Rechtspraak
Uitspraakdatum
31-08-2026
ECLI
ECLI:NL:TADRAMS:2026:192
Zaaknummer
26-189/A/A/D
Inhoudsindicatie
Raadsbeslissing; gegrond dekenbezwaar. Verweerster heeft ernstig tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door zich in haar processtukken te vereenzelvigen met haar cliënten en daarmee de vereiste professionele deskundigheid niet in acht te nemen. Hiermee heeft verweerster in strijd gehandeld met de kernwaarde onafhankelijkheid. Daarnaast vertonen de processtukken van verweerster een ernstig gebreken in kwaliteit. Dit heeft niet alleen geleid tot afwijzing of niet-ontvankelijkverklaring van verzoeken, maar heeft de procedure van haar cliënten bovendien vertraagd. Behalve onbetamelijk vindt de raad de gedragingen van verweerster ook zorgelijk, omdat verweerster geen inzicht in de laakbaarheid van haar handelen heeft getoond. Verweerster heeft de adviezen en instructies van de deken niet opgevolgd. Ook op het concept van het dekenbezwaar heeft verweerster geen inhoudelijke reactie gegeven. Evenmin is verweerster op de zitting van de raad verschenen, zodat de raad niet bekend is met het verweer van verweerster. Gelet op deze omstandigheden, is de raad - ondanks het feit dat verweerster niet eerder tuchtrechtelijk veroordeeld is - van oordeel dat oplegging van een voorwaardelijke schorsing van acht weken passend en geboden is. De raad ziet gelet op de ernst van de verweten gedragingen aanleiding om naast de algemene voorwaarde aan deze voorwaardelijke schorsing een bijzondere voorwaarde te verbinden, namelijk een op kosten van verweerster te volgen coachingstraject met een coach, gespecialiseerd in het personen- en familierecht.
Uitspraak
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam van 31 augustus 2026 in de zaak 26-189/A/A/D naar aanleiding van het bezwaar van:
deken
over:
verweerster
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE 1.1 Bij brief aan de raad van 9 maart 2026 met kenmerk 2535387, digitaal door de raad ontvangen op dezelfde datum, heeft de deken haar bezwaar ter kennis van de raad gebracht. Het dekenbezwaar is behandeld op de zitting van de raad van 22 juni 2026 in aanwezigheid van de deken, bijgestaan door haar stafmedewerker. Verweerster is met voorafgaand bericht niet verschenen. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt. 1.2 De raad heeft kennisgenomen van de in 1.1 genoemde brief van de deken en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 21. Ook heeft de raad kennisgenomen van de e-mail van de deken van 18 juni 2026 waarmee een ontbrekende bijlage, die in het dossier hoort, is nagezonden en de e-mail van verweerster van 21 juni 2026.
2 FEITEN 2.1 Voor de beoordeling van het bezwaar gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten. Verzoek om gesloten behandeling 2.2 Verweerster heeft in haar e-mail van 21 juni 2026 verzocht om het dekenbezwaar achter gesloten deuren te behandelen, aangezien de onderliggende zaak een justitiële kinderbeschermingszaak betreft. Nu het dekenbezwaar echter betrekking heeft op het handelen van verweerster en niet op de onderliggende zaak, heeft de raad geen aanleiding gezien om het verzoek in te willigen. Het verzoek is daarom bij aanvang van de behandeling op zitting afgewezen. Signaal rechtbank 2.3 Begin maart 2025 ontving de toenmalige deken (hierna ook aangeduid als deken), via de rechtbank een signaal over verweerster met betrekking tot het optreden van verweerster in een gezags- en omgangskwestie. Verweerster staat de biologische ouders van een minderjarige jongen bij, genaamd D, in een zaak tegen de stichting William Schrikker Jeugdbescherming en Jeugdreclassering (hierna: WSG), die met de voogdij van D is belast. De rechtbank uitte haar zorgen over de deskundigheid en onafhankelijkheid van verweerster. 2.4 Dit signaal was voor de deken aanleiding om verweerster uit te nodigen voor een gesprek op het ordebureau op 13 maart 2025. Bij dit gesprek waren de deken, mr. Van L (lid van de raad van de orde) en verweerster aanwezig. In vervolg op het gesprek heeft verweerster bij e-mails van 14 maart 2025, 17 maart 2025 en 24 april 2025 de stukken in de onderliggende zaak aan de deken toegezonden. 2.5 Uit het gesprek van 13 maart 2025 en de toegezonden stukken kwam bij de deken een beeld naar voren dat het signaal van de rechtbank over het gebrek aan onafhankelijkheid en deskundigheid van verweerster bevestigde. De deken heeft verweerster daarop bij e-mail van 29 april 2025 het volgende meegedeeld: “U heeft ons naar aanleiding van ons gesprek van 13 maart jl. het dossier toegestuurd en ook nog de tussenbeschikking van de rechtbank. Uit de stukken blijkt ons dat u wel degelijk in de stukken het (juridisch onjuiste) standpunt heeft ingenomen dat vader en moeder gezamenlijk gezag hebben nadat de curatele van de moeder is afgelopen en de vader het kind heeft erkend. Verder is gebleken dat in de processtukken wel degelijk negatief over de pleegouders is gesproken en dat er beschuldigingen aan hun adres worden gedaan zonder dat daar – naast de uitlatingen van uw cliënten – bewijs voor blijkt te bestaan. U treedt op voor zowel de vader en de moeder en dient verzoeken in voor wisselend de vader en de moeder. Het is niet duidelijk waarom u eerst voor de vader en later ook voor de moeder optreedt en of u zich wel rekenschap heeft gegeven van tegenstrijdige belangen. Onduidelijk is ook waarom u maar liefst 5 zeer uitgebreide verzoekschriften indient. Mijn voorlopige indruk is dat in deze zaak de kernwaarden onafhankelijkheid en deskundigheid ernstig in het geding zijn gekomen. Het een en ander is reden om een kantooronderzoek in te stellen waarbij ook verschillende, door ons uit te kiezen, dossiers zullen worden bekeken. Er zal contact met u worden opgenomen voor het maken van een afspraak voor dit kantoorbezoek waarbij aanwezig zullen zijn de deken, de portefeuillehouder familierecht en 2 stafmedewerkers. Tijdens het kantoorbezoek zal ook het bovenstaande nader worden toegelicht en besproken. In de tussentijd geven wij u het dringende advies om u in de zaak [D] te laten bijstaan dan wel coachen door een tweede advocaat gespecialiseerd in het familierecht. Ik ontvang graag een week na heden de bevestiging dat u dit advies opvolgt en de naam van de coach of tweede advocaat.” 2.6 Bij e-mail van 29 april 2025 heeft verweerster de deken toestemming gevraagd om mr. K als coach te laten fungeren in deze zaak. Bij e-mail van eveneens 29 april 2025 heeft de deken een kantoorbezoek aangekondigd, gepland op 19 juni 2025. Tijdens dat kantoorbezoek heeft de deken laten weten zij niet akkoord ging met mr. K als coach, aangezien deze gespecialiseerd is in strafzaken. Het moest gaan om een advocaat die gespecialiseerd is in het personen- en familierecht en de zaak samen met verweerster verder kon behandelen. Verweerster heeft daarop toegezegd dat zij zou nadenken over een andere advocaat en zo snel mogelijk zou terugkoppelen wie dat werd. De deken heeft benadrukt dat verweerster niets in de zaak kon doen totdat er een tweede advocaat betrokken was, vanwege haar gebrek aan distantie. 