Rechtspraak
Uitspraakdatum
18-05-2026
ECLI
ECLI:NL:TAHVD:2026:153
Zaaknummer
250459
Inhoudsindicatie
Klacht over advocaat wederpartij. Klaagster heeft een klacht ingediend over de advocaat van haar (oud)-werkgever. Zij verwijt verweerster dat zij in de procedure over de ontbinding van de arbeidsovereenkomst brieven heeft overgelegd, terwijl de werkgever in een eerdere kortgedingprocedure was veroordeeld deze brieven uit het personeelsdossier van klaagster te verwijderen. Ook verwijt klaagster verweerster gebruik te hebben gemaakt van gegevens afkomstig van het UWV, die de werkgever door middel van een datalek heeft verkregen. Tot slot stelt klaagster dat verweerster zich onprofessioneel heeft gedragen tijdens een schorsing van de zitting. De raad heeft de klachten van klaagster ongegrond verklaard. Het hof is het daarmee eens en bekrachtigt de beslissing van de raad.
Uitspraak
Beslissing van 18 mei 2026 in de zaak 250459
naar aanleiding van het hoger beroep van:
klaagster
tegen:
verweerster
gemachtigde: mr. H. Lewin, advocaat te Uitgeest
1 INLEIDING
1.1 Klaagster heeft een klacht ingediend over de advocaat van haar (oud)-werkgever. Zij verwijt verweerster dat zij in de procedure over de ontbinding van de arbeidsovereenkomst brieven heeft overgelegd, terwijl de werkgever in een eerdere kortgedingprocedure was veroordeeld deze brieven uit het personeelsdossier van klaagster te verwijderen. Ook verwijt klaagster verweerster gebruik te hebben gemaakt van gegevens afkomstig van het UWV, die de werkgever door middel van een datalek heeft verkregen. Tot slot stelt klaagster dat verweerster zich onprofessioneel heeft gedragen tijdens een schorsing van de zitting. De raad heeft de klachten van klaagster ongegrond verklaard. Het hof is het daarmee eens en bekrachtigt de beslissing van de raad.
1.2 Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom klaagster in beroep is gekomen en hoe het hof daarover oordeelt.
2 DE PROCEDURE
Bij de raad van discipline
2.1 De Raad van Discipline in het ressort Amsterdam (hierna: de raad) heeft in de zaak tussen klaagster en verweerster (zaaknummer: 25-549/A/A) een beslissing genomen op 24 november 2025. In deze beslissing is de klacht van klaagster ongegrond verklaard.
2.2 Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRAMS:2025:214 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.
Bij het hof van discipline
2.3 Het beroepschrift van klaagster tegen de beslissing is op 25 december 2025 ontvangen door de griffie van het hof.
2.4 Verder bevat het dossier van het hof: - de stukken van de raad; - het verweerschrift van verweerster, - de e-mail van klaagster van 13 maart 2026 met bijlagen. 2.5 Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 23 maart 2026. Daar zijn klaagster (via een digitale verbinding) en verweerster, bijgestaan door haar gemachtigde, verschenen. De gemachtigde van verweerster heeft het standpunt van verweerster toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen, die onderdeel uitmaken van het dossier van het hof.
3 FEITEN
3.1 Het hof gaat uit van de feiten die door de raad zijn vastgesteld en door partijen niet worden weersproken. Het gaat om de volgende feiten.
3.2 Klaagster was in dienst van een gemeente in Nederland (hierna: de gemeente). De gemeente is eigen risicodrager voor de WIA. Verweerster staat de gemeente als advocaat bij in een langdurig arbeidsrechtelijk geschil met klaagster. De heer B (hierna B) was de leidinggevende van klaagster bij de gemeente.
3.3 Klaagster heeft zich tijdens haar dienstverband eind mei 2022 ziekgemeld.
3.4 In een e-mail van 15 augustus 2023 heeft klaagster aan de gemeente een wijziging van haar rekeningnummer doorgegeven. Op 7 november 2023 heeft het UWV aan klaagster bevestigd dat haar Ziektewet-uitkering voortaan op het door klaagster doorgegeven, gewijzigde rekeningnummer zal worden overgemaakt. Dit betreft hetzelfde rekeningnummer als het nummer dat klaagster op 15 augustus 2023 aan de gemeente had doorgegeven.
