Rechtspraak
Uitspraakdatum
26-05-2026
ECLI
ECLI:NL:TADRARL:2026:122
Zaaknummer
26-183/AL/NN
Inhoudsindicatie
Voorzittersbeslissing. De voorzitter verklaart de klacht niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de klachttermijn.
Uitspraak
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden van 26 mei 2026 in de zaak 26-183/AL/NN naar aanleiding van de klacht van:
klager
over
verweerder
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief met bijlagen volgens de inventarislijst van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Noord-Nederland (hierna: de deken) van 6 maart 2026 met kenmerk 2025 KNN158 / 2538472. Ook heeft de voorzitter kennisgenomen van de e-mail van klager van 1 april 2026 en van de e-mail van verweerder van 28 april 2026.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.
1.1 Klager was in de periode van eind 2015 tot 2018 verwikkeld in een procedure tegen zijn ex-partner over een door haar opgestarte procedure tot vervangende toestemming voor een verhuizing met haar minderjarige dochter van Leeuwarden naar Zwolle. Verweerder stond de ex-partner bij. Klager werd in deze zaak in eerste aanleg bijgestaan door mr. H. De kwestie liep van 2015 tot en met 2018.
1.2 Op 4 december 2025 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerder.
2 KLACHT
De klacht houdt in, zakelijk weergegeven, dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door tegen de rechtbank en het hof te liegen over de werksituatie van zijn cliënt en stelselmatig het bestaan van afspraken over het co-ouderschap te ontkennen.
3 VERWEER
Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
4.1 Een klacht over een advocaat moet worden ingediend binnen drie jaar nadat de klager op de hoogte was of redelijkerwijs kon zijn van de feiten waarover wordt geklaagd (artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet). Het moet gaan om kennis die de klager uit objectieve bronnen heeft verkregen. Als deze driejaarstermijn is verlopen zonder dat klager een klacht heeft ingediend, vervalt in principe het recht om te klagen. Dit is anders als klager pas na de driejaarstermijn over informatie beschikt (en ook daar niet eerder over kon beschikken), die gaat over de gevolgen van het handelen of nalaten waar de klacht over gaat. In dat geval vervalt het recht om te klagen één jaar nadat klager van de informatie kennis heeft genomen (artikel 46g lid 2 Advocatenwet).
4.2 Klager klaagt over het handelen of nalaten van verweerder tijdens de procedure die speelde in 2015 tot 2018. In die periode is dan ook de termijn van drie jaren gaan lopen. Klager heeft zijn klacht echter pas op 4 december 2025, en daarmee ruim buiten deze termijn, ingediend.
4.3 Klager stelt dat hij pas recent de beschikking heeft gekregen over stukken die zijn verwijten kunnen onderbouwen en dat dat de reden is dat hij na de klachttermijn zijn klacht heeft ingediend. De voorzitter is hierover van oordeel dat dit geen omstandigheid is waardoor de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Klager wist eerder van het in zijn ogen verwijtbare handelen door verweerder en hij had in die periode zijn klacht moeten indienen.
4.4 Op grond van het voorgaande zal de voorzitter de klacht, met toepassing van artikel 46g Advocatenwet, niet-ontvankelijk verklaren. Aan een inhoudelijke beoordeling van de klacht komt de voorzitter daarom niet toe.
BESLISSING
De voorzitter verklaart: de klacht, met toepassing van artikel 46g, lid 1 onder a Advocatenwet, niet-ontvankelijk.
Aldus beslist door mr. O.P. van Tricht, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. W.B. Kok als griffier en uitgesproken in het openbaar op 26 mei 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op : 26 mei 2026