2.7 Naar aanleiding van het kantoorbezoek heeft de deken op 29 juli 2025 een dekenbezwaar aan verweerster aangekondigd vanwege de wijze waarop verweerster de zaak voor de biologische ouders van D behandelde. De deken schrijft verweerster het volgende: “Zoals ik met u besproken heb tijdens de bespreking van 13 maart jl. en tijdens het kantoorbezoek, ben ik met betrekking tot de behandeling van de zaak voor de biologische ouders van [D] van mening dat u onvoldoende distantie heeft betracht en een verkeerd juridisch standpunt heeft ingenomen. Dat heeft ertoe geleid dat de procedure onnodig is vertraagd. Ik heb u tijdens het kantoorbezoek laten weten dat ik de indruk heb dat u nog steeds te betrokken bent bij de zaak en dat mij dat zorgen baart. Ik heb aangegeven dat u de zaak vanwege de geuite zorgen over het gebrek aan distantie niet alleen kan behandelen en dat u niets kan doen in de zaak zo lang er geen tweede advocaat betrokken is. Ik heb u in dat verband verzocht om mij zo spoedig mogelijk aan te geven met welke advocaat u de zaak gezamenlijk gaat behandelen. Ik stel vast dat ik tot op heden daaromtrent niet van u heb vernomen. Ik heb besloten om een dekenbezwaar tegen u in te dienen met betrekking tot de behandeling van de zaak voor de biologische ouders van [D]. Ik zal het dekenbezwaar opstellen en u vervolgens in de gelegenheid stellen om daarop te reageren. In verband met de zomerperiode, streef ik ernaar daar in september bij u op terug te kunnen komen.” 2.8 Van het kantoorbezoek op 19 juni 2025 is een verslag opgemaakt, waarin verweerster onder meer is verzocht om zo spoedig mogelijk aan te geven met welke advocaat de zaak/zaken voor de biologische ouders van D gezamenlijk zou gaan behandelen. 2.9 Het verslag is op 22 juli 2025 aan verweerster gestuurd, met het verzoek binnen drie weken te reageren. Verweerster heeft hierop niet gereageerd, waarna de deken op 25 augustus 2025 een rappel heeft gestuurd. Ook hierop heeft verweerster niet gereageerd. 2.10 Het dekenbezwaar is op 2 februari 2026 in concept aan verweerster gestuurd, met het verzoek daarop binnen drie weken te reageren. Verweerster heeft niet inhoudelijk gereageerd op het concept. De zaak D 2.11 De biologische moeder van D staat onder curatele, en werd in deze kwestie aanvankelijk bijgestaan door een andere advocaat. Bij beschikking van 26 maart 2021 is WSG belast met de voorlopige voogdij over de (op dat moment nog ongeboren) D. 2.12 Bij beschikking van 7 april 2021 is de beschikking van 26 maart 2021 gehandhaafd. Bij beschikking van 1 september 2021 is WSG tot voogd van D benoemd en een omgangsregeling met de biologische moeder vastgesteld. 2.13 Vanaf eind 2023 staat verweerster de biologische vader van D bij als advocaat. Vanaf februari 2024 staat verweerster ook de biologische moeder van D bij. 2.14 Op 19 februari 2024 heeft verweerster namens de biologische vader een verzoekschrift ingediend met de titel “VERZOEKSCHRIFT TOESTEMMING ERKENNING, EENHOOFDIG GEZAG EN VASTSTELLING OMGANGSREGELING/ZORGREGELING – TEVENS PROVISIONELE VOORZIENING (ARTIKEL 223 RV) STREKKENDE TOT VASTSTELLING OMGANGSREGELING”, waarin verweerster de rechtbank, kort gezegd, heeft verzocht (i) te bepalen dat tussen de biologische vader en D een (uitgebreidere) omgangsregeling geldt; (ii) vervangende toestemming te verlenen tot erkenning van D; en (iii) de biologische vader te belasten met het ouderlijk gezag over D en de voogdij van WSG te beëindigen. Verweerster heeft het verzoekschrift ingediend namens de biologische vader. Zij heeft in het verzoekschrift echter ook verzoeken namens beide ouders gedaan. Zo schrijft verweerster in punt 24 van dit verzoekschrift: “Indien de vader ouderlijk gezag van Uw rechtbank toegewezen krijgt, dan verzoekt de vader / verzoeken de beide ouders U EA de voogdij van de GI WSG te beëindigen, al dan niet via de Raad voor de Kinderbescherming.” In 25 t/m 28 van het verzoekschrift schrijft verweerster verder: 25. De ouders zijn van mening dat [D] zich niet kan identificeren met zijn pleegouders, pleegbroers en pleegzus. De pleegouders hebben geen zwart haar en geen bruine ogen, andere waarden en normen en meer dan de ouders een alles-moet-kunnen mentaliteit. De foto’s waaruit dit blijkt, kan de moeder U EA ter zitting laten zien. U ziet dan een foto van een oudere autochtoon-Nederlandse vrouw met dreadlocks, met een hond die aan de eettafel mag mee eten, slangen en andere dieren die in het huis rondlopen. Zij kan U een foto tonen van de meterslange slang van de pleegouders (een echte) die gekronkeld zit om het lichaam van een van de adolescente zoons van de pleegouders. 26. De ouders vinden de woning van de pleegouders mede door de vele dieren niet hygiënisch schoon en houden er niet van dat [D] een vies speentje in zijn mond gestopt krijgt. Zij vinden dit ongezond. Bovendien reageert [D] allergisch op viezigheid, bepaalde dieren en huisstofmijt. De pleegouders hebben drie eigen kinderen, 4 slangen (pythons), enkele kikkers, katten, honden en een fret. Als de ouders om de week [D] bezoeken bij de pleegouders thuis, dan mogen ze nimmer begeleid met hem naar buiten omdat de pleegmoeder de vele huisdieren en m.n. de pythons niet alleen kan laten. Omdat de pleegmoeder hen dit heeft verteld, hebben zij het vermoeden dat [D] weinig buiten komt. 27. Vanzelfsprekend hebben de ouders respect voor de pleegouders en waarderen zij hen voor wat ze goed hebben gedaan voor [D]. En toch moet het hen van het hart dat een van de zoons van de pleegouders volgens de pleegmoeder verslaafd is aan XTC/drugs, opgenomen moest worden in een afkickkliniek en de andere minderjarige adolescente zoon bezig is met behulp van operaties en zware hormoonbehandelingen aan zijn transitie tot vrouw – dingen die de vader en moeder niet willen voor hun eigen zoontje. Ook hun adolescente dochter is transgender, in transitie tot man. Over dit soort operaties toestaan bij minderjarige jongeren, bij je eigen kinderen, kan de vader kort zijn: ‘niet doen – je weet niet wat je je kind hiermee aandoet’.
28. Net als bij andere jonge baby’s was bij [D] zijn schedeltje nog dun en zacht na de geboorte en kon deze gemakkelijk vervormen. De pleegouders hebben niet gelet op zijn voorkeurshouding en hem niet elke dag of een paar keer per dag op een andere kant laten slapen. Als het goed is hebben ook zij dat advies gekregen van het consultatiebureau of de kraamverpleegster, thuiszorg. Onbekend is waarom ze dat advies niet hebben opgevolgd. Als gevolg van het te vaak op één zijde liggen is hierdoor thans het schedeltje van [D] aan een zijde afgevlakt, alsmede zijn schouder (zie het ZTO (griffier: Zorg Team Overleg) verslag van 7 december 2023 in bijlage 8) en heeft hij nu al kinderfysiotherapie nodig.”