3.5 Op 17 januari 2024 is klaagster bij de bedrijfsarts geweest en heeft zij de bedrijfsarts toegezegd dat zij voor het einde van januari 2024 het bedrijf dat medisch specialistisch onderzoek heeft gedaan naar de beperkingen en mogelijkheden van klaagster (hierna: het bedrijf) toestemming zou geven om de medische rapportage naar de bedrijfsarts te verzenden.
3.6 Op 18 januari 2024 heeft de gemeente klaagster gesommeerd om voor 25 januari 2024 de bedrijfsarts in het bezit te stellen van 1) de medische rapportage van het bedrijf en 2) de medische informatie van de behandelend sector. Voor het geval klaagster hier niet aan zou voldoen, had de gemeente een loonstop aangekondigd. In haar brief van 31 januari 2024 heeft de gemeente klaagster laten weten dat haar loon met ingang van 1 februari 2024 werd stopgezet. Klaagster is hierover een kortgedingprocedure gestart.
3.7 Bij vonnis van 12 maart 2024 heeft de kantonrechter in kort geding de vordering van klaagster toegewezen om de waarschuwingsbrief van 18 januari 2024 en de loonstopbrief van 31 januari 2024 uit het personeelsdossier van klaagster te verwijderen. Het was onvoldoende aannemelijk geworden dat klaagster niet meewerkte aan haar re-integratie en de loonstop werd onterecht geacht.
3.8 De gemeente had eerder, op 15 februari 2024, ook een loonstop opgelegd, omdat de gemeente vermoedde dat klaagster tijdens haar arbeidsongeschiktheid nevenwerkzaamheden had verricht en klaagster daarover geen informatie wilde verstrekken. Klaagster is vanwege deze loonstop opnieuw een kortgedingprocedure tegen de gemeente gestart.
3.9 Verweerster heeft namens de gemeente in deze procedure verweer gevoerd. De gemeente stelde zich op het standpunt dat er een grond was voor het opleggen van de loonstop omdat klaagster geen openheid van zaken gaf over haar nevenwerkzaamheden. Relevante alinea’s uit het verweer van verweerster luiden, voor zover relevant:
“32. [Klaagster] wordt opnieuw uitgenodigd voor een gesprek over de arbeidsrelatie (Productie 30). Bij brief van 31 januari 2024 wordt het loon met ingang van 1 februari stopgezet waarbij nadrukkelijk wordt aangegeven dat dit niet bedoeld is om [klaagster] te pesten maar dat voor haar dezelfde rechten en verplichtingen gelden als voor iedere andere werknemer van de Gemeente (…). Het meewerken aan redelijke voorschriften is daar één van (Productie 31). (…) 62. Voor [de gemeente] staat vast dat [klaagster] heel goed wist wat zij deed en op alle mogelijke manieren heeft geprobeerd om de nevenwerkzaamheden- en inkomsten te verzwijgen en buiten beeld van [de gemeente] te houden. [Klaagster] is zelfs zover gegaan dat zij haar rekeningnummer heeft gewijzigd bij UWV, haar persoonsgegevens bij UWV heeft proberen te laten verwijderen en anderen heeft beschuldigd van data lekken en grensoverschrijdend gedrag. Feit is en blijft dat [klaagster] een gewaarschuwd mens was en zij zich bovendien na de vingerwijzing van het Hof meer bewust moest zijn van haar positie als ambtenaar en haar kwetsbare financiële positie. Blijkbaar heeft [klaagster] zich daar niets van aan getrokken. Ook daar kan haar een ernstig verwijt van worden gemaakt.”
