Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

18-05-2026

ECLI

ECLI:NL:TADRARL:2026:120

Zaaknummer

25-835/AL/OV

Inhoudsindicatie

Klager is door verweerder bijgestaan in verschillende zaken. Naar het oordeel van de raad is verweerder tekortgeschoten in zijn zorgplicht door financiële afspraken onvoldoende duidelijk vast te leggen, zoals gedragsregel 16 vereist. In een aantal dossiers heeft verweerder geen opdrachtbevestiging aan klager gestuurd. Daarnaast ontbreekt een stuk van verweerder met daarin en inschatting van te verwachten kosten en kansen. Tussentijdse facturen waarin de reeds gemaakte uren helder zijn vermeld, ontbreken eveneens bij de stukken. Dit alles heeft ertoe geleid dat klager in het ongewisse is gebleven over belangrijke financiële informatie, waarover hij wel had moeten kunnen beschikken. Hierin is verweerder ook tekortgeschoten in zijn zorgplicht. Deze omstandigheden in combinatie met het tuchtrechtelijk verleden van verweerder leiden tot oplegging van een deels voorwaardelijke (4 weken) en deels onvoorwaardelijke schorsing (2 weken).

Uitspraak

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem Leeuwarden van 18 mei 2026  in de zaak 25-835/AL/OV naar aanleiding van de klacht van:

klager

over            

verweerder

 

 

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1    Op 6 februari 2025, aangevuld op 19 februari 2025, heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Overijssel (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.

1.2    Op 3 december 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2455705 van de deken ontvangen. 

1.3    De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 20 maart 2026. Daarbij waren klager en verweerder aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

1.4    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier.

 

   FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.

2.1    Klager heeft vanaf 2015 als schoonmaker drie bedrijfsongevallen gehad. Klager heeft vanaf november 2015 rechtsbijstand gehad. De toenmalig werkgever van klager heeft de aansprakelijkheid voor het letsel van klager als gevolg van de bedrijfsongevallen erkend. Met de verzekeraar van de werkgever is gesproken over schadevergoeding. 

2.2    Vanaf 2 januari 2020 is klager arbeidsongeschikt geraakt.

2.3    In september 2021 heeft klager bij het UWV een WIA-uitkering aangevraagd. Het UWV heeft wegens nalatigheid aan de werkgever van klager een loonsanctie opgelegd op grond waarvan de werkgever verplicht was om het loon tot 30 december 2022 aan klager door te betalen.  

2.4    Verweerder heeft klager vanaf november 2021 bijgestaan in vier zaken, te weten een letselschadezaak, een arbeidsrechtzaak, een toeslagenaffairezaak en een chroom 6-zaak (naar aanleiding van de schade die klager heeft opgelopen bij het uitvoeren van werkzaamheden als schoonmaker). 

Letselschadezaak 2.5    Op 2 november 2021 hebben klager en verweerder - als opvolgend advocaat - een overeenkomst van opdracht ondertekend. Daarin staat onder meer dat verweerder rechtsbijstand aan klager zal verlenen in diens letselschadezaak met betrekking tot het voorval dat plaatsvond op 22 november 2015 tegen een uurtarief van € 190,-, exclusief 6% kantoorkosten, btw en de verschotten. Ook is bepaald dat wanneer partijen afwijken van het overeengekomen tarief, dit schriftelijk zal worden vastgelegd. Klager heeft ermee ingestemd dat verweerder een hoger tarief in rekening mag brengen als de totale schade-uitkering meer bedraagt dan € 50.000,-. 

2.6    Bij besluit van 1 december 2021 heeft het UVW de aan de werkgever van klager opgelegde loonsanctie bekort tot 11 januari 2022 (Besluit I). Op 14 december 2021 heeft verweerder daartegen namens klager bezwaar aangetekend. 

2.7    Bij besluit van 13 april 2022 (Besluit II) heeft het UWV erkend dat de loonsanctie ten onrechte is bekort maar toegelicht dat dit besluit niet kan worden herroepen. Het UWV heeft klager geadviseerd om een verzoek in te dienen voor vergoeding van door hem geleden loonschade. Voor kosten voor het maken van bezwaar is een forfaitair bedrag van € 541,- aan klager toegewezen.

2.8    Op 13 april 2022 heeft klager beroep ingesteld tegen Besluit II en tevens verzocht om diverse schadeposten te vergoeden en betoogd dat de toegekende proceskostenveroordeling in de bezwaarprocedure te laag was.  

2.9    Op 20 april 2022 heeft verweerder aan klager geschreven dat klager van het UWV gelijk heeft gekregen dat de loonsanctie niet stop gezet had mogen worden. En verder:

Men verklaart uw bezwaar niet gegrond, maar ook niet ongegrond, wel ontvangt u een definitieve WIA uitkering, zie mijn vorige bericht. De kosten worden vergoed tot een bedrag van € 541 , ik stel voor dat die kosten aan mij toekomen in deze zaak. Bent u hiermee akkoord? (…)

Dezelfde dag heeft klager aan verweerder gemaild:

Het UWV kan € 541 overmaken, dit is geen probleem. Dit wordt niet meegerekend met de letselschade? (…)

2.10    Op 12 mei 2022 om 10:49 uur heeft verweerder aan klager geschreven:

In uw opdracht heb ik de kwestie van de bevoorschotting aan de orde gesteld bij het UWV. Omdat het UWV inmiddels heeft beslist inzake de WIA-uitkering is de discussie omtrent het voorschot dat u heeft gehad achterhaald en niet meer nodig. Overigens was het voorschot wel juist berekend, zo blijkt uit de stukken omtrent de uitkering die u later heeft ontvangen. Kunt u aan mijn secretaresse doorgegeven dat u akkoord bent met dit concept zodat die kwestie kan worden afgewikkeld. 

