Rechtspraak
Uitspraakdatum
26-05-2026
ECLI
ECLI:NL:TADRSHE:2026:64
Zaaknummer
26-256/DB/ZWB
Inhoudsindicatie
Voorzittersbeslissing. Klacht over advocaat in de hoedanigheid van deken. De voorzitter stelt vast dat de klacht ziet op optreden van verweerster in de periode van 7 juni 2021 tot 17 maart 2022. De voorzitter overweegt dat klaagster, die al ruim 25 jaar werkzaam is als advocaat, bekend mag worden verondersteld met de wettelijke regeling van de vervaltermijnen voor tuchtklachten. Klaagster heeft zich bij brief van 2 mei 2025, derhalve na het verstrijken van de in artikel 46g lid 1 aanhef en sub a Advocatenwet bedoelde termijn, met een klacht over verweerster tot het Hof van Discipline gewend. Niet is gebleken dat klaagster niet eerder dan op 2 mei 2025 heeft kunnen klagen. Van een verschoonbare termijnoverschrijding is geen sprake. Dat sprake zou zijn van de in artikel 46g lid 2 Advocatenwet bedoelde situatie is voorts evenmin gebleken. Niet-ontvankelijk.
Uitspraak
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort ’s-Hertogenbosch van 26 mei 2026
in de zaak 26-256/DB/ZWB
naar aanleiding van de klacht van:
klaagster
over:
verweerster
De voorzitter van de raad van discipline (hierna: “de voorzitter”) heeft kennisgenomen van het e-mailbericht van 26 maart 2026 van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Zeeland-West-Brabant (hierna: de deken) met kenmerk K25-037, van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 7 en van de nagekomen e-mail met bijlagen van klaagster van 9 april 2026.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.
1.1 Klaagster is advocaat in het arrondissement Noord-Nederland.
1.2 Klaagster is in een privé kwestie bijgestaan door mr. T, destijds als advocaat werkzaam bij B Advocaten. Klaagsters wederpartij in die privé kwestie heeft in 2018 een klacht ingediend tegen mr. T. Deze klacht is gegrond verklaard bij beslissing van de raad van discipline Arnhem-Leeuwarden van 20 januari 2020 (ECLI:NL:TADRARL:2020:21). Het Hof van Discipline heeft deze beslissing van de raad (behoudens voor wat betreft de maatregel) bekrachtigd bij beslissing van 21 augustus 2020 (ECLI:TAHVD:2020:143). Mr. T heeft zich per 31 december 2020 laten schrappen van het tableau vanwege zijn pensioen.
1.3 Bij e-mail van 7 juni 2021 heeft klaagster verweerster in haar hoedanigheid van deken in het arrondissement Noord-Nederland gevraagd om advies over mogelijk tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen van mr. T en het kantoor B Advocaten, waar mr. T werkzaam was. In een brief van 25 juni 2021 heeft klaagster mrs. W, L en T (van B Advocaten) aansprakelijk gesteld.
1.4 Op 28 september 2021 heeft onder leiding van verweerster een bemiddelingsgesprek plaatsgevonden tussen klaagster, die werd bijgestaan door mr. B, enerzijds en mrs. W, L en M (van B Advocaten) anderzijds. Tijdens dit gesprek heeft verweerster kenbaar gemaakt dat in haar visie sprake was van een mogelijk gegronde klacht van klaagster. Partijen zijn niet tot een oplossing gekomen, ook niet in de op het gesprek volgende correspondentie.
1.5 Klaagster heeft aangegeven een klacht te willen indienen, waarna het Ordebureau aan klaagster op 17 maart 2022 het daarvoor benodigde klachtformulier heeft toegestuurd.
1.6 Op 2 mei 2022 heeft klaagster bij verweerster klachten ingediend over (onder meer) mrs. W, L en T. Verweerster heeft de klachten met instemming van partijen voor onderzoek doorgestuurd naar de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Gelderland. De deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Gelderland heeft de klachten onderzocht en vervolgens op verzoek van klaagster doorgezonden aan de raad van discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden. De raad van discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden heeft de klachten gevoegd behandeld en bij beslissing van 6 november 2023 (ECLI:NL:TADRARL:2023:316) wegens tijdsverloop niet-ontvankelijk verklaard. Op 31 maart 2025 heeft het Hof van Discipline (ECLI:NL:TAHVD:57) de beslissing van de raad bekrachtigd.
1.7 Bij brief van 2 mei 2025 heeft klaagster bij het Hof van Discipline een klacht tegen verweerster ingediend. Bij beslissing van 15 mei 2025 (kenmerk 250154) heeft de voorzitter van het Hof van Discipline de zaak verwezen naar de deken.