3.10 Bij vonnis van 5 juni 2024 heeft de kantonrechter geoordeeld dat de gemeente geen loonstop had mogen opleggen.
3.11 Bij brief van 19 juni 2024 heeft het UWV klaagster geïnformeerd over een datalek. Hierin staat dat het UWV per ongeluk (persoons)gegevens met klaagsters werkgever (de gemeente) heeft gedeeld. Het UWV schrijft dat het datalek het gevolg is van een verzoek om informatie van de gemeente naar aanleiding van klaagsters inkomen vanuit het UWV en een bedrijf. In de brief geeft het UWV een opsomming van de gegevens die aan de gemeente zijn verstrekt. Het gaat blijkens deze brief om de volgende gegevens:
• een kopie (PDF) van een brief aan u (d.d. 22 november 2023) over de afwijzing van een verwijderverzoek. Deze brief bevat uw NAW-gegevens en BSN • Een schermafdruk uit een brief (d.d. 2 februari 2024) over 6 documenten (titel en datum) die zijn vernietigd. • Informatie waaruit blijkt dat voor uw BSN een Ziektewet-uitkering is betaald. • Informatie over een wijziging van uw rekeningnummer (het rekeningnummer zelf is niet gedeeld). • Metadata uit systemen (zoals het verzenden of ontvangen van post). • Een interne mailwisseling (UWV-e-mail) tussen divisies
3.12 De gemeente heeft op enig moment ontbinding van de arbeidsovereenkomst verzocht. Klaagster heeft een verweerschrift ingediend. Verweerster heeft in deze procedure een verklaring van mevrouw W (hierna W) van 1 juli 2024 overgelegd. W was Manager Staf Bedrijfsvoering en Bestuur bij de gemeente, maar sinds 1 mei 2023 niet meer in dienst bij de gemeente. Het ontbindingsverzoek is tijdens een zitting op 9 juli 2024 behandeld. Bij deze zitting was W eveneens aanwezig.
3.13 Op 18 juli 2024 is de gemeente een bezwaarprocedure gestart bij het UWV tegen de aan klaagster per einde wachttijd toegekende WIA-uitkering.
3.14 Bij beschikking van 30 juli 2024 is de arbeidsovereenkomst tussen klaagster en de gemeente met ingang van 1 augustus 2024 ontbonden.
3.15 Klaagster heeft tegen deze beschikking hoger beroep ingesteld. De mondelinge behandeling bij het gerechtshof heeft op 19 maart 2025 plaatsgevonden.
3.16 In de processtukken waarvan verweerster zich in de ontbindingsprocedure bij de rechtbank en in hoger beroep bij het gerechtshof heeft bediend staan de volgende passages:
“In mijn hoedanigheid van advocaat mag ik informatie van derden zelfs als deze informatie achteraf bezien niet door deze derden aan mij hadden mogen worden verstrekt delen, zeker als deze informatie door [klaagster] zelf uit eigen beweging had moeten worden verstrekt.” “Gemeente (…) wilde helemaal niet de gang op en heeft dat duidelijk laten merken. Op de gang wilde [klaagster] niet met mij praten maar alleen met de heer B(…). Dat wilde hij niet en terecht: ik ben de gemachtigde van [de gemeente]. Dat ik namens [de gemeente] niet wilde vertellen wat er op de gang was gebeurd, kan en mag en is niet tuchtrechtelijk verwijtbaar."
4 KLACHT
4.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven en voor zover in hoger beroep van belang in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerster het volgende:
a) Verweerster heeft namens de gemeente in het kader van een bezwaarprocedure bij het UWV medische gegevens opgevraagd. Dit verzoek is in strijd met eerder door de rechter opgelegde restricties dat deze medische gegevens niet verstrekt mochten worden aan de gemeente of aan verweerster;
b) Verweerster heeft gebruik gemaakt van citaten afkomstig uit een door verweerster niet gemeld datalek. Verweerster beweert onder meer dat klaagster haar rekeningnummer heeft gewijzigd en heeft geprobeerd haar medische dossier te wissen om een dienstverband te laten verdwijnen. Deze uitspraken zijn ongefundeerd en onjuist en schaden de reputatie van klaagster;
c) Verweerster heeft in een procedure stukken ingediend - de brieven van 18 januari 2024 en 31 januari 2024 - waarvan de rechter bij beslissing van 12 maart 2024 aan de werkgever had gesommeerd deze te verwijderen uit het personeelsdossier van klaagster;
d) Verweerster heeft in een eerdere procedure onprofessioneel gedrag vertoond toen de rechtbank partijen verzocht te overleggen op de gang. Ook wilde verweerster niet aan de rechter meedelen wat op de gang tussen partijen was besproken.