2.15 Op 22 maart 2024 heeft verweerster namens de biologische moeder van D een verzoekschrift ingediend met de titel “INSTEMMINGSVERKLARING TOESTEMMING ERKENNING, EENHOOFDIG GEZAG VADER EN VASTSTELLING OMGANGSREGELING/ZORGREGELING – TEVENS HOUDENDE ZELFSTANDIGE VERZOEKEN TOT BEËINDIGING VOOGDIJ WSG EN BEËINDIGING VAN DE PLEEGGEZINPLAATSING VAN [D]”, waarin verweerster de rechtbank, kort gezegd, heeft verzocht (i) te bepalen dat tussen de biologische vader en D een (uitgebreidere) omgangsregeling geldt, (ii) aan de biologische vader vervangende toestemming te verlenen tot erkenning van D, (iii) de biologische vader te belasten met het ouderlijk gezag over D en de voogdij van WGS te beëindigen; en (iv) te verklaren dat WSG bewust belangrijke informatie heeft achtergehouden en te bepalen dat WSG alle onderzoeksverslagen van MOC [RvD: Medisch Orthopedagogisch Centrum] ’t Kabouterhuis die D betreffen, moet verstrekken aan de biologische moeder. 2.16 Hoewel het verzoekschrift namens de biologische moeder van D is ingediend, hebben hiervoor genoemde onderdelen (i) en (iii) van het verzoek betrekking op de biologische vader. In punten 13 en 14 van dit verzoekschrift schrijft verweerster het volgende: “13. In het verzoekschrift van de vader is al onderbouwd dat de pleegouders niet goed en niet passend zijn voor [D] (net als hun drie adolescente kinderen en vele huisdieren, slangen, kikkers, hond die aan tafel mee-eet, een fret en andere huisdieren). Dit blijkt ook uit het feit dat zij volgens MOC 't Kabouterhuis, WSG en de WP thans Videohometraining nodig hebben (bijlage D). De pleegmoeder lijkt zeer druk met zichzelf als 'weldoener' en kunstenares (zie haar facebook), het tekenen en schilderen van huisdieren en wilde dieren, haar eigen adolescente kinderen - 1 met ernstige verslavingsproblematiek en 2 transgenders in moeilijke operaties en hormoonbehandelingen, met de vele huisdieren, kikkers, een fret en slangen die de hele dag door gevoed moeten worden - zo heeft zij de ouders laten weten - waardoor [D] niet naar buiten kan of mag. De pleegvader heeft vrijwel dag en nacht zijn supermarkt en supermarktketen - zie (…) - en daarnaast nog een bijbaantje. De dochter (hun oudste kind) die in transitie is, is vanuit het VMBO bij haar vader in de winkel gaan werken, aldus FB. 14. De pleegouders hebben weinig aandacht en begrip voor de noden van [D]. Zo hebben ze nagelaten 's nachts en overdag na zijn geboorte de baby [D] bewust met het hoofdje in een andere houding te laten liggen en zijn hoofdje de ene keer naar links en de andere keer naar rechts te draaien teneinde misvorming en afvlakking te voorkomen (iets wat elke ouder/verzorger geleerd krijgt van het consultatiebureau en de kraamzorg). Dit hebben zij nagelaten met als gevolg dat [D] nu al kinderfysiotherapie nodig heeft en een misvormd schedeltje en schoudertje heeft. Ze tonen te weinig echte interesse, zijn verschillende keren met vakantie gegaan zonder [D], laten veel toe en er worden geen grenzen gesteld. Ze hebben een moet-kunnen mentaliteit/ gemakkelijke mentaliteit, laissez-faire opvoedings- en verzorgingsstijl. Als [D] bij zijn ouders in Amsterdam is, doen de ouders hem regelmatig eerst in bad - vanwege de noodzakelijke hygiëne.” 2.17 In punt 19 heeft verweerster de rechtbank namens de biologische moeder verzocht de pleeggezinplaatsing en de voogdij te beëindigen, de biologische vader te belasten met het eenhoofdig gezag over D en D bij zijn biologische vader in huis te plaatsen. Daarbij doet verweerster namens de biologische moeder een verzoek om informatie. De alinea luidt voor zover relevant als volgt: “19. Informatieverzoek: De moeder verzoekt U EA de pleeggezinplaatsing en de voogdij te beëindigen, de vader te belasten met het eenhoofdige gezag en [D] bij zijn vader thuis te plaatsen. Op grond daarvan heeft zij recht op alle informatie die haar verzoeken kunnen onderbouwen. Voor [D] is het juist goed als zijn moeder die informatie krijgt, zeker nu WSG al meer dan twee jaar lang nagelaten heeft de situatie van dit kindje te verbeteren. (…).” 2.18 Op 15 april 2024 heeft verweerster bij Veilig Thuis een melding gedaan van een vermoeden van huiselijk geweld en/of kindermishandeling door de pleegouders van [D]. De melding luidt als volgt: “Vrijdagavond 5 april 2024 zond de juridische moeder van [D] mij foto’s van [D’s] lichaampje met niet-verse blauwe bruinige plekken. Die foto's zijn reeds in het bezit van Veilig Thuis. De moeder van [D] heeft deze foto’s vrijdag 5 april 2024 rond 18 uur naar mij gestuurd. Zij is vroeger volgens oude stukken van VT gediagnosticeerd met een zeer laag IQ. Thans heeft zij volgens de betrokken gedragswetenschapper een IQ van net onder het gemiddelde. Zij werkt in vast dienstverband, doet het goed op haar werk, het verslag met de uitslag van het recente IQ onderzoek kan ik u nasturen - uitsluitend via e-mail. [D] had vrijdag 5 april omgang met zijn 'echte' vader en moeder: ’s ochtends begeleid en ’s middags onbegeleid. Hij had die dag drie keer ontlasting, 1 keer tijdens de begeleide omgang en 2 keer tijdens de onbegeleide omgang. De ouders hebben [D] daardoor ’s middags gedoucht / gewassen en ontdekten de plekken op zijn lichaampje. De foto’s zijn gemaakt op vrijdagmiddag 5 april 2024 rond 14.30 uur door de moeder, in bijzijn van de vader. Volgens een verslag van het werk van de vader (…) is de vader keurig, kalm, netjes, betrouwbaar en zeer rustig en beleefd. De beide ouders wensen door omstandigheden via mij hun vermoeden te melden bij Veilig Thuis. De moeder vertelde me zaterdagochtend 6 april 2024 dat ze in februari 2024 omgang had met [D] bij de pleegmoeder thuis en dat ze toen ook al had geconstateerd dat haar zoontje letsel had (op zijn vingertjes (blauw) en op zijn handjes). Zij heeft de pleegmoeder die dag volgens haar eigen zeggen op rustige nette wijze gevraagd hoe dat was gebeurd. De pleegmoeder zou haar toen hebben verteld dat ze dat niet wist en gezegd hebben dat S(…) (de 'echte' moeder) het kinderdagverblijf maar moest bellen hierover. De pleegmoeder zou tegen S(…) hebben gezegd dat ze het zelf niet had nagevraagd bij het KDV hoe [D] aan het letsel op zijn handjes kwam in februari 2024. Van WSG en via whatsapp berichten van de pleegmoeder zelf, hebben de ouders begrepen / konden de ouders afleiden dat de pleegmoeder kampt met spanningen. Hierdoor had de pleegmoeder de omgang op 29 maart 2024 onverwachts afgezegd. De niet-verse blauwe plekken op het lichaampje van [D] die de ouders op 5 april 2024 ontdekten (en mij via Whatsapp lieten zien), zijn m.i. dus niet ontstaan in Amsterdam bij de ouders thuis maar in Aalsmeer. In de week van 10 april kreeg ik een e-mail van de medewerkster van WSG (…) dat de plekken zijn ontstaan als gevolg van eczeem. Volgens de 'echte' vader is het goed mogelijk dat zijn zoontje allergisch reageert op de vele huisdieren in het huis van de pleegouders: 4 pythons, veel kikkers, een fret, hond of honden, katten. Vermeldenswaard is tevens dat de 'echte' moeder (…) onder curatele staat maar dat deze binnenkort wordt opgeheven. (…) Ik ben sinds eind dec 2023 advocaat van de 'echte' vader. In januari of februari heeft de 'echte' moeder mij gevraagd of ik ook haar advocaat wilde worden. Ik kon het dus niet veel eerder melden. De informatie over de situatie van [D] die ik via dit kinderbeschermingsdossier en mijn cliënten heb gekregen, vond ik vanaf dec 2023, januari 2024 al zorgwekkend. Via de verslagen vanuit het zorgteam van Cordaan en van de 'echte' ouders, mijn cliënten, heb ik het volgende begrepen: [D] is geboren en uit buik geplaatst op 2 mei 2021. De ouders hebben respect voor de pleegouders en waarderen hen voor wat ze wel goed hebben gedaan voor [D]. Zij maken zich wel zorgen en hebben het gevoel dat [D] niet goed wordt verzorgd (bv haren in zijn eten). De pleegmoeder zou hen hebben verteld dat een van hun zoons verslaafd is aan XTC/drugs, opgenomen moest worden in een afkickkliniek en de andere minderjarige adolescente zoon bezig is met behulp van behandelingen aan zijn transitie tot vrouw – dingen die de vader en moeder niet willen voor hun eigen zoontje. Ook de adolescente dochter zou transgender zijn, in transitie tot man. Over dit soort operaties/behandelingen toestaan bij minderjarige jongeren, bij je eigen kinderen, kan de vader kort zijn: ‘niet doen – je weet niet wat je je kind