2 KLACHT
2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerster het volgende:
Verweerster heeft klaagsters verzoek om advies en bemiddeling ter zake haar potentiële klachten op onzorgvuldige en trage wijze en niet op objectieve, onafhankelijke, onpartijdige en integere wijze behandeld. Als verweerster klaagster op 7 juni 2021 correct had geadviseerd, had klaagster nog binnen de vervaltermijn kunnen klagen.
3 VERWEER
Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
4.1 Ontvankelijkheid
De voorzitter stelt vast dat de klacht ziet op optreden van verweerster in de periode van 7 juni 2021 tot 17 maart 2022. Immers, klaagster heeft zich op 7 juni 2021 tot verweerster gewend met een advies- en of bemiddelingsvraag ter zake potentiële klachten. Een klacht wilde klaagster toen (nog) niet indienen. Nadat de bemiddeling niet tot een oplossing had geleid, heeft het Ordebureau op 17 maart 2022 op verzoek van klaagster een klachtformulier aan haar toegestuurd.
4.2 De voorzitter overweegt dat een klacht over een advocaat moet worden ingediend binnen drie jaar nadat de klager op de hoogte was of redelijkerwijs kon zijn van de feiten waarover wordt geklaagd (artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet). Het moet gaan om kennis die de klager uit objectieve bronnen heeft verkregen. Als deze driejaarstermijn is verlopen zonder dat klager een klacht heeft ingediend, vervalt in principe het recht om te klagen. Dit is anders als klager pas na de driejaarstermijn over informatie beschikt (en ook daar niet eerder over kon beschikken), die gaat over de gevolgen van het handelen of nalaten waar de klacht over gaat. In dat geval vervalt het recht om te klagen één jaar nadat klager van de informatie kennis heeft genomen (artikel 46g lid 2 Advocatenwet). De achterliggende gedachte van deze regel is dat een advocaat niet tot in lengte van dagen rekening hoeft te houden met tuchtklachten over zijn doen en laten in het verleden.
4.3 De voorzitter overweegt dat klaagster, die al ruim 25 jaar werkzaam is als advocaat, bekend mag worden verondersteld met de hierboven geschetste wettelijke regeling van de vervaltermijnen voor tuchtklachten.
4.4 Klaagster heeft zich bij brief van 2 mei 2025, derhalve na het verstrijken van de in artikel 46g lid 1 aanhef en sub a Advocatenwet bedoelde termijn, met een klacht over verweerster tot het Hof van Discipline gewend. Niet is gebleken dat klaagster niet eerder dan op 2 mei 2025 heeft kunnen klagen. Van een verschoonbare termijnoverschrijding is geen sprake. Dat sprake zou zijn van de in artikel 46g lid 2 Advocatenwet bedoelde situatie is voorts evenmin gebleken. Met de hiervoor genoemde beslissing van de raad van discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden van 6 november 2023 was het voor klaagster duidelijk dat klaagsters klachten over mrs. W, L en M niet-ontvankelijk werden verklaard wegens tijdsverloop. Klaagster heeft de klacht over verweerster echter (ook) niet binnen de in artikel 46g lid 2 Advocatenwet bepaalde termijn van een jaar na 6 november 2023 ingediend.
4.5 Klaagster heeft in haar nagekomen e-mail aan de raad van 9 april 2026 nog betoogd dat de vervaltermijn eerst op 3 mei 2022 is gaan lopen, omdat verweerster (vanwege haar vriendschap met mr. L en de door haar ondernomen bemiddelingspoging) het onderzoek naar de klacht op die datum heeft verwezen naar een andere deken, zodat het voor klaagster naar eigen zeggen toen pas duidelijk werd dat verweerster vanwege die vriendschap niet objectief, onafhankelijk en integer was. Naar het oordeel van de voorzitter snijdt dit betoog geen hout. Uit de overgelegde stukken (waaronder klaagsters e-mail aan verweerster van 5 november 2021) blijkt immers dat klaagster reeds in 2021 op de hoogte was van de vriendschap tussen verweerster en mr. L.
4.6 Op grond van het voorgaande zal de voorzitter zal de klacht op grond van het voorgaande met toepassing van artikel 46g lid 1 aanhef en sub a Advocatenwet niet-ontvankelijk verklaren.
BESLISSING
De voorzitter verklaart:
de klacht, met toepassing van artikel 46g lid 1 aanhef en sub a Advocatenwet, niet-ontvankelijk.
Aldus beslist door mr. E. Loesberg, voorzitter, bijgestaan door mr. T.H.G. Huber- van de Langenberg, als griffier en uitgesproken in het openbaar op 26 mei 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 26 mei 2026