Bij repliek heeft klaagster haar klachtonderdelen nader onderbouwd en daaraan toegevoegd dat verweerster het verzoekschrift en klaagsters verweerschrift heeft gedeeld met mevrouw W, terwijl W geen actieve rol speelde in de procedure. Volgens klaagster had verweerster deze informatie dan ook niet met W mogen delen.
5 BEOORDELING RAAD
5.1 De raad heeft de klacht van klaagster in alle onderdelen ongegrond verklaard. De raad heeft, voor zover het de in hoger beroep aan de orde zijnde klachtonderdelen betreft, het volgende overwogen.
Klachtonderdelen a) en c)
5.2 Deze klachtonderdelen zien op de brieven van 18 januari 2024 en 31 januari 2024, waarvan de rechter de gemeente in een beslissing van 12 maart 2024 had opgedragen deze uit het personeelsdossier van klaagster te verwijderen. Verweerster heeft deze brieven ondanks de beslissing van de rechter in latere procedures ingebracht. Daarmee heeft verweerster naar het oordeel van de raad de belangen van klaagster niet op nodeloos en ontoelaatbare wijze geschaad. Verweerster heeft volgens de raad gemotiveerd toegelicht dat zij op grond van de exhibitieverplichting gehouden was om namens de gemeente alle feiten en omstandigheden te vermelden, waaronder die met betrekking tot de waarschuwing en de loonstop. De raad is van oordeel dat verweerster met het gebruiken van de brieven van 18 en 31 januari 2024 haar vrijheid niet heeft overschreden. Wel was het naar het oordeel van de raad beter geweest als verweerster had vermeld dat deze brieven - naar aanleiding van de beschikking van 12 maart 2024 - inmiddels uit het personeelsdossier van klaagster waren verwijderd. Omdat klaagster dit in de onderliggende procedure zelf heeft kunnen toelichten, is zij hierdoor niet onevenredig in haar belangen geschaad.
5.3 Ook acht de raad niet tuchtrechtelijk verwijtbaar dat verweerster processtukken heeft gedeeld met W, ondanks dat W sinds 1 mei 2023 niet meer in dienst was van de gemeente. Verweerster heeft toegelicht dat W als voormalig Manager Staf Bedrijfsvoering en Bestuur tot aan haar vertrek nauw betrokken was bij het dossier van klaagster, dat een lange voorgeschiedenis kent. Omdat W als enige in staat was op bepaalde uitlatingen van klaagster te reageren, heeft de gemeente haar gevraagd om haar visie te geven (verklaring van 1 juli 2024). Anders dan klaagster stelt, was W dus geen willekeurige derde, maar een voormalig collega met inhoudelijke kennis van het dossier van klaagster. Ook de aanwezigheid van W op de zitting van 9 juli 2024 valt verweerster niet te verwijten; haar aanwezigheid diende het belang van de gemeente en het behartigen van dat belang staat voor verweerster centraal. Voorts staat onweersproken vast dat klaagster in de onderliggende procedure geen bezwaar heeft gemaakt tegen de verklaring van W of haar aanwezigheid op de zitting. Gelet hierop heeft de raad klachtonderdelen a) en c) ongegrond verklaard.
Klachtonderdeel b)
5.4 Klaagster verwijt verweerster dat zij gegevens heeft gebruikt die afkomstig zijn uit een datalek van het UWV. De raad overweegt dat niet is komen vast te staan dat verweerster bewust onjuiste informatie heeft verstrekt en daarmee in strijd met gedragsregel 8 heeft gehandeld. Verweerster heeft in de onderliggende procedure namens de gemeente betoogd dat klaagster haar bankrekeningnummer heeft gewijzigd en geprobeerd heeft om haar persoonsgegevens bij het UWV te laten verwijderen. Deze informatie komt overeen met de informatie die het UWV blijkens zijn brief van 19 juni 2024 aan de gemeente heeft verstrekt. Dat verweerster namens de gemeente andere conclusies aan die gegevens verbindt dan klaagster, is inherent aan het juridische geschil dat tussen partijen speelt.
