3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerder het volgende: a) Verweerder heeft door zijn – achteraf bezien – gebrekkige kennis van het erfrecht en burgerlijk procesrecht geadviseerd om een procedure te starten tegen klaagsters broer, terwijl deze procedure volkomen kansloos bleek te zijn. Klaagsters belangen zijn hierdoor geschaad; b) Verweerder heeft ten onrechte en buitensporig veel uren gedeclareerd; c) Verweerder heeft nagelaten om klaagster te informeren over de slagingskansen van de procedure en de daarbij behorende procesrisico’s, waaronder het risico van beslaglegging; d) Verweerder heeft niet tijdig gecommuniceerd; e) Verweerder heeft nagelaten om belangrijke adviezen schriftelijk vast te leggen; f) Verweerder heeft klaagster onder druk gezet om in hoger beroep te gaan; g) Verweerder heeft de rechter misleid door niet alle hem bekende, relevante feiten in de dagvaarding uiteen te zetten, zoals het vermelden van de lopende procedure in Turkije; h) Verweerder heeft nagelaten om klaagster op de hoogte te houden van de aansprakelijkstelling en de afwikkeling daarvan door de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar; i) Verweerder heeft zijn informatieplicht geschonden door na te laten klaagster tijdig te wijzen op de overschrijding van de kostenbegroting.
4 VERWEER 4.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING Toetsingskader 5.1 Deze klacht gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van de advocaat. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht. Communicatie Klachtonderdelen c), d), e) 5.2 Van een redelijk handelend en redelijk bekwaam advocaat wordt, gelet op de kernwaarde deskundigheid, verwacht dat deze bij het aannemen van een zaak in overleg met de cliënt een strategie bepaalt, waarbij ook de slagingskansen en mogelijke risico’s worden geschetst. Op basis van gedragsregel 16 moet de advocaat deze strategie, de kansen en de risico’s ook schriftelijk vastleggen. Het is de raad niet gebleken dat verweerder hieraan heeft voldaan. Op 5 maart 2024 heeft verweerder wel een strategie voorgesteld, maar niet is gebleken dat verweerder daarbij inzichtelijk heeft gemaakt welke kansen en risico’s daarbij kwamen kijken. De raad stelt vast dat de strategie vervolgens is gewijzigd, aangezien er kort daarna beslag is gelegd en (mede als gevolg daarvan) over het starten van een bodemprocedure werd gesproken. Ook hiervan is niet gebleken dat verweerder de kansen en risico’s van dat beslag en de bodemprocedure inzichtelijk heeft gemaakt voor klaagster. Verweerder is daarmee tekortgeschoten in zijn belangenbehartiging. De raad verklaart klachtonderdelen c) en e) daarom gegrond. 5.3 Het is de raad verder gebleken dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gecommuniceerd. Verweerder heeft op 19 december 2024 aan klaagster gevraagd om te reageren op de conclusie van antwoord. Dat heeft zij een dag later gedaan, waarbij zij ook diverse vragen heeft gesteld. Het is vervolgens ruim twee maanden stil gebleven aan de zijde van verweerder. Pas nadat klaagster op 28 februari 2025 zelf weer contact opneemt, heeft verweerder gereageerd op de vragen. Verweerder heeft hierover opgemerkt dat hij niet direct heeft gereageerd, omdat de comparitiezitting pas maanden later zou plaatsvinden en hij de voorbereiding van de zitting het liefst kort ervoor oppakt om onnodige tijdsbesteding te voorkomen. De raad ziet hierin geen verschoonbare omstandigheden waarom verweerder heeft nagelaten om klaagsters vragen twee maanden lang onbeantwoord te laten. Verweerder had in dat geval eind december 2024 aan klaagster op zijn minst kunnen mededelen dat hij de zaak later, kort voor de zitting, weer zou oppakken en ook dan haar vragen zou beantwoorden. Klachtonderdeel d) is eveneens gegrond. Financiën Klachtonderdelen b) en i) 5.4 De raad stelt vast dat verweerder bij aanvang van de zaak geen inschatting heeft gegeven van de verwachte kosten van de zaak. Dat was verweerder wel verplicht om te doen op basis van gedragsregel 17 lid 