Rechtspraak
Uitspraakdatum
12-05-2026
ECLI
ECLI:NL:TADRARL:2026:118
Zaaknummer
26-132/AL/NN
Inhoudsindicatie
Voorzittersbeslissing. De voorzitter verklaart een klacht over een deken kennelijk ongegrond.
Uitspraak
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden van 12 mei 2026 in de zaak 26-132/AL/NN naar aanleiding van de klacht van:
klager
over
verweerder
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief met bijlagen volgens de inventarislijst van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Noord-Nederland (hierna: de deken) van 19 februari 2026 met kenmerk 2525151.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.
1.1 Klager heeft bij de voorganger van verweerder, de voormalig deken in het arrondissement Rotterdam, een klacht ingediend tegen mr. T, die voor klager optrad in een huurgeschil. Op 16 september 2024 heeft de raad van discipline de klacht van klager tegen mr. T deels gegrond verklaard.
1.2 Op 14 oktober 2024 heeft klager door middel van een webformulier om aanwijzing van een advocaat ex artikel 13 Advocatenwet verzocht. Dat verzoek luidt onder meer als volgt:Het gaat om het op hoge beroep te gaan tegen beslissing van de rad van Discipline in het ressort Den Haag, aansprakelijkstelling van ex-advocaat voor schade vergoeding. Op de vraag of er sprake was van spoed, heeft klager geantwoord: “Ja Zittingsdatum 16-10-2024".
1.3 Verweerder heeft dit verzoek in een e-mail van 15 oktober 2024 afgewezen.
1.4 Op 2 mei 2025 heeft het hof van discipline de beslissing van de raad van discipline in de klachtzaak van klager tegen mr. T bekrachtigd.
1.5 In een e-mail van 5 juni 2025 heeft klager aan verweerder wederom verzocht om de aanwijzing van een advocaat op grond van artikel 13 Advocatenwet om:
A. in de zaak met uitspraaknummer 240289 van het hof van discipline om mr. T aansprakelijk te stellen.
B. de oorspronkelijke huurrechtzaak van mr. T over te nemen.
1.6 Vervolgens heeft er correspondentie plaatsgevonden tussen klager en het ordebureau over – kort gezegd - de wijze waarop klager dit verzoek moest indienen.
1.7 In een e-mail van 11 juli 2025 heeft verweerder het verzoek tot aanwijzing afgewezen. Klager is er daarbij op gewezen dat hij tegen deze beslissing in beklag kon bij het hof van discipline.
1.8 In een e-mail van 16 juli 2025 heeft klager verzocht om het verzoek zorgvuldiger te bekijken.
1.9 Op 22 juli 2025 heeft verweerder aan klager geschreven dat het verzoek van klager op 11 juli 2025 is afgewezen en dat dat betekent dat hij geen advocaat kan aanwijzen. Daarbij is klager nogmaals gewezen op de mogelijkheid van beklag.
1.10 Op 20 augustus 2025 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerder.
2 KLACHT
De klacht houdt in, zakelijk weergegeven, dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door nodeloos oponthoud te creëren waardoor klager zijn recht op toegang tot rechtsbijstand niet kon effectueren.
3 VERWEER
Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
4.1 De voorzitter neemt als uitgangspunt dat het in de artikelen 46 en volgende van de Advocatenwet geregelde tuchtrecht betrekking heeft op het handelen en nalaten van advocaten als zodanig en beoogt een behoorlijke beroepsuitoefening te waarborgen. Maar ook wanneer een advocaat optreedt in een andere hoedanigheid dan die van advocaat, bijvoorbeeld als deken, blijft voor hem het advocatentuchtrecht gelden. Als hij zich bij de vervulling van die andere functie zodanig gedraagt dat daardoor het vertrouwen in de advocatuur wordt geschaad, zal in het algemeen sprake zijn van handelen of nalaten in strijd met hetgeen een behoorlijk advocaat betaamt waarvan hem een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.
4.2 De klacht van klager ziet op het handelen van verweerder in het kader van een verzoek van klager tot een aanwijzing van een advocaat. Klager is het niet eens met de inhoud van de afwijzing van het verzoek en klager stelt dat verweerder nodeloos oponthoud heeft gecreëerd waardoor klager zijn recht op toegang tot rechtsbijstand niet kon effectueren.
4.3 De voorzitter overweegt dat artikel 13, derde lid, van de Advocatenwet bepaalt dat een belanghebbende na een afwijzing van het verzoek om een advocaat aan te wijzen, beklag kan doen bij het hof van discipline. Klager heeft van die mogelijkheid ook gebruik gemaakt. De vraag of verweerder inhoudelijk juist heeft gehandeld is op grond van deze bepaling voorbehouden aan het hof van discipline. In deze tuchtprocedure is alleen de vraag nog aan de orde of verweerder - los van zijn inhoudelijke beslissing - door zijn optreden het vertrouwen in de advocatuur heeft geschaad.
4.4 De voorzitter beantwoordt die vraag ontkennend. Uit de correspondentie tussen klager en het ordebureau over de verzoeken van klager tot het aanwijzen van een advocaat, blijkt niet dat verweerder de zaak onnodig heeft vertraagd. Ook verder bevat het klachtdossier geen aanwijzingen dat verweerder met zijn handelen of nalaten het vertrouwen in de advocatuur heeft geschaad. Dat betekent dat niet is gebleken dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. De klacht wordt daarom kennelijk ongegrond verklaard.
BESLISSING
De voorzitter verklaart:
de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.
Aldus beslist door mr. F.M.C. Boesberg, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. W.B. Kok als griffier en uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2026
Griffier Voorzitter
Verzonden op : 12 mei 2026