Via mijn secretaresse ontvangt u alle bezwaarschriften en verzoeken die op stapel staan en die op 18, 25 en 26 mei 2022 bij UWV binnen moeten zijn. Wij zijn mooi op tijd. Wilt u rechtstreeks aan [secretaresse] doorgeven dat u akkoord bent met de bezwaar en beroepschriften en het verzoek. Dan kan zij voor verzending zorg dragen. Met deze stukken worden de termijnen gewaarborgd.

Volgende week spreken wij verder over uw letselschade zaak. 

Om 11:10 uur heeft klager hiermee via e-mail aan de secretaresse en verweerder ingestemd. 

2.11    Op 16 mei 2022 heeft verweerder namens klager bij het UWV een verzoek tot schadevergoeding ingediend vanwege geleden loonschade. 

2.12    Op 10 november 2022 heeft een zitting plaatsgevonden bij de rechtbank Overijssel in het geschil met het UWV over de aan zijn voormalige werkgever opgelegde verkorting van de loonsanctie.

2.13    Op 13 maart 2023 heeft de rechtbank het beroep tegen Besluit II ongegrond verklaard. De rechtbank heeft onder meer geoordeeld dat de door het UWV toegekende proceskostenvergoeding van € 541,- in overeenstemming was met Besluit proceskosten bestuursrecht. Verder is overwogen dat het UWV heeft erkend dat Besluit I onrechtmatig was en de door klager genoemde schadeposten zullen worden betrokken bij behandeling van het verzoek om schadevergoeding dat klager inmiddels bij het UWV heeft ingediend. Verweerder heeft deze uitspraak op 15 maart 2023 aan klager gemaild. 

2.14    Op 20 maart 2023 om 11:35 uur heeft verweerder aan klager in zijn e-mail uitgelegd dat helaas alleen de forfaitaire proceskostenvergoeding ter hoogte van € 541,- door de rechtbank is toegewezen, maar stelt hij voor om in die beslissing te berusten. Verder heeft verweerder aan klager geschreven dat hij in dit dossier een factuur voor een bedrag van € 1.770,06 zal sturen voor 6.45 uur aan werkzaamheden over de periode vanaf 16 mei 2022 tot 17 maart 2023 tegen een uurtarief van € 210,- exclusief btw, kantoorkosten en kilometervergoeding en klager gevraagd of hij daarmee instemt. Om 12:02 uur heeft klager hierop in zijn e-mail zijn akkoord gegeven. Verder heeft klager daarin gevraagd naar de stand van zaken in de arbeidskwestie en de letselschadezaak. 

2.15    Op 24 maart 2023 heeft verweerder aan klager een factuur (UWV tegen Besluit II) met urenspecificatie gestuurd voor een bedrag van € 2.085,65 voor zijn werkzaamheden van 7,6 uur in de periode vanaf 16 mei 2022 tot en met 22 maart 2023. Verweerder heeft een uurtarief van € 210,- gehanteerd, nog te vermeerderen met 8% kantoorkosten en btw. Deze factuur is op 27 maart 2023 door klager voldaan. 

2.16    Bij schadebesluit van 29 maart 2023 heeft het UWV aan klager een vergoeding van geleden loonschade toegekend van € 11.002,- wegens het onrechtmatige Besluit I en dit bedrag op 1 april 2023 aan klager betaald.

2.17    Op 18 april 2023 heeft verweerder aan klager zijn concept verzoekschrift voor de rechtbank Zwolle inzake de schadevergoeding gemaild en klager gevraagd om zijn schadeberekening te controleren en noodzakelijke informatie aan te leveren. Op 27 april 2023 heeft klager aan verweerder als bijlage het verzuimverlof gestuurd.

2.18    Op 20 april 2023 heeft verweerder tegen het schadebesluit van 29 maart 2023 van het UWV een verzoekschrift bij de rechtbank Overijssel ingediend met het verzoek om het schadebesluit te heroverwegen en het UWV te veroordelen tot vergoeding van door klager geleden schade.  

2.19    Op 23 mei 2023 om 13:42 uur heeft de secretaresse namens verweerder aan klager het van de Centrale Raad van Beroep ontvangen proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank op 10 november 2022 doorgestuurd. Verder is in de e-mail vermeld dat verweerder de dag erna de gronden van het hogerberoepschrift bij de Centrale Raad van Beroep zal indienen en klager daarmee akkoord wordt vertrouwd. Om 14:28 uur heeft klager via e-mail zijn akkoord hiervoor gegeven. 

2.20    In zijn e-mail van 24 mei 2023 heeft verweerder aan klager geschreven:

Na uw akkoordverklaring hebben wij zojuist de gronden van het hogerberoepschrift ingediend bij de Centrale Raad van Beroep. De ontvangstbevestiging alsmede de gronden treft u hierbij aan.   

2.21    Op 12 december 2023 heeft in de verzoekschriftprocedure van 20 april 2023 bij de rechtbank een zitting plaatsgevonden.

