Rechtspraak
Voorzittersbeslissing. Klacht over advocaat in de hoedanigheid van deken. De voorzitter stelt vast dat de klacht ziet op optreden van verweerster in de periode van 7 juni 2021 tot 17 maart 2022. De voorzitter overweegt dat klaagster, die al ruim 25 jaar werkzaam is als advocaat, bekend mag worden verondersteld met de wettelijke regeling van de vervaltermijnen voor tuchtklachten. Klaagster heeft zich bij brief van 2 mei 2025, derhalve na het verstrijken van de in artikel 46g lid 1 aanhef en sub a Advocatenwet bedoelde termijn, met een klacht over verweerster tot het Hof van Discipline gewend. Niet is gebleken dat klaagster niet eerder dan op 2 mei 2025 heeft kunnen klagen. Van een verschoonbare termijnoverschrijding is geen sprake. Dat sprake zou zijn van de in artikel 46g lid 2 Advocatenwet bedoelde situatie is voorts evenmin gebleken. Niet-ontvankelijk.