hiermee aandoet’. Inmiddels heb ik zelf in het NRC van 11 april 2024 (wetenschapspagina) gelezen dat de Nederlandse benadering waarop de genderzorg voor kinderen is gebaseerd fors bekritiseerd wordt door Britse wetenschappers. In een verslag uit 2023 van een hulpverlener van Cordaan las ik dat net als bij andere jonge baby’s [D] schedeltje nog dun en zacht was na de geboorte. Hierdoor kon deze gemakkelijk vervormen. Uit het verslag is af te leiden dat de pleegouders niet hebben gelet op zijn voorkeurshouding en hem niet elke dag of een paar keer per dag op een andere kant hebben laten slapen. Als het goed is hebben ook zij dat advies gekregen van het consultatiebureau of de kraamverpleegster, thuiszorg. Onbekend is waarom ze dat advies niet hebben opgevolgd of niet hebben gekregen. Als gevolg van het te vaak op één zijde liggen is thans het schedeltje van [D] aan een zijde afgevlakt, alsmede zijn schouder en heeft hij nu al kinderfysiotherapie nodig. [D] is onderzocht door MOC 't Kabouterhuis. Recentelijk. MOC ’t Kabouterhuis heeft Videohometraining geadviseerd aan de pleegouders. Dit blijkt uit een verslag van het zorgteamoverleg van Cordaan. De voogdijinstelling WSG weigert het rapport over [D] van MOC t Kabouterhuis met de echte ouders, de curator, de rechtbank en mij te delen. Het is wel gedeeld met de pleegouders en ook met [een medeweker] van Cordaan. Van de echte ouders en iemand van het Zorgteam van Cordaan heb ik begrepen dat WSG, de William Schrikker Stichting - de voogdijinstelling, tweeënhalf jaar feitelijk de voogdij niet heeft uitgevoerd ivm ziekte afwezigheid en vakanties van de vorige uitvoerende medewerkster die thans weg is bij WSG. (bron: de echte ouders en een medewerker van Cordaan die mij zelf belde).” 2.19 Bij e-mail van 20 april 2024 heeft verweerster de rechtbank het volgende geschreven, voor zover relevant: “Namens de beide ouders: wilt u met spoed de zitting inplannen? Bijgaand treft u de foto’s van het lichaampje van [D] die zijn moeder [S] vrijdag 19 april 2024 tijdens de omgang heeft gemaakt, nadat haar zoontje haar vertelde dat hij pijn had. [D] voelt zich niet lekker bij de pleegouders, hun adolescente eigen kinderen en de vele huisdieren waaronder pythons, kikkers, katten, een fret en een hond. Anders dan in het pleeggezin gedraagt [D] zich bij zijn echte ouders nimmer bijterig en driftig – zie de begeleide omgangsverslagen. De pleegouders en de gezinsmanager van de voogdijinstelling WSG hebben de vader afgelopen donderdag 18 april 2024 laten weten dat sprake is van constitutioneel eczeem en dat [D] er daardoor mishandeld uitziet. Van de pleegouders en de gezinsmanager van de GI [RvD: gezinsinterventie] WSG heeft de vader afgelopen donderdag begrepen dat de pleegouders niet bereid zijn in het belang van [D] hun vele dieren weg te doen, elke dag te stofzuigen, maatregelen te treffen op het gebied van hygiëne (beddengoed en handdoeken wekelijks wassen op 60 graden, geen wasverzachter gebruiken enz.) teneinde de jeuk, de pijn en het ongemak van [D] te verminderen / weg te nemen. Mijn vragen aan de rechtbank zijn: -Wilt u met spoed een zitting inplannen? -Wilt u bijgevoegde foto’s en de foto’s van 5 april 2024 van het lichaam van [D] aan het dossier toevoegen? Ter informatie voor Veilig Thuis die ons begin april heeft geadviseerd (zie onze melding van 2 weken geleden): mevrouw [S] [RvD: de biologische moeder] blijkt volgens IQ onderzoek verricht door een gedragswetenschapper verbonden aan Cordaan een IQ te hebben van bijna gemiddeld. Zij functioneert GEENSZINS op het niveau van een 2- of 3-jarige zoals de Raad voor de Kinderbescherming of VT in 2021 meende. Haar curator is voornemens de curatele op te heffen m.b.v. de rechtbank. Beide ouders doen het meer dan goed, zie de verslagen van de gezinscoaches, ook op hun werk; met name de moeder heeft goede verdiencapaciteit en promotiemogelijkheden bij de Action; de vader is volgens zijn werkgever (…) werkzaam als zeer goede, keurige, aardige lunchkok (…). Mijn vraag aan WSG: wilt u het gehele niet zwart gemaakte onderzoeksrapport van MOC 't Kabouterhuis naar mij / de moeder, naar de rechtbank en naar de Raad voor de Kinderbescherming mailen - via Zivver?” 2.20 Op 29 mei 2024 heeft verweerster namens de biologische moeder van [D] een “Akte wijziging, vermeerdering verzoek” ingediend, waarin zij de rechtbank, kort gezegd, heeft verzocht te bepalen dat (i) tussen de biologische vader en [D] en de biologische moeder en [D] een omgangsregeling gold en toestemming te verlenen tot wijziging hoofdverblijfplaats van [D]; en (ii) toestemming te verlenen aan de biologische vader tot erkenning van [D]; en (iii) de biologische vader te belasten met het ouderlijk gezag over [D] en de voogdij van WSG te beëindigen; (iv) te bepalen dat de GI WSG het onderzoeksverslag van 14 november 2023 van MOC ’t Kabouterhuis geheel en volledig moest verstrekken aan de biologische moeder. 2.21 In punt 3 van de akte schrijft verweerster dat er sprake is van onveilige hechting tussen [D] en zijn pleegouders. De passage hierover luidt als volgt: “3. De pleegouders reageren volgens MOC 't Kabouterhuis onvoldoende positief op [D] en zij waarderen hem te negatief (laatste pagina van het door WSG grotendeels onleesbaar gemaakte verslag). De staatjes in het verslag die niet zwart zijn gemaakt en die gebaseerd zijn op de informatie die de pleegouders zelf hebben gegeven aan het MOC wekken de indruk dat [D] onveilig dan wel onvoldoende veilig gehecht is aan de pleegouders. MOC 't Kabouterhuis verwijst in dit verband naar het wetenschappelijke werk en de hechtingstheorie van de bekende kinderpsychiater (…). De begeleide omgangsverslagen van Cordaan laten zien dat [D] wel veilig gehecht is aan zijn beide echte ouders.” 2.22 In punt 5 beschrijft verweerster dat er vermoedens zijn van kindermishandeling en kinderverwaarlozing door de pleegouders. Die alinea luidt als volgt: “5. In het pleeggezin zit [D] letterlijk en figuurlijk niet lekker in zijn vel - zie het bijgevoegde grotendeels door WSG onleesbaar gemaakte onderzoeksrapport van MOC 't Kabouterhuis in combinatie met de meldingen van vermoedens kindermishandelingen kinderverwaarlozing met overduidelijke foto's van [D’s] lichaampje die ik vorige maand namens de ouders naar Uw rechtbank, Veilig Thuis, de Raad voor de Kinderbescherming en WSG heb gestuurd. Alvorens ik de melding van de vermoedens kindermishandeling deed, heb ik de GI WSG gebeld. De medewerkster wilde mij niet aanhoren, wilde de foto's van het lichaampje van [D] niet zien, reageerde onbeleefd en verbrak de verbinding. Vervolgens heb ik toen VT [RvD: Veilig Thuis] gebeld en gevraagd wat ik het beste kon doen. Op advies van VT heb ik toen namens de ouders een en ander gemeld bij VT en de betrokken instanties waaronder Uw rechtbank.” 2.23 Op 14 juni 2024 heeft bij de rechtbank een zitting plaatsgevonden. In haar pleitaantekeningen heeft verweerster het volgende opgenomen: “2. (…) Bij de pleegouders moet Videohometraining (door WSG afgekort gepresenteerd als VIB) en gezinsbegeleiding opvoedondersteuning nog worden opgestart. In 2022 en 2023 moesten zij begeleid worden door LEVVEL. Wat er gebeurt in de interactie tussen de drie eigen adolescente kinderen van de pleegouders en [D] is nimmer uitgezocht, is nimmer op gelet, alsmede het effect van de vele verschillende (m.i. wilde?) dieren op dit jonge kind (…).” (…) 6. (…) Ik heb aan het einde van mijn intakegesprek met [de biologische vader W] direct WSG gebeld (…) net als direct na ons vermoeden kindermishandeling rond 8 april jl – anders dan de advocate van de pleegouders schrijft, heb ik direct WSG gebeld – zie de meldingen en de foto’s. (…) 11. (…) Het is goed mogelijk dat zij door de transgender- en verslavingsmoeilijkheden van hun eigen kinderen overbelast zijn geraakt en dat ze daardoor (het gedrag en de ontwikkeling van) [D] te negatief waarderen en zien en niet kindvolgend kunnen zijn (MOC ’t Kabouterhuis, 14 november 2023, p. 13). Net als de beschadigingen op zijn handjes in februari 2024 blijkt uit het recente dd 26 april 2024 top-teen onderzoek van het AMC overigens (anders dan WSG ons wil doen geloven) dat de pleegouders bepaalde beschadigingen en wondjes op het lichaam van [D] niet kunnen verklaren, ook niet door eczeem (hetgeen overigens vreselijk voelt voor een jong kind, elke dag). Niet alles bleek eczeem te