2.22    Op 29 december 2023 heeft verweerder aan klager een factuur (hoger beroep UWV) met urenspecificatie gestuurd voor een bedrag van € 3.628,05 voor zijn werkzaamheden van 17,25 uur in de periode vanaf 5 april 2022 tot en met 6 maart 2023. Verweerder heeft hierin een uurtarief van € 160,- gehanteerd, nog te vermeerderen met 6% kantoorkosten en btw. Klager heeft dezelfde dag bezwaar tegen deze factuur en ook tegen de factuur van 24 maart 2023 gemaakt en heeft verweerder verzocht om toezending van een gedetailleerde urenspecificaties. 

2.23    Op 3 januari 2024 heeft verweerder aan klager toegezegd de verzochte urenspecificaties toe te (laten)sturen en klager gemeld dat hij de facturen gewoon zal moeten voldoen voor de door verweerder verrichte werkzaamheden. Ook heeft verweerder geschreven dat als er over en weer geen vertrouwen meer is, het lastig is om klager te blijven bijstaan. En: 

De verschillende tarieven houdt verband met de soort zaak, het jaar waarin de zaak is gestart etc. Wij hebben geen uniform tarief afgesproken. Bij UWV-zaken hanteren wij een aangepast tarief omdat dat bewerkelijke zaken zijn.  Voor de letselschade hebben wij wel afspraken gemaakt. Die zijn ook bekend bij u. Dat geldt ook voor condities in de andere dossiers. Ik hoor het wel.

2.24    Op 1 februari 2024 heeft de rechtbank Overijssel het verzoek van klager van 20 april 2023 tot vergoeding van door hem geleden schade afgewezen, met uitzondering van de betaling van wettelijke rente door het UWV. 

2.25    Op 10 mei 2024 heeft de Centrale Raad van Beroep de beslissing van de rechtbank Overijssel van 13 maart 2023 bevestigd omdat voor toekenning van een andere dan de forfaitaire proceskostenvergoeding in bezwaar van € 541,- geen grond bestaat.

Toeslagenaffairezaak 2.26    Verweerder heeft klager vanaf 31 januari 2022 bijgestaan als gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire. 

2.27    Op 12 april 2022 om 17:08 uur heeft verweerder aan klager geschreven:

Inzake de toeslagen kwestie stel ik voor dat ik u een factuur stuur voor de werkzaamheden tot heden plus het videogesprek en dat met een bedrag van € 300 excl. btw alle werkzaamheden tot heden zijn voldaan. Dus dit bedrag is voor het nog komende gesprek plus de werkzaamheden tot heden. Ik denk dat dit een redelijk voorstel is. Dit staat los van de UWV zaak en de letselschade zaak. Ik hoor graag.

In zijn e-mail van 17:11 uur heeft klager hiermee ingestemd. Om 17:26 uur heeft de secretaresse van verweerder de afspraak voor het dossier aan klager bevestigd en gemeld dat na het gesprek met de Belastingdienst de factuur zal worden verstuurd. 

2.28    Verweerder heeft op 22 april 2022 een factuur aan klager gestuurd voor zijn werkzaamheden van 4,5 uur in de periode vanaf 31 januari 2022 tot en met 19 april 2022 voor het bedrag van € 653,40. 

2.29    Op 22 april 2022 heeft een gesprek met de Belastingdienst plaatsgevonden in aanwezigheid van klager en verweerder.

2.30    In een e-mail van 4 oktober 2022 heeft klager aan verweerder gevraagd of zijn juridische kosten door de Belastingdienst worden vergoed. 

2.31    Daarop heeft verweerder op 5 oktober 2022 om 10:38 uur aan klager geschreven:

Ik heb de kosten aan de orde gesteld, echter de RvR zal de kosten niet vergoeden omdat ik (ondanks dat ik fiscaal jurist ben) geen accreditatie heb voor dit soort zaken (…). Ik ontvang nog bericht van de BD dan zal ik het aankaarten. Ik zal dus eerst aan u een factuur hiervoor moeten sturen. Dit hebben wij wel afgesproken. Zoals gezegd zal ik het wel proberen om een deel te verhalen, als dat lukt crediteer ik voor dat deel de kosten. Akkoord?

Om 11:44 uur heeft klager hiermee via e-mail ingestemd. 

2.32    Op 10 november 2022 heeft verweerder aan klager een factuur gestuurd voor zijn werkzaamheden van 2,5 uur in de periode vanaf 31 januari 2022 tot en met 21 juni 2022 tegen een uurtarief van € 200,- voor een bedrag van € 653,40, inclusief 8% kantoorkosten en btw. 

2.33    Op 2 juni 2023 heeft verweerder in zijn e-mail aan klager een toelichting gegeven op de beschikking van de Belastingdienst. Aan klager is een bedrag van € 30.000,- betaald, waarvan een bedrag van € 17.534,- uit hoofde van coulance. De kosten van rechtsbijstand zijn niet vergoed. Verweerder heeft klager gevraagd of hij bezwaar wil indienen. Daarop heeft klager op 8 juni 2023 aan verweerder gemaild dat het dossier kan worden afgesloten. 

2.34    Op 8 januari 2024 heeft de secretaresse van verweerder aan klager geschreven:

Hierbij stuur ik u de factuur met specificatie inzake Toeslagen Belastingdienst. Let wel, omdat dit dossier en het ontslagdossier [naam werkgever] al zijn gesloten stuur ik dit bericht in het hoofddossier.  