2 en het arrest van het Hof van Justitie van 12 januari 2023, ECLI:EU:C:2023:14. Pas op 18 april 2024 heeft verweerder voor het eerst een inschatting gegeven van de (nog) te verwachten kosten, nadat hij al bijna € 5.000,- in rekening had gebracht en klaagster zich daarover had beklaagd. Onder de bijna € 5.000,- vallen bovendien ook de kosten voor de lunch van 28 februari 2024, waarover verweerder voorafgaand niet transparant is geweest richting klaagster dat hij (en zijn kantoorgenoot) ook daarvoor kosten in rekening zou brengen (vergelijk HvD 6 juni 2025, ECLI:NL:TAHVD:2025:99, onder 9.6 en 9.7). 5.5 Verweerder heeft de kosteninschatting van 18 april 2024 vervolgens aanzienlijk overschreden. Zijn inschatting was dat hij nog 32 uur aan werkzaamheden nodig had, waaronder 6 uur aan onvoorziene werkzaamheden. Volgens verweerder zou een groot deel van het werk bovendien al gedaan zijn. Verweerder heeft daarna echter € 19.596,- exclusief btw in rekening gebracht voor 65,65 uur aan werkzaamheden. Tussentijds heeft hij klaagster niet geïnformeerd dat hij zijn kosteninschatting van 32 uur zou gaan overschrijden. Klachtonderdeel i) is daarom gegrond. 5.6 Vervolgens dient de raad de vraag te beantwoorden of verweerder excessief heeft gedeclareerd. Wat betreft de hoogte van de declaratie, beperkt de tuchtrechter zich tot een marginale toets in die zin dat niet wordt beoordeeld of de declaratie juist is, maar enkel of sprake is van excessief declareren. Daarbij wegen alle omstandigheden mee, zoals de aard en complexiteit van de zaak, de (financiële) hoedanigheid van de cliënt, de met de zaak gepaard gaande (financiële) belangen en de verhouding tussen het in rekening gebrachte bedrag en de verrichte werkzaamheden. Of elk onderdeel van die specificatie – naar civiel recht gemeten – voor toewijzing in aanmerking komt staat niet ter beoordeling van de tuchtrechter. Waar het op aankomt is of het totaal van de declaraties als tuchtrechtelijk verwijtbaar excessief aangemerkt kan worden. 5.7 De raad is van oordeel dat verweerder buitensporig veel heeft gedeclareerd. Zoals hiervoor is opgemerkt, heeft verweerder zijn eigen inschatting van 32 uur aanzienlijk overschreden door in totaal 65,65 uur in rekening te brengen. Zelfs als daarvan de al in rekening gebrachte 16,35 uur uit februari en maart 2024 wordt afgetrokken, heeft verweerder bijna 20 uur meer aan de zaak besteed dan hij als inschatting aan klaagster heeft gegeven. Dit terwijl verweerder in zijn kosteninschatting al een ruime marge van 6 uur aan onvoorziene werkzaamheden had opgenomen. Verweerder heeft niet kunnen uitleggen waarom zijn declaraties zoveel hoger zijn uitgevallen dan hij zelf heeft ingeschat, anders dan door te stellen dat er veel is ge-e-maild met klaagster. Het is de raad op basis van de urenspecificaties bovendien niet gebleken dat er dermate veel is gecommuniceerd met klaagster om een dergelijke overschrijding te verantwoorden. De raad is dan ook van oordeel dat verweerder excessief heeft gedeclareerd. Klachtonderdeel b) is ook gegrond. Inhoudelijk Klachtonderdelen a), f), g) en h) 5.8 De raad is van oordeel dat verweerder onvoldoende deskundig heeft gehandeld in deze procedure. Verweerder heeft, zoals onder 5.2 al is geoordeeld, geen duidelijke strategie vastgelegd en klaagster ook niet geïnformeerd over de slagingskansen en risico’s van de procedure. Verweerder heeft in reactie op de tuchtklacht gereageerd de kwestie louter als een onrechtmatige daad-kwestie te beschouwen. Aldus verweerder, zouden de feiten geen andere conclusie toestaan dan dat sprake is van opzettelijke benadeling van klaagster door haar broer. Verweerder heeft daarbij echter geen, of althans onvoldoende, rekening gehouden dat de in geschil zijnde gelden en onroerende zaken op het moment dat zij aan de broer zijn overgemaakt c,q, geleverd, niet toebehoorden aan klaagster maar aan haar (wilsbekwame) ouders. Ook heeft hij onvoldoende aandacht besteed aan het erfrechtelijke aspect van de kwestie. Op het moment dat verweerder de