zijn, zoals [de biologische moeder S] en [de biologische vader W] ook zagen, o.a. in februari (niet gemeld bij instanties, wel bij de pleegmoeder) en in april 2024. Opmerkelijk vinden de ouders dat we niet weten wat er gebeurt als de adolescente en misschien net meerderjarig eigen kinderen onbegeleid met [D] omgaan. (…)” 2.24 Op 10 juli 2024 heeft de rechtbank een beschikking gewezen en hierin overwogen: “4.7. Namens de pleegouders heeft mr. [K] (de advocaat van de pleegouders) verzocht de ouders niet ontvankelijk te verklaren in hun verzoeken, dan wel deze af te wijzen. De pleegouders zijn geschokt door de beschuldigingen van de ouders en hebben aangegeven dat deze verwijten hen veel verdriet hebben gedaan. Dat de ouders vanwege hun beperkingen de consequenties niet volledig kunnen overzien, daarvoor kunnen de pleegouders wel begrip opbrengen. Maar dat de advocaat van de ouders zonder achtergrondinformatie/wederhoor van de pleegouders, de WSS, Timon of Cordaan, rücksichtlos een melding doet bij Veilig Thuis vinden de pleegouders verwerpelijk. De ouders en de pleegouders hadden jarenlang een goede onderlinge relatie. De pleegouders zijn altijd bereid geweest om een stapje extra te zetten voor [D] en de ouders. De advocaat van de ouders heeft door haar handelen deze relatie schade berokkend, aldus de pleegouders. Uit de bevindingen van Timon Pleegzorg en de bevindingen van de huisarts blijkt dat de aantijgingen van mishandeling volledig misplaatst en ongegrond zijn. (…) 4.8. (…) De Raad [voor de Kinderbescherming] betreurt het dat de wijze waarop dit proces tot nu toe is verlopen ertoe heeft geleid dat de goede onderlinge verstandhouding met pleegouders is aangetast. (…) 5.1 Tot op heden is [D] niet erkend door de vader. Niet omdat daarover verschil van mening bestaat of omdat wordt getwijfeld of de vader de biologische vader is van [D], maar omdat moeder onder curatele staat en het kennelijk niet duidelijk voor haar was hoe de erkenning dan te regelen. 5.2 Voor erkenning is toestemming van de moeder nodig. Zolang de moeder nog onder curatele staat heeft zij toestemming van de kantonrechter nodig om haar toestemming voor erkenning te verlenen (artikel 1:204 lid 5 BW). De rechtbank kan geen toestemming verlenen omdat dat alleen kan als de moeder toestemming weigert. Dat laatste is niet het geval. Zodra de moeder toestemming van de kantonrechter heeft verkregen, kan zij samen met de vader bij de gemeente erkenning tot stand brengen. Nu er inmiddels een verzoekschrift is ingediend bij de kantonrechter om de curatele van de moeder op te heffen, kan ook deze beslissing worden afgewacht en kunnen de ouders daarna naar de gemeente om samen de erkenning te regelen. Omdat de rechtbank geen toestemming kan geven zullen de ouders niet worden ontvangen in hun daartoe strekkende verzoeken. (…) 5.4 Op basis van alle stukken die deel uitmaken van het dossier en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling van de verzoeken op 14 juni 2024 naar voren is gebracht door partijen, de pleegouders de WSS en -met name- de Raad komt de rechtbank tot het doordeel dat een advies van de Raad nodig is alvorens te kunnen beslissen op resterende voorliggende verzoeken.” 2.25 Op 11 december 2024 heeft verweerster namens de biologische vader van D een verzoekschrift ingediend met de titel “VERZOEKSCHRIFT VASTSTELLING UITBREIDING ZORGREGELING EN VOORNAAMSWIJZIGING [D] [V]”, waarin verweerster de rechtbank (kort gezegd) heeft verzocht (i) te bepalen dat tussen de biologische vader en D een omgangsregeling geldt; (ii) het gezag van de biologische vader over D NIET te beëindigen (indien U EA net als de gemeente meent dat sprake is van ouderlijk gezag); en (iii) de voornamen van D te wijzigen in D J. 2.26 Op 3 januari 2025 heeft verweerster namens de biologische vader van D een verzoekschrift met de titel “VERZOEKSCHRIFT VOORNAAMSWIJZIGING EN VASTSTELLING UITGEBREID ONBEGELEIDE OMGANGSREGELING” ingediend, waarin verweerster de rechtbank (kort gezegd) heeft verzocht (i) te bepalen dat tussen de biologische vader en D een omgangsregeling geldt; (ii) de voornamen van D te wijzigen en zo nodig WSG te dwingen de voorgestelde voornaamswijziging te verzoeken; en (iii) te bepalen dat de biologische vader recht heeft op de in het verzoekschrift beschreven en door hem gevraagde informatie. 2.27 Bij e-mail van 24 februari 2025 heeft verweerster de rechtbank (met onder andere WSG en de advocaat van de pleegouders in de cc) het volgende geschreven: “PS mw [K]: deze mail graag doorsturen naar uw leidinggevenden en svp met spoed een logeerweekend bij de vader regelen voor [D] Geachte mevrouw, geachte heer, geacht WSG, geachte collega, Bedankt voor uw bericht, dat ik namens de vader (en de moeder) niet positief kan opvatten en opvat als meer schadelijk voor [D] – een jong kind dat zijn ouders nodig heeft voor zijn welzijn en geluk. Zoals u bekend is de moeder foutief en verkeerd beoordeeld in 2021 door de RvdK (op basis van een oud stuk van een stagiaire psychologie (toen de moeder circa 19 was) die zich weer baseerde op resultaten van een WISC/onderzoek naar de intelligentie/persoonlijkheid van de moeder m.b.v. afgenomen vragenlijsten in de Nederlandse taal toen de moeder circa 12 jaar oud was en net in Nederland was gekomen vanuit Suriname (waar ze uitsluitend een soort Surinaams Engels sprak en GEEN Nederlands). Door slecht onderzoek te doen en de rechtbank verkeerd voor te lichten concludeerde de RvdK in 2021 per abuis dat de moeder van [D] (m.i. een topmoeder) functioneerde op het niveau van een peutertje, een twee- driejarige. Zoals u bekend is de woonsituatie van de vader, van de heer [W] [V], verkeerd beoordeeld in 2021. Zoals u bekend is [D] geplaatst en ongekend onrecht en extreem veel schade toegebracht in 2021 en in de jaren daarna. Zoals u bekend weigert de voogdijinstelling WSG sinds 2021 in de praktijk de voogdij uit te oefenen en in het belang van [D] te werken. Voordat de vader een advocaat benaderde (in dec 2023) werd hij met de moeder door WSG van kastjes naar muren gestuurd en verkeerd voorgelicht – tegen het belang in van [D]. Thans weigeren medewerker(s) van WSG een jong kind af en toe bij zijn vader te laten logeren – ondanks de hoeveelheid begeleide omgangsverslagen die uitsluitend positief zijn en waaruit blijkt dat de ouders [D] goed verzorgen en goed opvoeden en ondanks het feit dat de vader juridisch ouder is (de beide ouders juridische ouders zijn) – en weigert WSG de omgangsregeling uit te breiden. De GI is op de hoogte van het feit dat dit goed is voor de ontwikkeling van [D]. Zij weten op grond van hun ervaring – bv in situaties met gescheiden ouders – dat het goed is voor een kind als hij bv een goede weekendregeling krijgt met een lieve rustige sociale beleefde goede vader zoals de heer [V] dat is (en zijn moeder). De WSG-werkster meent echter dat de tussenbeschikking van de rechtbank (die ene met al die vragen) betekent dat zij niets kan veranderen en niets kan doen en niets kan verbeteren voor [D]. WILT U DEZE WEEK NOG AAN DE KINDERRECHTER VRAGEN CONTACT OP TE NEMEN MET WSG EN DE GI WSG OPDRACHT TE GEVEN [D] [V] AF EN TOE EEN WEEKENDJE BIJ ZIJN VADER TE LATEN LOGEREN OM TE BEGINNEN ELKE TWEE WEKEN OF ELKE MAAND, uit te leggen dat WSG dit gerust mag beslissen aangezien zij de voogdij hebben ondanks de hiërarchie van wet- en regelgeving in Nederland (art 8 EVRM) en ondanks de mondelinge mededeling van de abs van de gemeente (en dankzij de griffier van de rechtbank die het gezagsregister snel even wijzigde eind 2024 of begin 2025)? DE VADER VERZOEKT DE KINDERRECHTER VRIENDELIJK EN BELEEFD OP DE STOEL TE GAAN ZITTEN VAN DE (ANDERE) BETROKKEN ORGANEN VAN JUSTITIËLE KINDERBESCHERMING. Wij zullen z.s.m. en vanzelfsprekend tijdig reageren op de brief van heden met onderzoeksverlegenheid en vragen van de RvdK. Graag eind maart 2025 evengoed een zitting inplannen MAAR DEZE WEEK KAN DE KINDERRECHTER WAT ONS BETREFT DUS GERUST ALVAST UITLEG EN OPDRACHTEN GEVEN AAN WSG in het belang van [D]. Ter info: De vorige keer vroeg de vertegenwoordiger van de RvdK me vijf minuten voorafgaand aan de zitting waarover de zaak ging omdat hij de stukken niet had gelezen. De ouders vertelden me zo-even hoe graag [D] bij hen wil blijven elke vrijdag en dat ze zijn pijn voelen. Met vriendelijke groet en hoogachting, [verweerster] Advocaat (tevens pedagoge, gedragskundig geschoold o.a. op gebied van diagnostiek in de jeugdzorg, gepromoveerd aan de UvA op onderzoek naar de uitvoering van de justitiële kinderbescherming in Nederland” 2.28 Op 7 maart 2025 heeft verweerster namens de biologische vader van [D] een verzoekschrift ingediend met de titel “AANVULLEND VERZOEK TOEPASSING VAN ARTIKEL 8 EVRM”, waarin zij in punt 10 verzoekt “de formele rechtskracht van de opgelegde voogdijmaatregel te doorbreken (en om te beginnen [D] rond zijn verjaardag een nachtje bij hem te laten logeren (en bij zijn moeder)).” 