Uit de stukken blijkt dat er 8.8 eenheden zijn gewerkt en dat slechts 2.5 eenheden in rekening zijn gebracht. Dat is dus te weinig. Er moet nog 6.3 eenheden worden gedeclareerd in deze zaak.   

U kunt deze stukken bestuderen en [verweerder] is bereid om deze met u te bespreken.   

Ik hoop u voldoende te hebben geïnformeerd.

Chroom 6-zaak

2.35    Op 29 november 2022 hebben klager en verweerder een overeenkomst van opdracht gesloten om klager bij te staan om zijn schade op de werkgever te verhalen doordat klager tijdens zijn werk in aanraking is gekomen met Chroom-6. Klager en verweerder hebben een uurtarief van € 230,- afgesproken, nog te vermeerderen met 8% kantoorkosten, btw en de verschotten. Ook is afgesproken dat wanneer partijen afwijkende tarieven overeenkomen, dit schriftelijk zal worden vastgelegd. 

Arbeidsrechtkwestie

2.36    Op 9 september 2022 heeft klager aan verweerder de e-mail van zijn werkgever doorgestuurd. In die interne e-mail van de werkgever, in CC aan klager gestuurd, staat dat klager telefonisch heeft verzocht om zijn slapende dienstverband met een vaststellingsovereenkomst te beëindigen. 

2.37    In zijn e-mail van 12 september 2022 heeft verweerder aan klager geschreven:

Waarom neemt u het initiatief in deze? U moet uw positie niet verzwakken. Wij weten nog niet hoe de letselschade- en aansprakelijkheid verder zal verlopen. Dit is wel een beetje voorbarig. Uiteraard ken ik uw financiële perikelen, maar u krijgt wel een WIA uitkering. (…) Zodra u bericht heb zal ik het voorstel bestuderen en kan ik u op dat punt adviseren. Ik heb in deze een apart dossier aangelegd met nummer (…).

2.38    Tussen verweerder en de werkgever is gecorrespondeerd over de afwikkeling van de arbeidsovereenkomst en de hoogte van een eventuele vergoeding. 

2.39    Op 30 januari 2023 heeft de werkgever aan verweerder onder meer bericht dat de door klager verzochte bijdrage van € 2.500,- exclusief btw en kantoorkosten voor zijn juridische bijstand volgens beleid niet worden betaald omdat klager zelf om beëindiging van een slapend dienstverband heeft verzocht.  

2.40    Op 7 maart 2023 heeft verweerder via e-mail klager gewezen op de inhoud van de e-mail van zijn werkgever van 31 januari 2023 en hem gevraagd daarop schriftelijk te reageren. 

2.41    Op 30 maart 2023 heeft verweerder via e-mail aan klager geschreven over de stand van zaken in de onderhandelingen met de werkgever. Verder heeft verweerder geschreven:

Als het wel tot een regeling komt dan wil ik dit dossier ook afsluiten. Omdat [naam werkgever] niet bereid is kosten te vergoeden, zult u de kosten van rechtsbijstand uit de TV moeten voldoen. Daarvan bent u zich bewust. Als wij het dossier kunnen afronden zal ik met u omtrent de kosten van de zijde van mijn kantoor nader spreken. Wel kunnen wij proberen in de letselschade kwestie dit onderdeel te verhalen, aantoonbaar is dat [naam werkgever] geen kosten heeft vergoed. 

Dezelfde dag heeft klager aan verweerder gemaild dat hij indien nodig zijn toestemming voor een procedure geeft.

2.42    Op 17 april 2023 heeft klager een vaststellingsovereenkomst met zijn werkgever gesloten. De arbeidsovereenkomst is per 1 mei 2023 geëindigd. Daarin is geen finale kwijting overeengekomen vanwege de letselschadeclaim van klager op de werkgever. In de vaststellingsovereenkomst is geen vergoeding voor door klager gemaakte juridische kosten opgenomen.  

2.43    Op 17 mei 2023 heeft verweerder aan klager voor de verrichte werkzaamheden (ontbinding van de arbeidsovereenkomst) een factuur van € 3.381,35 gestuurd voor 11,25 uur aan werkzaamheden. Hierbij is een uurtarief van € 230,- gehanteerd, nog te vermeerderen met 8% kantoorkosten en btw. In de begeleidende e-mail heeft verweerder geschreven dat klager ermee had ingestemd om die kosten zelf te betalen. Op de e-mail van klager van diezelfde dag met de vraag of de factuur wel klopt, heeft verweerder toegelicht dat en waarom het een juiste factuur is.

Dossierovername  

2.44    Op 5 januari 2024 heeft de opvolgend advocaat van klager, mr. P, via e-mail aan verweerder gevraagd om binnen vijf werkdagen de dossiers van klager toe te sturen. Voor zover verweerder nog openstaande kosten/declaraties heeft, heeft mr. P verweerder verzocht om een akte van cessie toe te sturen die na ondertekening door klager door mr. P aan verweerder zal worden geretourneerd. Op 24 januari 2024 heeft verweerder klager aangeboden om de facturen met specificaties door te nemen. Klager heeft daarvan geen gebruik gemaakt. 