5.5 Uit de brief van 19 juni 2024 volgt dat deze gegevens niet aan de gemeente verstrekt hadden mogen worden en dat daarmee sprake was van een datalek. De raad is van oordeel dat, ook al is op de wijze van verkrijging van de informatie van het UWV wel het een en ander aan te merken, dit nog niet betekent dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door deze informatie te gebruiken. Het is immers aan de civiele rechter voorbehouden om te oordelen over de toelaatbaarheid van deze informatie, waarbij hij rekening zal houden met alle relevante omstandigheden van het geval, zoals de ernst van de door de wijze van verkrijging gemaakte inbreuk op de rechten van de partij die zich tegen de verstrekking verzet en het gewicht van het belang dat de andere partij heeft bij gebruikmaking van die informatie. Een advocaat die gebruik maakt van door zijn cliënt ter beschikking gestelde informatie, ook al had deze informatie achteraf gezien niet verstrekt mogen worden, zal behoudens bijzondere omstandigheden, in het algemeen niet tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen. Dat van dergelijke bijzondere omstandigheden sprake is, is de raad niet gebleken. De raad heeft klachtonderdeel b) daarom ongegrond verklaard.
Klachtonderdeel d)
5.6 De raad heeft overwogen dat klaagster en verweerster tegenstrijdige verklaringen hebben afgelegd over het verloop van het gesprek tussen partijen tijdens de schorsing. Of verweerster hierin een verwijtbare rol heeft gespeeld, kan de raad dan ook niet vaststellen. Ook verder heeft klaagster naar het oordeel van de raad haar verwijten over het optreden van verweerster tijdens de schorsing onvoldoende onderbouwd. De raad kan de juistheid daarvan dan ook niet vaststellen. De klacht is in zoverre ongegrond verklaard. Voor het overige heeft de raad overwogen dat verweerster terecht heeft gesteld dat het niet gebruikelijk is rechters te informeren over hetgeen tijdens de schorsing is besproken. Dat verweerster niet aan de rechter verslag wilde doen van het overleg tussen partijen tijdens de schorsing, levert dan ook geen verwijtbaar handelen op. De raad heeft klachtonderdeel d) daarom ongegrond verklaard.
6 BEROEPSGRONDEN EN VERWEER
Beroepsgronden klaagster
6.1 Klaagster voert aan dat verweerster haar belangen wel heeft geschaad, door beschuldigingen als feiten te presenteren die feitelijk en juridisch onjuist zijn. Verweerster heeft gesteld dat klaagster haar bankrekeningnummer zou hebben gewijzigd. Deze gevolgrekking is volgens klaagster onjuist. Door dit als feitelijk verwijt te presenteren, heeft verweerster klaagster onnodig en ontoelaatbaar geschaad (grond I).
6.2 Klaagster voert verder aan dat verweerster wel degelijk in strijd met gedragsregel 8 heeft gehandeld. Uit de brief van het UWV van 19 juni 2024 blijkt alleen dat het rekeningnummer van klaagster is gewijzigd en dat een verzoek tot gegevensverwijdering is gedaan. Uit niets blijkt dat dit is gebeurd met het doel een dienstverband te laten verdwijnen, terwijl verweerster deze bedoeling als feitelijk verwijt heeft gepresenteerd. Daarmee heeft verweerster een feitelijke gevolgtrekking geponeerd, waarvan zij wist of behoorde te weten dat deze niet uit de feiten volgt. Dat is in strijd met gedragsregel 8 (grond II).
6.3 Verweerster heeft gegevens afkomstig uit een datalek gebruikt. Uit de brief van het UWV van 1 juli 2024 blijkt dat deze gegevens niet alleen ten onrechte waren verstrekt, maar ook niet mochten worden bewaard en verwijderd hadden moeten worden. Dit is door de raad buiten beschouwing gelaten. Verweerster deze gegevens willens en wetens blijven gebruiken in procedures tegen klaagster (grond III).