2.29 In het proces-verbaal van bevindingen van 17 maart 2025 heeft de rechtbank overwogen: “Bij beschikking van 10 juli 2024 heeft de rechtbank de Raad verzocht onderzoek te doen naar de in rechtsoverweging 5.5 van die beschikking geformuleerde vragen. De rechtbank heeft op 18 februari 2025 een email bericht van de Raad ontvangen waarin hij heeft bericht dat het raadsonderzoek is gestart maar dat er nieuwe ontwikkelingen zijn. [Verweerster] heeft namelijk de Raad laten weten dat de curatele moeder beëindigd is. De advocaat concludeert hieruit - voor zover de Raad begrijpt - dat moeder daardoor het gezag over [D] weer heeft gekregen. De vader heeft na het beëindigen van de curatele van moeder met toestemming van moeder [D] kunnen erkennen in november 2024. De vader zou daarmee volgens de advocaat ook het gezag hebben gekregen, vanwege de nieuwe wetgeving hieromtrent per 1 januari 2023. De advocaat geeft daarbij aan dat de gemeente bevestigd zou hebben dat ouders het gezag nu gezamenlijk hebben. De Raad meent dat dit niet het geval is. Hij wijst erop dat uit de wet volgt dat een moeder en de persoon die een kind heeft erkend het gezag over hun kind gezamenlijk uitoefenen, tenzij een voogd met de voogdij over het kind is belast. Het uitgangspunt van de Raad in het onderzoek is dat ouders beiden geen gezag hebben vanwege de geldende voogdijmaatregel ten tijde van de beëindiging van de curatele en erkenning. De Raad heeft de rechtbank verzocht op dit punt duidelijkheid te geven omdat het helpend is voor het onderzoek. Ook heeft de Raad in de email 8 onderzoeksvragen -onder I. tot en met VIII.- geformuleerd en gevraagd of het klopt dat de rechtbank deze vragen beantwoord wil hebben, dan wel of deze vragen mogelijk aangepast dienen te worden, ook met het oog op namens ouders op 11 december 2024 ingediend verzoekschrift. (…) Middels de e-mails met bijlagen van 24 en 25 februari 2025 heeft [verweerster] de rechtbank onder meer bericht dat nu de curatele van moeder is geëindigd en de vader de minderjarige inmiddels heeft erkend de conclusie moet zijn dat beide ouders het gezag hebben over de minderjarige [D]. Tevens heeft de rechtbank kennisgenomen van het door [verweerster] op 7 maart 2025 ingediende aanvullend verzoek “toepassing van artikel 8 EVRM” en haar daarin opgenomen verzoek de opgelegde voogdijmaatregel te doorbereken en de omgangsregeling uit te breiden, om te beginnen [D] rond zijn verjaardag een nachtje bij hem te laten logeren en bij zijn moeder. (…) De rechtbank oordeelt als volgt. Er is geen aanleiding om de onderzoeksvragen voor de Raad zoals deze zijn weergegeven in de beschikking van 10 juli 2024 -en zoals door de Raad goed geformuleerd in zijn email van 18 februari 2025 onder I. tot en met VIII.- aan te passen. De omstandigheid dat de moeder niet langer onder curatele staat en de vader de minderjarige heeft erkend in november 2024 leidt er niet toe dat de ouders samen met het gezag zijn belast, nu de WSS nog altijd met de voogdij over [D] is belast. Ook de nieuwe verzoekschriften geven geen aanleiding tot wijziging van de onderzoeksvragen. De rechtbank houdt iedere beslissing in afwachting van het rapport van de Raad aan tot 10 juli 2025. Na binnenkomst van het rapport zal de zaak ter zitting worden behandeld, gevoegd met de op 11 december 2024 en 7 maart 2025 ingediende verzoekschriften.” 2.30 Op 1 juli 2025 heeft de Raad voor de Kinderbescherming haar rapport uitgebracht. Op 28 juli 2025 heeft verweerster daarop namens de ouders gereageerd. Op 13 december 2025 heeft verweerster namens de vader verzoeken ingediend bij de rechtbank. 2.31 Op 6 januari 2026 heeft de rechtbank een beschikking gewezen, waarin de verzoeken die verweerster namens de biologische ouders heeft ingediend niet-ontvankelijk zijn verklaard dan wel zijn afgewezen. De rechtbank heeft hiertoe onder meer overwogen: “4.2 De rechtbank dient thans nog te beslissen over de verzoeken betreffende het opheffen of de overdracht van de voogdij, de hoofdverblijfplaats van het kind, het (gezamenlijk) gezag van de ouders, de omgangsregeling, de informatieverstrekking en de voornaamswijziging van de minderjarige. Gezag, opheffen voogdij en andere GI 4.3 In het proces-verbaal van 17 maart 2025 heeft de rechtbank reeds vastgesteld dat de ouders niet het gezamenlijk gezag over [D] hebben. Voor zover nodig overweegt de rechtbank dat de vader door de erkenning ook niet het eenhoofdig gezag over [D] heeft verkregen. Ingevolge artikel 1:251b onder 1a BW oefenen de moeder en de persoon die een kind heeft erkend het gezag over hun kind gezamenlijk uit, tenzij een voogd met de voogdij over het kind is belast. Dit laatste was in deze zaak het geval, zodat bij de erkenning niet van rechtswege gezag voor de vader is ontstaan. (…) 4.7 Nu de WSS als voogd is belast met het gezag, verkrijgt de moeder niet van rechtswege het gezag. (…) De rechtbank stelt vast dat de ten tijde van de geboorte geldende curatele van de moeder is geëindigd. Echter, omdat er een voogd is benoemd betekent dit (…) niet dat de moeder van rechtswege het gezag verkrijgt. Het verzoek om de vader samen met de moeder te belasten met het gezag, waarmee de moeder heeft ingestemd, wordt door de rechtbank opgevat als een verzoek op grond van art. 1:253c BW. (…) 4.12 (…) Indien de ouders met het gezag zouden worden belast, betekent dit dat aan de voogdij-uitoefening een einde komt en dat de ouders beslissingen aangaande [D] dienen te nemen. Ouders geven er echter geen blijk van dat zij onderkennen dat sprake is van een ernstige medische aandoening bij [D] en dat dit al tot ernstige ontwikkelingsachterstand heeft geleid. Zij zien als belangrijk probleem dat [D] niet bij hen woont en dat dat de oorzaak is dat [D] bij pleegouders problematisch gedrag vertoont. Dergelijk gedrag bij pleegouders en niet bij ouders is echter ook te verklaren doordat [D] bij pleegouders wel en bij ouders niet goed gehecht is. De rechtbank is daarom van oordeel dat de voogd (met pleegouders) het beste zicht heeft op de belangen van [D] en het beste in staat is om beslissingen omtrent hem te nemen. (…) Het verzoek van de vader de ouders gezamenlijk met het gezag over [D] te belasten en de voogdijmaatregel op te heffen, zal de rechtbank daarom afwijzen. (…) 4.13 Nu ouders geen gezag zullen verkrijgen, betekent dit dat de ouders niet-ontvankelijk zijn in hun verzoek om wijziging van het hoofdverblijf van [D] naar de vader. (…) 4.16 De rechtbank is van oordeel dat de omgang met de ouders onder de regie van de WSS en in het belang van [D] zal moeten worden bepaald. (…) Het is aan de WSS te beoordelen op welke termijn en onder welke voorwaarden uitbreiding mogelijk is, waarbij de belastbaarheid van [D] en de mogelijkheden van ouders hierin leidend zullen moeten zijn. De verzoeken worden daarom afgewezen. (…) 4.17 Met betrekking tot het verzoek van de vader om te bepalen dat [D] wordt ingeschreven op een SBO-school in Amsterdam overweegt de Rechtbank dat de vader niet-ontvankelijk is in dit verzoek nu hij niet met het gezag is belast. (…) 4.18 De vader is niet-ontvankelijk in zijn verzoek om de voornaamswijziging van [D] op grond van artikel 1:4 lid 4 van het Burgerlijk Wetboek, nu hij niet met het gezag over hem is of wordt belast. (…) 4.22 De ouders verzoeken de volledige verstrekking van het verslag van het Kabouterhuis van 14 november 2023 en de verslagen van de videohometraining van het pleeggezin. (…) De rechtbank concludeert dat het de WSS dus niet vrij stond om deze gegevens (volledig) te verstrekken. (…) Dit verzoek zal (…) worden afgewezen. (…) 4.25 Het doel van het verzoek om opheffing van de formele rechtskracht van voogdijmaatregel had als doel het laten logeren van [D] bij de vader tijdens zijn verjaardag. Dit verzoek is niet op de wet gegrond en zal daarom worden afgewezen.”