2.45    Tussen de advocaten is daarna afgesproken dat verweerder aan klager de dossiers overdraagt na betaling van € 2.000,- en na ondertekening van een akte van cessie door klager. 

2.46    In de akte van cessie van 30 januari 2024 staat onder meer dat klager een bedrag van € 8.159,39 aan verweerder is verschuldigd en dat die vordering door klager wordt voldaan middels de overdracht van de vordering van klager op zijn toenmalige werkgever/verzekeraar in de letselschadezaak van 2 november 2021. De hoogte van de vordering van verweerder op klager is berekend over de periode per 18 januari 2024 voor 32,85 uren tegen een uurtarief van € 190,-, te vermeerderen met 8% kantoorkosten en btw. In de urenspecificatie staan werkzaamheden genoemd die door verweerder zijn verricht in de toeslagenaffairezaak, de UWV-zaken en de arbeidszaak. 

2.47    Op 2 februari 2024 heeft de verzekeraar van de toenmalig werkgever van klager desgevraagd aan mr. P bericht dat het dossier na slotbetaling is gesloten maar nog kan worden heropend.

2.48    Op 5 februari 2024 heeft verweerder de dossiers aan klager overgedragen.

Correspondentie over facturering

2.49    In de periode maart 2024 tot aan het moment van indiening van de klacht op 6 februari 2025 hebben klager, bijgestaan door de heer S. werkzaam bij DAS, en verweerder gecorrespondeerd over de hoogte van de door verweerder gefactureerde bedragen en de onderliggende urenspecificaties. Dit heeft niet tot een oplossing geleid.

 

3    KLACHT

De klacht houdt in, zakelijk weergegeven, dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:

a)    onzorgvuldig te declareren door (i) een ander uurtarief te hanteren dan afgesproken, (ii) de door het UWV vergoede kosten van € 541,- niet te verrekenen, (iii) bepaalde werkzaamheden meermaals of ten onrechte te factureren, zonder toelichting, en (iv) werkzaamheden van zijn secretaresse of juridisch medewerker tegen het uurtarief van de advocaat in rekening te brengen;

b)    pas na ondertekening van de akte van cessie door klager als dekking voor de kosten van verweerder de dossiers aan de opvolgend advocaat van klager over te dragen, zonder overleg met de deken;

c)    (i) voorafgaand aan zijn werkzaamheden in verschillende zaken slechts één keer een opdrachtbevestiging te sturen, (ii) zonder klagers medeweten procedures te starten en (iii) klager niet, althans onvoldoende, te informeren over de te verwachten kosten en kansen in zijn zaken.  

 

4    VERWEER 

4.1    Verweerder heeft tegen de klacht onder meer het volgende verweer gevoerd. 

 

Klachtonderdeel a)

4.2    Verweerder betwist dat hij een ander tarief heeft gehanteerd dan met klager was afgesproken per dossier. 

4.3    Op verzoek van klager heeft hij de letselschadezaak, de zorgplichtzaak van de toenmalig werkgever van klager, van diens eerdere gemachtigde overgenomen en onder dezelfde financiële condities voortgezet. Verweerder verwijst naar de opdrachtbevestiging van 2 november 2021 waaruit die afspraken volgen. 

4.4    Op 20 april 2022 heeft klager ermee ingestemd dat de forfaitaire proceskostenvergoeding van € 541,- door het UWV aan verweerder mocht worden overgemaakt. Tijdens de zitting van de raad heeft verweerder toegelicht dat hij die werkzaamheden daarna niet meer aan klager in rekening heeft gebracht, zodat er feitelijk ook geen verrekening met de latere factuur hoefde plaats te vinden.  

4.5    Verweerder heeft al zijn werkzaamheden voor klager verwerkt in de facturen en die ook voldoende gespecificeerd. Klager heeft de facturen ook zonder commentaar grotendeels voldaan. Verweerder wijst naar de hierover met klager uitvoerig gevoerde correspondentie. De facturen zijn ook vooraf in concept aan klager voorgelegd en daarna na zijn instemming aan hem gestuurd. Na de vragen van klager over de specificaties, heeft verweerder hem uitgenodigd voor overleg. Daarop is klager niet ingegaan maar heeft de DAS verder laten reageren. Verweerder heeft daarop op zijn beurt uitgebreid en zorgvuldig schriftelijk gereageerd. 

4.6    Klager heeft de akte van cessie op 30 januari 2024 ondertekend en werd daarbij juist bijgestaan door de opvolgend advocaat. Na controle is verweerder weliswaar gebleken dat hij daarin zeven uur teveel in rekening heeft gebracht voor het vaststellen van de schadeomvang, maar omdat klager met die regeling heeft ingestemd, mag verweerder erop vertrouwen dat de zaak daarmee financieel was afgedaan. 

Klachtonderdeel b)

4.7    Op 5 januari 2024 heeft de opvolgend advocaat van klager aan verweerder gevraagd om toezending van de dossiers. Verweerder betwist dat hij heeft geweigerd om dossiers aan klager over te dragen. Omdat klager niet alle facturen had betaald, heeft klager in overleg met en op advies van zijn opvolgend advocaat een bedrag van € 2.000,- aan verweerder betaald en de akte van cessie ondertekend. Op 5 februari 2024 heeft verweerder daarop aan klager de dossiers overhandigd. Alhoewel hij van plan was om met de deken over de akte van cessie in overleg te treden, heeft hij dat niet gedaan. Klager had daarin immers voldoende bijstand van zijn opvolgend advocaat en wist waarvoor hij had getekend.  