6.4 Ten aanzien van de brieven die uit het personeelsdossier van klaagster verwijderd zijn, voert klaagster aan dat de raad onbesproken heeft gelaten dat verweerster deze stukken in haar eigen administratie heeft bewaard en daardoor opnieuw heeft kunnen gebruiken. Daarmee heeft klaagster het rechtelijk bevel van 12 maart 2024 materieel uitgehold en is de motivering van de raad tegenstrijdig en onvoldoende draagkrachtig (grond IV).
6.5 Klaagster stelt verder dat de raad ten onrechte heeft overwogen dat W als enige in staat was om op bepaalde uitlatingen van klaagster te reageren. Volgens klaagster was W niet haar direct leidinggevende en blijkt uit niets dat alleen W op bepaalde uitlatingen kon reageren. Bovendien heeft verweerster ook medische stukken met betrekking tot klaagster met W gedeeld. Klaagster acht dat disproportioneel. Klaagster heeft bovendien ter zitting bezwaar gemaakt tegen het aantal meegebrachte personen (grond V).
6.6 De raad heeft nagelaten te beslissen op de klacht van klaagster voor zover die betrekking heeft op de wijze waarop verweerster beschikking heeft gekregen over UWV-informatie. De raad heeft ten aanzien daarvan overwogen dat er “wel het een en ander is aan te merken” op de wijze van verkrijging van de UWV-informatie maar heeft daar geen consequenties aan verbonden. Daarnaast heeft de raad overwogen dat sprake was van “door de cliënt ter beschikking gestelde informatie”, terwijl uit de brief van het UWV van 1 juli 2024 volgt dat de gegevens verwijderd hadden moeten worden. Het gebruik van deze informatie diende daarbij volgens klaagster geen ander doel dan het schaden van klaagster door kwade intenties te suggereren (grond VI).
6.7 De raad heeft ten onrechte overwogen dat sprake is van tegenstrijdige verklaringen over het verloop van het gesprek tussen partijen tijdens de schorsing. Uit het proces-verbaal van de zitting blijkt niet dat dat de rechter partijen bijna verplicht heeft naar de gang te gaan, zoals verweerster had gesteld. Klaagster heeft één dag na de zitting een klacht ingediend bij haar werkgever over het gedrag van verweerster (grond VII).
6.8 Klaagster voert tot slot aan dat het handelen van verweerster niet beperkt is gebleven tot één handeling of procedure. Verweerster gebruikt de betreffende UWV-gegevens nog steeds, onder meer in de lopende bezwaarprocedure bij het UWV tegen de aan klaagster toegekende WIA-uitkering. Het gaat daarmee om voortgezet en structureel gebruik van onjuiste gegevens (grond VIII).
Verweer verweerster
6.9 Verweerster heeft gemotiveerd verweer gevoerd in beroep. Waar dat relevant is, bespreekt het hof dit bij de beoordeling van het beroep.
7 BEOORDELING HOF
Maatstaf
7.1 De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn, gezien ook het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.
7.2 Deze zaak betreft een klacht tegen de advocaat van de wederpartij. De maatstaf die het hof bij de beoordeling daarvan aanlegt is mede ingegeven door de voor advocaten geldende kernwaarde partijdigheid en houdt het volgende in. Een advocaat geniet een grote mate van vrijheid om de belangen van zijn cliënt te behartigen op de wijze die hem passend voorkomt. Deze vrijheid mag niet ten gunste van een wederpartij worden beperkt, tenzij haar belangen nodeloos en op ontoelaatbare wijze worden geschaad. Zo mag de advocaat (a) zich niet onnodig grievend uitlaten over de wederpartij, (b) geen feiten poneren waarvan hij de onwaarheid kent of redelijkerwijs kan kennen, (c) bij de behartiging van de belangen van zijn cliënt de belangen van de wederpartij niet onnodig of onevenredig schaden zonder redelijk doel. Daarbij geldt verder dat de advocaat de belangen van zijn cliënt dient te behartigen aan de hand van het feitenmateriaal dat zijn cliënt hem verschaft, en dat hij in het algemeen mag afgaan op de juistheid daarvan en slechts in uitzonderingsgevallen gehouden is de juistheid daarvan te verifiëren. De advocaat hoeft in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat hij voor zijn cliënt wil bereiken met de middelen waarvan hij zich bedient, opweegt tegen het nadeel dat hij daarmee aan de wederpartij toebrengt. Wel moet de advocaat zich onthouden van middelen die op zichzelf beschouwd ongeoorloofd zijn of die, zonder dat zij tot enig noemenswaardig voordeel van zijn cliënt strekken, onevenredig nadeel aan de wederpartij toebrengen.