vorderingen namens klaagster jegens de broer instelde, was de erfenis van hun beider ouders nog niet afgewikkeld. Voor zover inderdaad sprake was van een benadeling door de broer was dat dus nog niet komen vast te staan, omdat deze mogelijk nog verrekend kon worden bij het afwikkelen van de boedel. Verweerder heeft niet inzichtelijk gemaakt dat hij daar aandacht aan heeft besteed. Bovendien was sprake van een boedelafwikkeling in Turkije naar Turks recht, waarvan verweerder geen kennis heeft. Verweerder heeft zich ook niet laten informeren door iemand die wel deskundig is op het gebied van het Turkse erfrecht. Dat was wel relevant voor het bepalen van de mogelijkheden die klaagster in Nederland had. Het ging immers om een complexere grensoverschrijdende erfkwestie dan verweerder met het instellen van een onrechtmatige daad-vordering voor ogen had. De raad is van oordeel dat verweerder met het voorgaande niet heeft gehandeld zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend advocaat mocht worden verwacht. Klachtonderdeel a) is gegrond. 5.9 Het is de raad overigens niet gebleken dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld jegens klaagster door niet alle hem bekende feiten naar voren te brengen in de procedure bij de rechtbank. Klaagster heeft zelf ingestemd met de processtukken en ook is niet gebleken dat de rechtbank haar artikel 21 Rv heeft tegengeworpen. Klachtonderdeel g) is daarom ongegrond. 5.10 De raad is verder van oordeel dat verweerder onbetamelijk heeft gehandeld door erbij klaagster op aan te dringen dat zij hoger beroep moest instellen tegen het vonnis van 18 juni 2025 omdat zij anders haar schadebeperkingsplicht zou schenden. Verweerder heeft klager daarmee een juridisch advies gegeven over een kwestie waarin hij niet langer de vereiste onafhankelijkheid in acht kon nemen, aangezien het over een aansprakelijkstelling jegens hemzelf was. Op grond van gedragsregel 16 lid 2 had verweerder klaagster op minder stellige wijze kunnen en moeten adviseren om onafhankelijk advies te vragen over onder meer het instellen van hoger beroep uit hoofde van haar schadebeperkingsplicht. Klachtonderdeel f) is gegrond. 5.11 Tot slot wordt verweerder verweten te hebben nagelaten om klaagster op de hoogte te houden van de aansprakelijkstelling en de afwikkeling daarvan door de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar. Uit het dossier volgt dat verweerder in reactie op de aansprakelijkstelling heeft weersproken dat hij een beroepsfout heeft gemaakt en dat hij zijn beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar heeft ingelicht. 5.12 De raad staat voor de vraag of verweerster met deze handelwijze tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. In dat verband is van belang dat in artikel 6:24 van de Verordening op de advocatuur (Voda) is bepaald dat de advocaat adequaat is verzekerd ter zake van het risico van zijn beroepsaansprakelijkheid (lid 1) en dat hij de verzekering aangaat met een verzekeraar van wie aannemelijk is dat deze voldoet aan redelijkerwijs te stellen eisen van solvabiliteit (lid 4). Uit de toelichting op dat artikel blijkt wat het doel is van deze verplichtingen. Het gaat erom het publiek tot op zekere hoogte waarborg te bieden dat iedere advocaat voldoende verhaal biedt in geval van schade door een beroepsfout, aldus de toelichting op artikel 6:24 Voda. De advocaat kan aan de waarborgfunctie in elk geval voldoen door de (vermeend) benadeelde desgevraagd de gegevens van de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar te geven, bijvoorbeeld door toezending van een kopie van de melding van de betreffende claim aan de verzekeraar van de advocaat. Naast de waarborgfunctie brengt de betamelijkheidsnorm als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet mee dat een advocaat jegens de (vermeend) benadeelde helder communiceert na een ingediende claim. Verweerder diende daarbij te voorkomen dat klaagster in het ongewisse zou blijven. Verweerder heeft weersproken een beroepsfout te hebben