Klachtonderdeel c)

4.8    Volgens verweerder is onjuist dat hij in de diverse zaken maar eenmaal een opdrachtbevestiging aan klager heeft gestuurd. Hij heeft in de ‘zorgplichtzaak’, de overgenomen letselschadezaak, op 2 november 2021 een opdrachtbevestiging gestuurd. Hieruit vloeiden later ook de UWV-zaken en de arbeidszaak voort omdat klager door het letsel in een uitkeringspositie was geraakt. De in die kwesties gemaakte financiële afspraken blijken uit de daarover met klager gevoerde correspondentie, zoals opgenomen onder de feiten hiervoor. In de Chroom6-zaak heeft hij klager op 29 november 2022 een opdrachtbevestiging gestuurd. In de toeslagaffairekwestie vroeg klager hem eind januari 2022 om bijstand. Klager was niet tevreden met het hem toegekende bedrag. Afgesproken was dat verweerder die kwestie tegen een vast bedrag zou uitvoeren. Het was een bewerkelijke zaak waarbij door de inzet van verweerder een aanzienlijk hogere vergoeding aan klager is toegekend. 

4.9    Op 14 december 2021 heeft verweerder aan de verzekeraar geschreven dat partijen nog geen akkoord hadden bereikt. Dat die kwestie daarna wat langer duurde, houdt verband met de omstandigheid dat klager eerst de arbeidskwestie en sociale zekerheidskwesties geregeld wilde hebben. Klager wilde zelf de letselschadezaak zo lang ‘on hold’ zetten. Dat het dossier met de verzekeraar was afgesloten zonder overeenkomst over de schadevergoeding, zoals klager stelt, is aldus onjuist. 

4.10    Verweerder stelt dat hij veelvuldig met klager heeft gesproken over de te nemen (vervolg)stappen in alle zaken en ook over de (financiële) consequenties daarvan voor klager. Vanaf 2021 is klager zeven keer bij verweerder op kantoor geweest. Daarnaast is er veelvuldig telefonisch en mailcontact met elkaar geweest. Verweerder heeft alle procedures pas gestart na verkregen instemming van klager. Ter onderbouwing hiervan verwijst verweerder naar de hierover met klager gevoerde correspondentie, zoals opgenomen onder de feiten hiervoor. 

4.11    Over de verschillende door het kantoor van verweerder gehanteerde uurtarieven - naar gelang de aard van de zaak - is vooraf duidelijk en transparant met klager gecommuniceerd en daarmee heeft klager ingestemd. Verweerder betwist dat hij dubbel heeft gefactureerd en stelt zijn werkzaamheden nauwgezet te hebben gespecificeerd. Ook betwist verweerder dat hij werkzaamheden door anderen tegen zijn uurtarief in rekening heeft gebracht. Verweerder heeft de door klager bedoelde werkzaamheden die op naam van de juriste staan vermeld in het zorgplichtdossier, zelf gedaan. Die uren zijn niet gedeclareerd maar vallen onder de uren die in de akte van cessie zijn vermeld. 

 

5    BEOORDELING

Maatstaf 

5.1    De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan die advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn vanwege het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet. 

5.2    Bij de beantwoording van de vraag of een advocaat zich betamelijk heeft gedragen als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet hanteert de raad als uitgangspunt dat de tuchtrechter mede tot taak heeft de kwaliteit van de dienstverlening te beoordelen als daarover wordt geklaagd. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.

5.3    De gedragsregels, waaronder gedragsregel 16, beogen invulling te geven aan de eisen die mogen worden gesteld aan een goede taakuitoefening door een behoorlijk advocaat. De tuchtrechter toetst aan de norm van artikel 46 van de Advocatenwet en niet aan de gedragsregels, waarbij de gedragsregels overigens zo nodig wel van betekenis kunnen zijn bij bedoelde toets.

5.4    In gedragsregel 16 is beschreven dat een advocaat gehouden is om zijn cliënt op de hoogte te brengen van belangrijke informatie. Ter voorkoming van misverstand, onzekerheid of geschil moet de advocaat die belangrijke informatie en afspraken schriftelijk aan zijn cliënt bevestigen. Daaronder valt ook de verplichting van een advocaat om de verleende opdracht en de in dat kader gemaakte (financiële) afspraken te bevestigen. 

5.5    Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.

Klachtonderdeel a) onzorgvuldig te declareren door (i) een ander uurtarief te hanteren dan afgesproken, (ii) de door het UWV vergoede kosten van € 541,- niet te verrekenen, (iii) bepaalde werkzaamheden meermaals of ten onrechte te factureren, zonder toelichting, en (iv) werkzaamheden van zijn secretaresse of juridisch medewerker tegen het uurtarief van de advocaat in rekening te brengen;

5.6    Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij in de verschillende kwesties uurtarieven met klager heeft afgesproken. Klager heeft dat betwist. Anders dan verweerder is de raad van oordeel dat de volgens hem met klager gemaakte afspraken over verschillende uurtarieven en kantoorkosten niet duidelijk uit de stukken blijken. Dat daarover onduidelijkheid bij klager is ontstaan, kan de raad begrijpen. Verweerder heeft toegelicht dat er nieuwe zaken voortvloeiden uit de letselschadezaak. Voor zover verweerder daarmee heeft willen betogen dat daarmee ook het uurtarief vast stond, valt dat niet te rijmen met de facturen die hij in die andere zaken aan klager heeft gestuurd. Daarbij werden immers andere uurtarieven en andere percentages kantoorkosten gehanteerd. Als verweerder in die nieuwe dossiers had willen afwijken van het uurtarief van € 190,- exclusief 6% kantoorkosten en btw, had hij dat in die nieuwe dossiers schriftelijk uitdrukkelijk moeten vastleggen. Dat was de afspraak die hij maakte in de opdrachtbevestiging van 2 november 2021. Van nieuwe vooraf overeengekomen en vastgelegde uurtarieven is de raad onvoldoende gebleken.