Klachtonderdelen a) en c)
7.3 De gronden IV en V richten zich tegen het oordeel van de raad ten aanzien van deze klachtonderdelen. Deze klachtonderdelen zijn door de raad gezamenlijk behandelend omdat zij zien op de brieven van 18 en 31 januari 2024, ten aanzien waarvan de voorzieningenrechter in de beslissing in kort geding van 12 maart 2024 had geoordeeld dat deze uit het personeelsdossier van klaagster verwijderd moesten worden. Ook in hoger beroep zal het hof deze klachtonderdelen als zodanig opvatten.
7.4 Verweerster heeft aangevoerd dat zij in het kader van het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst de relevante feiten en omstandigheden heeft vermeld. Ter onderbouwing van die feiten zijn ook de onder 7.3 bedoelde brieven in het geding gebracht. Het hof stelt vast dat de dat de gemeente in kort geding is veroordeeld de brieven uit het personeelsdossier te verwijderen omdat, zo blijkt uit het vonnis van de kantonrechter, klaagster er belang bij had dat dat een eventuele onterechte loonstop in haar personeelsdossier niet meeweegt bij de beoordeling van haar WIA-uitkering. Het oordeel van de kantonrechter in het kort gedingvonnis van 12 maart 2024 bracht naar het oordeel van het hof dan ook niet mee dat in een andere procedure, in casu de ontbindingsprocedure, per definitie geen beroep meer kon worden gedaan op feiten waarop deze brieven betrekking hebben en dat ter onderbouwing van die feiten de brieven in het geding konden worden gebracht. Van een veroordeling tot vernietiging van de brieven was daarbij ook geen sprake. Met het stellen van de feiten waarop de brieven betrekking hebben en het onderbouwen van die feiten met de bewuste brieven in de ontbindingsprocedure heeft verweerster naar het oordeel van het hof de aan haar toekomende vrijheid om de belangen van de gemeente op een door haar passend geachte wijze te behartigen dan ook niet overschreden. Met de raad is het hof van oordeel dat het wel beter was geweest als verweerster er melding van gemaakt dat de brieven op grond van eerdergenoemd kort gedingvonnis uit het personeelsdossier van klaagster waren verwijderd. Maar zoals de raad ook terecht heeft opgemerkt had klaagster dat in de ontbindingsprocedure zelf naar voren kunnen brengen en is er van onevenredige schending van belangen geen sprake. Verweerster heeft dan ook geen tuchtrechtelijke grens overschreden, maar fraai is anders.
7.5 Voor zover klaagster verweerster verwijt dat zij processtukken met W heeft gedeeld, ondanks dat W sinds 1 mei 2023 niet meer in dienst was van de gemeente, sluit het hof zich aan bij de overwegingen van de raad, zoals weergegeven in rechtsoverweging 5.7 van de beslissing van de raad, en neemt die over.
7.6 Klachtonderdelen a) en c) zijn ongegrond. De hierop gerichte gronden van beroep slagen niet.
Klachtonderdeel b)
7.7 De gronden I, II, III en VI zien op de overwegingen van de raad over dit klachtonderdeel. Dit klachtonderdeel ziet erop dat verweerster gegevens in haar processtukken heeft gebruikt die afkomstig zijn uit een datalek van het UWV. Op grond van deze gegevens heeft verweerster in de processtukken de stelling ingenomen dat klaagster haar rekeningnummer heeft gewijzigd en heeft geprobeerd haar medisch dossier te wissen om een dienstverband te laten verdwijnen.
7.8 Het hof is met de raad van oordeel dat niet is komen vast te staan dat verweerster bewust onjuiste informatie heeft verstrekt en daarmee in strijd met gedragsregel 8 heeft gehandeld. Het hof verwijst naar de overweging van de raad zoals weergegeven onder 5.9 van de beslissing, en neemt die overweging over. Anders dan door klaagster betoogd heeft de raad geen onjuist toetsingskader aangelegd.