gemaakt, maar heeft de verder behandeling overgelaten aan zijn beroeps-aansprakelijkheidsverzekeraar, zonder dat hij de gegevens van zijn verzekeraar kenbaar heeft gemaakt. Om te voorkomen dat er voor klaagster een impasse ontstaat, was verweerder wel gehouden om die gegevens te verstrekken. Klaagster moet immers in de gelegenheid worden gesteld om in zo’n geval contact op te nemen met de verzekeraar om duidelijkheid te verkrijgen over de wijze waarop de claim afgehandeld wordt (vergelijk HvD 9 december 2019, ECLI:NL:TAHVD:2019:217; HvD 10 januari 2020, ECLI:NL:TAHVD: 2020:28; HvD 15 september 2023, ECLI:NL:TAHVD:2023:163). Klachtonderdeel h) is daarom gegrond. Conclusie 5.13 De raad zal de klacht gegrond verklaren, met uitzondering van klachtonderdeel g) dat ongegrond is.
6 MAATREGEL 6.1 De raad is van oordeel dat verweerder niet in overeenstemming heeft gehandeld met de kernwaarden (financiële) integriteit en deskundigheid. Verweerder heeft nagelaten om belangrijke informatie schriftelijk (tijdig) vast te leggen. De strategie, voorzien van de goede en kwade kansen die daarbij komen kijken, is door verweerder niet duidelijk vastgelegd. Daarbij heeft hij onvoldoende oog gehad voor de complexe grensoverschrijdende en erfrechtelijke aspecten van de zaak. Ook heeft verweerder niet tijdig afspraken gemaakt met klaagster over de financiële kant van de zaak. Verweerder heeft daarover ter zitting toegelicht dat alleen te doen wanneer een cliënt daarnaar vraagt. Hiermee miskent verweerder dat het aan hem is, om professional tegenover een consument, om vooraf transparant te zijn over zijn kosten. Dat is bovendien een verplichting die al vele jaren geldt. Verweerder zal zijn praktijkvoering daar dus ook echt op moeten aanpassen. Wel heeft verweerder een kosteninschatting gegeven nadat klaagster zich over zijn declaraties had beklaagd, maar deze is niet bijgesteld nadat verweerder daarover heen dreigde te gaan. Aldus de raad is sprake van excessief declareren. Ook de aansprakelijkstelling door klaagster had verweerder anders moeten afhandelen. 6.2 Omdat verweerder op meerdere onderdelen tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld, waarbij in strijd is gehandeld met meerdere kernwaarden, kan ondanks het feit dat verweerder niet eerder een tuchtrechtelijke maatregel opgelegd heeft gekregen, niet volstaan worden met een waarschuwing. De raad legt daarom een berisping op.
7 GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING 7.1 Omdat de raad de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart, moet verweerder op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klaagster betaalde griffierecht van € 50,- aan haar vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door. 7.2 Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder daarnaast op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten: a) € 50,- reiskosten van klaagster, b) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en c) € 500,- kosten van de Staat. 7.3 Verweerder moet het bedrag van € 50,- aan reiskosten binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, betalen aan klaagster. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door. 7.4 Verweerder moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder b en c genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.
BESLISSING De raad van discipline: - verklaart klachtonderdeel g) ongegrond; - verklaart de klacht voor het overige gegrond; - legt aan verweerder de maatregel van berisping; - veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klaagster; - veroordeelt verweerder tot betaling van de reiskosten van € 50,- aan klaagster, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in overweging 7.3; - veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in overweging 7.4.
Aldus beslist door mr. M.V. Ulrici, voorzitter, mrs. F.J.J. Baars en mr. C.C. Horrevorts, leden, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 26 oktober 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 26 oktober 2026