5.7    Ten aanzien van subverwijt (ii) heeft klager tijdens de zitting van de raad toegelicht dat hij ervan uit ging dat de forfaitaire vergoeding van € 541,- door het UWV aan het kantoor van verweerder betaald zou worden en dat verweerder dat bedrag later in die kwestie zou verrekenen. Volgens klager heeft verweerder daarvan niets verrekend in latere facturen. Verweerder heeft tijdens de zitting van de raad gewezen op zijn e-mail van 20 april 2022 waarin hij aan klager heeft voorgesteld dat die vergoeding aan zijn kantoor toe kwam.  Verweerder heeft verder toegelicht dat hij gedane werkzaamheden tot het bedrag van € 541,- daarna niet aan klager in rekening heeft gebracht, zodat daar geen factuur of urenspecificatie van is. Weliswaar heeft klager via de e-mail op 20 april 2022 ingestemd met de door verweerder voorgestelde werkwijze, maar is verweerder daarbij naar het oordeel van de raad niet voldoende duidelijk geweest. Door te schrijven dat genoemd bedrag ‘aan hem toe kwam’ werd verweerder niet ontslagen van de verantwoordelijkheid om daarna aan klager inzichtelijk te maken welke werkzaamheden verweerder met het ontvangen bedrag heeft verrekend. Een dergelijk stuk ontbreekt bij de stukken.

5.8    In subverwijten (iii en iv) stelt klager dat verweerder bepaalde werkzaamheden meermaals (ook in de akte van cessie) of ten onrechte, aan klager heeft gefactureerd, zonder toelichting, en ook werkzaamheden van medewerkers tegen het uurtarief van verweerder in rekening heeft gebracht. Klager heeft zijn verwijten concreet met voorbeelden onderbouwd. Daarover bevraagd tijdens de zitting heeft verweerder daarover naar het oordeel van de raad onvoldoende duidelijkheid verschaft, terwijl dit ook niet uit het verweer van verweerder volgt.

5.9    Op grond van het vorenstaande, in samenhang beschouwd, is de raad van oordeel dat verweerder is tekortgeschoten in zijn zorgplicht door financiële afspraken met klager onvoldoende duidelijk schriftelijk vast te leggen, zoals gedragsregel 16 vereist. Dat wordt hem tuchtrechtelijk verweten. De raad zal klachtonderdeel a) gegrond verklaren.   Klachtonderdeel b) pas na ondertekening van de akte van cessie door klager als dekking voor de kosten van verweerder de dossiers aan de opvolgend advocaat van klager over te dragen, zonder overleg met de deken;  

5.10    Uit de stukken is de raad gebleken dat de opvolgend advocaat van klager op 5 januari 2024 aan verweerder heeft gevraagd om dossieroverdracht en in diezelfde mail heeft voorgesteld dat klager voor nog openstaande facturen een akte van cessie kan ondertekenen. Overeenkomstig de daarna tussen de advocaten gemaakte afspraken heeft klager € 2.000,- aan verweerder betaald en de akte van cessie ondertekend, waarna verweerder op 5 februari 2024 de dossiers aan klager heeft overhandigd. Klager had juridische bijstand ten tijde van de ondertekening van de akte van cessie. Verweerder mocht er daarom naar het oordeel van de raad op vertrouwen dat klager wist waarvoor hij tekende en ook dat klager instemde met het in de akte opgenomen bedrag. Overleg met de deken was in die situatie niet nodig. Dat klager achteraf stelt dat het in de akte van cessie opgenomen bedrag te hoog is, is voor zijn risico. Niet alleen werd hij daarbij door zijn opvolgend advocaat bijgestaan, klager heeft er ook voor gekozen om niet in te gaan op het aanbod van verweerder van 24 januari 2024 om alle facturen met specificaties samen te bespreken. De juistheid van het verdere verwijt van klager dat hij door verweerder onder druk is gezet om de akte van cessie te ondertekenen is, tegenover de betwisting daarvan door verweerder, niet vast te stellen. 

5.11    Op grond van het voorgaande is de raad van oordeel dat niet is gebleken dat verweerder in deze een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Klachtonderdeel b) wordt ongegrond verklaard.

 Klachtonderdeel c)(i) voorafgaand aan zijn werkzaamheden in verschillende zaken slechts één keer een opdrachtbevestiging te sturen, (ii) zonder klagers medeweten procedures te starten en (iii) klager niet, althans onvoldoende, te informeren over de te verwachten kosten en kansen in zijn zaken; 

5.12    Uit de stukken is de raad gebleken dat verweerder in de UWV-zaken en de arbeidszaak geen opdrachtbevestiging aan klager heeft gestuurd. Verweerder is daardoor in zijn zorgplicht richting klager tekortgeschoten. 