7.9 Vast staat dat het UWV in februari 2024 gegevens aan de gemeente heeft verstrekt die zij niet had mogen verstrekken, zodat daarmee sprake is van een datalek. Het UWV heeft klaagster hiervan in een brief van 19 juni 2024 op de hoogte gebracht en heeft de gemeente vervolgens op 1 juli 2024 verzocht de gegevens te vernietigen. Hoewel verweerster heeft betoogd dat zij de gegevens op dat moment al in haar processtukken had verwerkt en zij erop gewezen heeft dat de zitting in deze procedure op 9 juli 2024 plaatsvond, staat vast dat verweerster ook nadien in de hoger beroep procedure de gegevens die afkomstig zijn uit het datalek in haar processtukken heeft verwerkt. Verweerster heeft daarmee gebruik gemaakt van gegevens waarvan zij, in ieder geval op enig moment, wist dat deze afkomstig waren uit het datalek.
7.10 Dat verweerster gebruik heeft gemaakt van door haar cliënte onrechtmatig verkregen informatie via een datalek, wil echter nog niet zeggen dat zij tuchtrechtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Het is aan de civiele rechter voorbehouden om te oordelen over de toelaatbaarheid van deze informatie, waarbij hij rekening zal houden met alle relevante omstandigheden van het geval, zoals de ernst van de door de wijze van verkrijging gemaakte inbreuk op de rechten van de partij die zich tegen de verstrekking verzet en het gewicht van het belang dat de andere partij heeft bij gebruikmaking van die informatie. Een advocaat die gebruik maakt van door zijn cliënt ter beschikking gestelde informatie, ook al had deze informatie achteraf gezien niet verstrekt mogen worden, zal, behoudens bijzondere omstandigheden, in het algemeen niet tuchtrechtelijk verwijtbaar zijn (vgl. HvD 21 augustus 2020, ECLI:NL:TAHVD:2020:142). Ook het hof is niet gebleken dat sprake is van dergelijke bijzondere omstandigheden. De beroepsgronden I, II, III en VI slagen niet. Klachtonderdeel b) is ongegrond.
Klachtonderdeel d)
7.11 Beroepsgrond VII ziet op hetgeen de raad heeft overwogen over klachtonderdeel d). Dat ziet erop dat klaagster verweerster verwijt dat zij onprofessioneel gedrag heeft vertoond toen de rechtbank partijen had verzocht te overleggen op de gang. Ten aanzien van dit klachtonderdeel ziet het hof op basis van de beroepsgronden en het onderzoek in hoger beroep geen aanleiding om tot een andere beoordeling van het klachtonderdeel te komen dan die van de raad. Het hof sluit zich aan bij de beslissing van de raad dat niet kan worden vastgesteld of verweerster een verwijtbare rol heeft gespeeld tijdens de schorsing en dat het feit dat verweerster niet aan de rechter verslag wilde doen van het overleg tussen partijen tijdens de schorsing geen verwijtbaar handelen oplevert. Het hof neemt deze beslissing over.
Slotsom
7.12 De conclusie is dat de klachtonderdelen ongegrond zijn. Het hof zal de beslissing van de raad bekrachtigen. Beroepsgrond VIII laat het hof verder buiten beschouwing. Die ziet op een nieuw verwijt, namelijk dat verweerster nog steeds in een lopende bezwaarprocedure bij het UWV over de toegekende WIA-uitkering, voortgezet gebruik maakt van onjuiste gegevens. In hoger beroep kunnen geen nieuwe klachtonderdelen meer worden ingediend. Die moeten op grond van artikel 46c eerste lid van de Advocatenwet worden ingediend bij de deken.
8 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
8.1 bekrachtigt de beslissing van 24 november 2025 van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam, gewezen onder nummer 25-549AA.
Deze beslissing is genomen door mr. J. Blokland, voorzitter, mrs. D. Wachter en A. Groenewoud, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.R. Sijses, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 18 mei 2026.
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 18 mei 2026.