3 BEZWAAR 3.1 Het bezwaar houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. De deken verwijt verweerster het volgende: a) onvoldoende afstand te houden tot haar cliënten door, onder meer, zeer ernstige beschuldigingen over de wederpartij te uiten zonder die voldoende te kunnen onderbouwen en, naar het lijkt, zich zonder terughoudendheid te vereenzelvigen met de standpunten van haar cliënten; b) verschillende verzoekschriften in te dienen namens afwisselend de biologische vader en de biologische moeder van D die niet voldoen aan de daaraan te stellen kwaliteitseisen.
4 VERWEER 4.1 Verweerster heeft geen verweer tegen het dekenbezwaar gevoerd.
5 BEOORDELING 5.1 De raad stelt voorop dat de tuchtrechter bij de beoordeling van een over een advocaat ingediende klacht of een dekenbezwaar het aan de advocaat verweten handelen of nalaten dient te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder (onder meer) de kernwaarden onafhankelijkheid en deskundigheid (kwaliteit), zoals omschreven in artikel 10a van de Advocatenwet. 5.2 Bij deze beoordeling van de kwaliteit van dienstverlening geldt het volgende. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht. 5.3 Verder geldt dat in familierechtkwesties de advocaat ervoor moet waken dat de verhoudingen tussen partijen niet escaleren. Van de advocaat mag een zekere terughoudendheid worden verwacht in het doen van uitlatingen over de wederpartij die deze naar verwachting als kwetsend zal ervaren, en in het starten van procedures. De advocaat moet daarbij in iedere zaak afwegen: - het belang van zijn cliënt bij het voeren van de procedure, - het belang van de wederpartij én dat van de kinderen bij het voorkomen daarvan, - het verloop van het geschil tot dan toe en - de kans op succes van de procedure.
5.4 Het is de raad ambtshalve bekend dat signalen vanuit de rechtspraak over het functioneren van advocaten uitzonderlijk zijn en alleen worden gedaan als men vindt dat sprake is van een ernstige en zeer zorgelijke situatie. Bezwaaronderdeel a) is gegrond 5.5 Naar het oordeel van de raad heeft de deken terecht gesteld dat verweerster onvoldoende afstand heeft gehouden tot haar cliënten door, onder meer, zeer ernstige beschuldigingen over de wederpartij (de pleegouders) te uiten zonder die beschuldigen voldoende te onderbouwen en zich, naar het lijkt, zonder terughoudendheid te vereenzelvigen met de standpunten van haar cliënten. Zoals volgt uit de weergegeven feiten heeft verweerster meerdere malen in haar processtukken beschreven dat er vermoedens zijn van kindermishandeling en kinderverwaarlozing door de pleegouders. De raad verwijst naar de “Akte wijziging, vermeerdering verzoek” van 29 mei 2024 (in 2.22) en de pleitnota van 14 juni 2024 (in 2.23). 5.6 De raad is met de deken van oordeel dat verweerster dergelijke ernstige beschuldigingen veel voorzichter en met meer afstand namens haar cliënten had moeten uiten en daarbij tenminste over voldoende objectief bewijs had moeten beschikken, in plaats van zich - ogenschijnlijk - uitsluitend te baseren op de door haar cliënten gestelde feiten. De foto’s D die zich in het dossier bevinden vormen onvoldoende bewijs voor een dergelijk ernstige beschuldiging als kindermishandeling. Dat verweerster op eigen titel tegen de pleegouders een Veilig Thuis melding (zie 2.18) heeft gedaan, is naar het oordeel van de raad in het geheel niet verenigbaar met de rol van advocaat, die een professionele afstand dient te bewaren ten opzichte van zijn cliënten en de feiten. Bovendien laat deze melding zien dat verweerster zich er niet van bewust is dat van een familierechtadvocaat wordt verwacht dat hij of zij ervoor waakt dat, met name als er belangen van kinderen in het spel zijn, de verhoudingen tussen partijen escaleren en dat bovendien een (verdergaande) terughoudendheid wordt verwacht in het doen van uitlatingen over de wederpartij (of zoals in dit geval over de pleegouders, als belanghebbenden) die als kwetsend kunnen worden ervaren. Verweersters handelwijze staat haaks op dit uitgangspunt en heeft (onnodige) escalatie veroorzaakt. Ook het feit dat verweerster haar cliënten als “de echte ouders” aanduidt, geeft blijk van een te persoonlijke en onprofessionele betrokkenheid van verweerster bij haar cliënten. Dat geldt eveneens voor de beschuldiging in het verzoekschrift van verweerster van 22 maart 2024 dat WSG zonder terughoudendheid bewust belangrijke informatie zou hebben achtergehouden (zie 2.15). 5.7 Uit het geheel van de hiervoor beschreven omstandigheden blijkt dat het verweerster in ernstige mate ontbreekt aan de professionele distantie die voor een zorgvuldige en integere beroepsuitoefening vereist is. Verweerster heeft zich hiermee onvoldoende rekenschap gegeven van de grenzen die uit haar professionele verantwoordelijkheid voortvloeien. De vastgestelde gedragingen wijzen niet op een incidentele beoordelingsfout, maar op een structureel gebrek aan onafhankelijk oordeelsvermogen. Dit rechtvaardigt de conclusie dat verweerster de kernwaarde onafhankelijkheid heeft geschonden. Daarmee is sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen. Bezwaaronderdeel b) is gegrond 5.8 Naar het oordeel van de raad heeft de deken zich terecht op het standpunt gesteld dat de verschillende processtukken in het onderliggende dossier - die afwisselend namens de biologische vader en de biologische moeder van D zijn ingediend - niet voldoen aan de professionele standaard die mag worden verwacht van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat. De raad deelt de opvatting van de deken dat uit de overgelegde stukken volgt dat verweerster namens haar cliënten bij de rechtbank zeer veel - kansloze, niet op de wet gebaseerde, en op punten niet onderbouwde - verzoeken heeft ingediend. 5.9 Zo heeft verweerster in het verzoekschrift van 19 februari 2024 (zie 2.14) namens de biologische vader de rechtbank verzocht vervangende toestemming te verlenen tot erkenning van D, zonder hierbij een wettelijke grondslag te noemen, terwijl verweerster - nu de moeder onder curatele stond - namens de moeder op grond van artikel 1:204 lid 5 BW de kantonrechter toestemming voor erkenning had behoren te vragen. De rechtbank heeft verweerster hierop in haar beschikking van 10 juli 2024 in r.o. 5.2 moeten wijzen (zie 2.24). 5.10 In het verzoekschrift van 22 maart 2024 (zie 2.15) heeft verweerster namens de biologische moeder verzocht te verklaren voor recht dat WSG bewust belangrijke informatie heeft achtergehouden en te bepalen dat WSG alle onderzoeksverslagen van MOC ’t Kabouterhuis die D betreffen moet verstrekken aan de biologische moeder zonder een wettelijke grondslag voor dit verzoek te noemen. 5.11 In de akte wijziging, vermeerdering verzoek van 29 mei 2024 (2.22) heeft verweerster namens de biologische moeder (onder andere) wederom verzocht aan de vader toestemming te verlenen tot erkenning van D, en te bepalen dat WSG het onderzoeksverslag van 14 november 2023 van MOC ’t Kabouterhuis geheel en volledig te verstrekken aan moeder. Ook in dit stuk wordt geen wettelijke grondslag voor deze verzoeken vermeld. 