5.13    Bij de beoordeling van de verdere verwijten is in het bijzonder gedragsregel 17 van belang. Die gedragsregel bepaalt dat - zakelijk weergeven - een advocaat een redelijk honorarium in rekening moet brengen en vooraf transparant moet zijn over zijn honorarium, de kosten en de wijze van declareren. Daardoor zal de advocaat veelal een inschatting moeten geven van de te verwachten tijdsbesteding en het totaal aan kosten (honorarium). Zodra de advocaat voorziet dat de declaratie aanmerkelijk hoger zal worden dan de aanvankelijk aan de cliënt opgegeven schatting, stelt hij zijn cliënt daarvan op de hoogte. 

5.14    Deze inschatting van verweerder in de zaken van klager over te verwachten kosten en kansen ontbreekt bij de stukken. Het lag op de weg van verweerder als redelijk handelend en redelijk bekwaam advocaat om die belangrijke informatie schriftelijk vast te leggen (gedragsregel 16). Tussentijdse facturen waarin de reeds gemaakte uren helder zijn vermeld, ontbreken eveneens bij de stukken. Dit alles heeft ertoe geleid dat klager in het ongewisse is gebleven over belangrijke financiële informatie, waarover hij wel had moeten kunnen beschikken. Hierin is verweerder tekortgeschoten in zijn zorgplicht.

5.15    Dat verweerder procedures zonder zijn medeweten is gestart, kan de raad, tegenover de met stukken onderbouwde betwisting door verweerder, niet vaststellen, zodat subverwijt (ii) ongegrond wordt verklaard. 

5.16    Nu verweerder ten aanzien van subverwijten (i) en (iii) tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld, worden klachtonderdeel c) in zoverre gegrond verklaard. 

 

6    MAATREGEL 

6.1    Omdat de klacht grotendeels gegrond wordt verklaard, komt aan de orde of aan verweerder een maatregel moet worden opgelegd en zo ja, welke. 

6.2    Verweerder heeft artikel 46 Advocatenwet geschonden door niet voldoende zorg in acht te nemen jegens klager. Verweerder is tekortgeschoten in de communicatie met klager en heeft belangrijke afspraken in de verschillende kwesties onvoldoende schriftelijk vastgelegd. Dit heeft tot financiële perikelen met klager geleid die voorkomen hadden kunnen worden. Doordat verweerder bovendien onregelmatig heeft gedeclareerd was het voor klager onvoldoende inzichtelijk welke werkzaamheden verweerder voor hem deed en in welke kwesties dat was. 

6.3    Deze omstandigheden in combinatie met het tuchtrechtelijk verleden van verweerder, waaronder een deels voorwaardelijke (vier weken) en deels onvoorwaardelijke (twee weken) schorsing en een berisping in 2021, resulteren daarin dat naar het oordeel van de raad aan verweerder opnieuw een deels voorwaardelijke en deels onvoorwaardelijke schorsing moet worden opgelegd als hierna te melden. 

 

7    GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING

7.1    Omdat de raad de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart, moet verweerder op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klager betaalde griffierecht van € 50,- aan hem vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.

7.2    Omdat raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder daarnaast op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:

a)    € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en

b)    € 500,- kosten van de Staat.

7.3    Verweerder moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder a) en b) genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.

 

BESLISSING

De raad van discipline:

-    verklaart klachtonderdelen a), c) sub (i) en sub (iii) gegrond;

-    verklaart klachtonderdelen b) en c) sub (ii) ongegrond;

-    legt aan verweerder de maatregel van schorsing in de praktijkuitoefening voor de duur van zes (6) weken op, waarvan vier (4) weken voorwaardelijk;

-    bepaalt dat de voorwaardelijke maatregel van vier (4) weken niet ten uitvoer zal worden gelegd tenzij de raad van discipline later anders mocht bepalen op de grond dat verweerder een of meer van de navolgende bijzondere of algemene voorwaarden niet heeft nageleefd;

-    stelt als algemene voorwaarde dat verweerder zich binnen de hierna te melden proeftijd niet opnieuw schuldig maakt aan een in artikel 46 Advocatenwet bedoelde gedraging;

-    stelt de proeftijd op een periode van twee jaar, ingaande op de dag dat deze beslissing onherroepelijk wordt;

-    bepaalt dat het onvoorwaardelijk gedeelte (twee (2) weken) van de schorsing ingaat vier weken na het onherroepelijk worden van deze beslissing, met dien verstande dat:

-    de onderhavige schorsing pas ingaat na afloop van eerder onherroepelijk geworden schorsingen, 

-    verschillende op dezelfde dag onherroepelijk geworden schorsingen niet tegelijkertijd maar na elkaar worden tenuitvoergelegd, en dat

-    de onderhavige schorsing niet ten uitvoer zal worden gelegd gedurende de tijd dat verweerder niet op het tableau staat ingeschreven;

-     veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klager;

-     veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3.

 

Aldus beslist door mr. S.C. Hagedoorn, voorzitter, mrs. P. Rijnsburger en L.S. Wachters, leden, bijgestaan door mr. M.M. Goldhoorn als griffier en uitgesproken in het openbaar op 18 mei 2026. 

Griffier    Voorzitter

  Verzonden op : 18 mei 2026