5.12 In het verzoekschrift van 11 december 2024 (2.25) heeft verweerster namens de biologische vader (onder andere) verzocht het gezag van de biologische vader over D niet te beëindigen en de voornamen van D te wijzigen. In het verzoekschrift betoogt verweerster in punt 15 dat de biologische vader sinds 21 november 2024 het gezag over D zou hebben, kennelijk omdat de biologische vader D op die datum heeft erkend en/of de curatele zou zijn opgeheven. De deken heeft onderbouwd toegelicht dat verweerster als familierechtadvocaat behoort te weten dat een en ander niet automatisch tot gevolg heeft dat de voogdijmaatregel wordt opgeheven en dat het gezag op dat moment dus niet bij de biologische vader lag maar nog steeds bij de voogd (WSG). Een voornaamswijziging kan (zoals volgt uit de beschikking van de rechtbank van 6 januari 2026, 2.31) door de rechtbank enkel worden gelast op verzoek van de wettelijke vertegenwoordiger en dus door de voogd en niet door de biologische ouders. 5.13 In het verzoekschrift van 3 januari 2025 (2.26) heeft verweerster namens de biologische vader verzocht de voornamen van D te wijzigen en zo nodig WSG te dwingen de voorgestelde voornaamswijziging te verzoeken zonder duidelijk te maken op welke wettelijke grondslag dit verzoek wordt gebaseerd en te bepalen dat de biologische vader recht heeft op de in het verzoekschrift beschreven informatie. 5.14 Uit rechtsoverweging 5.2 van de beschikking van de rechtbank van 10 juli 2024 (zie 2.24) volgt dat verweerster haar cliënten niet goed heeft geadviseerd over de wijze waarop de vader D zou kunnen erkennen; de rechtbank heeft dit in haar beschikking moeten uitleggen aan de cliënten van verweerster, terwijl dit de taak van verweerster is. 5.15 Uit het voorgaande volgt onmiskenbaar dat de processtukken niet voldoen aan de daaraan te stellen elementaire kwaliteitseisen. De stukken vertonen zodanige gebreken in inhoud, onderbouwing en/of zorgvuldigheid dat zij niet beantwoorden aan hetgeen van professionele procesvoering mag worden verwacht. Verweerster heeft hiermee niet alleen procespositie van haar cliënten (inhoudelijk) benadeeld, maar bovendien de procedures onnodig vertraagd. Naar het oordeel van de raad is de kernwaarde deskundigheid ernstig in het geding gekomen, zodat ook in dit onderdeel sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen.
6 MAATREGEL 6.1 Uit het voorgaande volgt dat verweerster ernstig tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door zich in haar processtukken te vereenzelvigen met haar cliënten en daarmee de vereiste professionele deskundigheid niet in acht te nemen. Hiermee heeft verweerster in strijd gehandeld met de kernwaarde onafhankelijkheid. Daarnaast vertonen de processtukken van verweerster ernstige gebreken in kwaliteit; zo heeft verweerster in haar processtukken verzoeken bij de rechtbank ingediend die niet op de wet gebaseerd zijn of juridisch onjuist zijn. De rechtbank heeft verweerster in haar beschikking zelfs moeten corrigeren. Haar handelwijze heeft niet alleen geleid tot afwijzing of niet-ontvankelijkverklaring van verzoeken, maar heeft de procedure voor haar cliënten ook vertraagd. Daarmee heeft verweerster haar cliënten ernstig benadeeld. 6.2 Behalve onbetamelijk vindt de raad de gedragingen van verweerster ook zorgelijk, omdat verweerster geen inzicht in de laakbaarheid van haar handelen heeft getoond. Verweerster heeft de adviezen en instructies van de deken niet opgevolgd. De deken heeft verweerster bij herhaling verzocht om een tweede advocaat in te schakelen in het betreffende dossier en haar laten weten dat zij niets in deze zaak kon doen totdat er een tweede advocaat betrokken was. Ondank rappels van de deken, heeft verweerster hier niet op gereageerd. Pas in haar e-mail van 21 juni 2026 aan de raad heeft verweerster voor het eerst laten weten dat zij zich vorig jaar heeft teruggetrokken. Ook op het concept van het dekenbezwaar heeft verweerster geen inhoudelijke reactie gegeven (zie 2.6 tot en met 2.10). Evenmin is verweerster op de zitting van de raad verschenen, zodat de raad niet bekend is met het verweer van verweerster. 6.3 Gelet op deze omstandigheden, is de raad - ondanks het feit dat verweerster niet eerder tuchtrechtelijk veroordeeld is - van oordeel dat oplegging van een voorwaardelijke schorsing van acht weken passend en geboden is. De raad ziet gelet op de ernst van de verweten gedragingen aanleiding om naast de algemene voorwaarde aan deze voorwaardelijke schorsing een bijzondere voorwaarde te verbinden, namelijk een op kosten van verweerster te volgen coachingstraject met een coach, gespecialiseerd in het personen- en familierecht. De coaching zal betrekking moeten hebben op de praktijkvoering en de juridische inhoudelijke kwaliteit van de dienstverlening. Verweerster dient voorafgaand aan de coaching een plan van aanpak van een door de deken goedgekeurde coach ter goedkeuring aan de deken voor te leggen, waarbij als ingangsdatum van de coaching geldt de dag waarop onderhavige beslissing onherroepelijk wordt. Uit dat plan van aanpak moet volgen dat verweerster een coachingstraject doorloopt zo lang als de deken dat nodig acht, maar met een maximum van twee jaar. Ook dient daarin te worden opgenomen op welke wijze verweerster de deken over het verloop van de coaching en het eindresultaat op de hoogte stelt.
7 KOSTENVEROORDELING 7.1 Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerster op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten: a) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en b) € 500,- kosten van de Staat.
7.2 moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.1 onder a en b genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.
BESLISSING De raad van discipline: - verklaart het dekenbezwaar gegrond; - legt aan verweerster de maatregel van schorsing voor de duur van acht weken op; - bepaalt dat deze maatregel niet ten uitvoer zal worden gelegd tenzij de raad van discipline later anders mocht bepalen op de grond dat verweerster een of meer van de navolgende algemene of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd; - stelt als algemene voorwaarde dat verweerster zich binnen de hierna te melden proeftijd niet opnieuw schuldig maakt aan een in artikel 46 van de Advocatenwet bedoelde gedraging; - stelt als bijzondere voorwaarde dat verweerster op haar kosten een coachingstraject met een coach gespecialiseerd in het personen en familierecht volgt. Ten aanzien van deze coaching gelden de volgende voorwaarden: 1. de coaching zal betrekking moeten hebben op de praktijkvoering en de juridisch inhoudelijke kwaliteit van de dienstverlening, 2. verweerster dient voorafgaand aan de coaching een plan van aanpak van een door de deken goedgekeurde coach ter goedkeuring aan de deken voor te leggen, waarbij als ingangsdatum van de coaching geldt de dag waarop onderhavige beslissing onherroepelijk wordt, 3. uit dat plan van aanpak moet volgen dat verweerster een coachingstraject doorloopt zo lang als de deken dat nodig acht, maar met een maximum van twee jaar, 4. in het plan van aanpak dient te worden opgenomen op welke wijze verweerster de deken over het verloop van de coaching en het eindresultaat op de hoogte stelt. - stelt de proeftijd op een periode van twee jaren, ingaande op de dag dat deze beslissing onherroepelijk wordt. - veroordeelt verweerster tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.2; - bepaalt dat de in artikel 8a lid 3 Advocatenwet bedoelde termijn wordt verkort tot twee jaar.
Aldus beslist door mr. M.V. Ulrici, voorzitter, mrs. K.C. van Hoogmoed en M. Kemmers, leden, bijgestaan door mr. N. Borgers-Abu Ghazaleh als griffier en uitgesproken in het openbaar op 31 augustus 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 31 augustus 2026
