Rechtspraak
Uitspraakdatum
04-05-2026
ECLI
ECLI:NL:TAHVD:2026:130
Zaaknummer
250211D
Inhoudsindicatie
Dekenbezwaar. Er bestaan voldoende aanknopingspunten tussen het beroep van verweerder als advocaat en zijn doen en laten als bestuurder van onder meer een stichting voor een tuchtrechtelijke beoordeling. Verweerder had een persoonlijk belang bij zijn optreden als advocaat voor de stichting en deze “dubbele pet” heeft de onafhankelijkheid verweerder als advocaat aangetast. De belangen van de stichting kwamen niet (steeds) overeen met de belangen van verweerder als bestuurder en in privé. Door het aangaan van een A-B-C-transactie heeft verweerder zijn persoonlijke belang laten prevaleren boven het belang van de stichting. Ook uit een uitspraak van het gerechtshof blijkt dat verweerder zichzelf met die transactie financieel heeft willen bevoordelen. Verweerder heeft ook niet voldaan aan zijn wettelijke verplichtingen als bestuurder door geen deugdelijke administratie te voeren. Het hof bekrachtigt de beslissing van de raad. Nu verweerder niet of nauwelijks inzicht heeft getoond in de ernst van zijn handelen en ook overigens geen blijk heeft gegeven van enige zelfreflectie, verzwaart het hof de door de raad opgelegde maatregel tot een onvoorwaardelijke schorsing van 13 weken.
Uitspraak
Beslissing van 1 mei 2026
in de zaak 250211D
naar aanleiding van het hoger beroep van:
verweerder
gemachtigde: mr. D.A. Beck
tegen
deken
1 INLEIDING
1.1 De Raad van Discipline in het ressort Den Haag (hierna: de raad) heeft op het dekenbezwaar tegen verweerder overwogen dat er voldoende aanknopingspunten bestaan tussen het beroep van verweerder als advocaat en zijn doen en laten als bestuurder van onder meer een stichting om verweerders handelwijze tuchtrechtelijk te beoordelen. De raad heeft geoordeeld dat verweerder een persoonlijk belang had bij zijn optreden als advocaat voor de stichting en dat een dergelijke “dubbele pet” de onafhankelijkheid van een advocaat aantast, nu de belangen van de stichting niet (steeds) overeenkwamen met de belangen van verweerder als bestuurder en in privé. Ook de kernwaarde integriteit is volgens de raad geschonden, nu uit een uitspraak van het gerechtshof blijkt dat verweerder zichzelf met een A-B-C-transactie financieel heeft willen bevoordelen en dat verweerder niet heeft voldaan aan zijn wettelijke verplichtingen als bestuurder door - onder meer - geldstromen niet inzichtelijk te maken en geen deugdelijke administratie te voeren. Verweerder is van de uitspraak van de raad in hoger beroep gekomen. Het hof bekrachtigt de beslissing van de raad en verzwaart de opgelegde maatregel tot een onvoorwaardelijke schorsing van 13 weken.
1.2 Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom verweerder in beroep is gekomen en hoe het hof daarover oordeelt.
2 DE PROCEDURE
Bij de raad van discipline
2.1 De raad heeft in de zaak tussen de deken en verweerder (zaaknummer: 22-1007/DH/DH) een beslissing gegeven op 19 mei 2025. In deze beslissing is het dekenbezwaar gegrond verklaard. Aan verweerder is de maatregel van onvoorwaardelijke schorsing voor de duur van acht weken opgelegd. Verder is verweerder veroordeeld tot betaling van de proceskosten.
2.2 Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRSGR:2025:100 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.
Bij het hof van discipline
2.3 Het beroepschrift van verweerder tegen de beslissing is op 4 juni 2025 ontvangen door de griffie van het hof.
2.4 Verder bevat het dossier van het hof:
- de stukken van de raad;
- het verweerschrift van de deken.
2.5 Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 6 maart 2026. Daar zijn verweerder met zijn gemachtigde en de deken met stafjurist mr. J.M.C. ten Hoope verschenen. Partijen hebben hun standpunt toegelicht, verweerder aan de hand van spreekaantekeningen, die onderdeel uitmaken van het dossier van het hof.
3 FEITEN
Het hof stelt de volgende feiten vast.
3.1 In 1974 heeft verweerder, samen met anderen, de Stichting Kasteel O (‘de oude Stichting’) opgericht. Verweerder is daarvan sinds de oprichting bestuurder.
3.2 Het voornaamste statutaire doel van de oude Stichting was ‘het bevorderen van de instandhouding van het kasteel [O] (hierna: het Kasteel) als kultuurmonument’. Om dit doel te kunnen verwezenlijken heeft verweerder in 1974 de B.V. Exploitatie Kasteel O (‘de Exploitatie BV’) opgericht. Verweerder is sinds de oprichting enig bestuurder van deze vennootschap.
3.3 De activiteiten van de Exploitatie BV kunnen in hoofdzaak worden omschreven als het organiseren van evenementen en het aanbieden van maaltijd- en andere (facilitaire) diensten in het bijzonder ten behoeve van de bewoners van het park O (‘het Park’). Het was de bedoeling dat het Kasteel, dat een openbare horecabestemming had, ook maaltijden zou gaan leveren aan de parkflat-bewoners op het Park.
3.4 In de periode 1975-1977 heeft verweerder een aanzienlijke lening verstrekt aan de oude Stichting om het Kasteel geschikt te maken voor de hiervoor genoemde dienstverlening.
3.5 Het Kasteel is gelegen op landgoed Park O. Sinds 1978 bevinden zich op dat landgoed vier appartementsgebouwen met 60 appartementen en een parkeerterrein. Na realisatie daarvan bleek dat de bewoners geen gebruik maakten van de maaltijdservice van het Kasteel. De voorziene vaste inkomsten zijn daarom uitgebleven, met als gevolg dat de oude Stichting niet in staat was de in 3.4 genoemde lening aan verweerder terug te betalen.
3.6 In mei 1979 heeft de oude Stichting het Kasteel in eigendom verkregen.
3.7 Op 30 juni 1983 is in een notariële akte vastgelegd dat de oude Stichting fl. 450.000,- verschuldigd is aan verweerder, waarbij onder meer de volgende voorwaarden gelden:
- er zijn geen periodieke aflossingen verschuldigd;
- de oude Stichting zal de hoofdsom (gedeeltelijk) aflossen zodra zij daartoe in staat is;
- de oude Stichting is een rente verschuldigd van 10% per jaar;
- de oude Stichting is op eerste verzoek van verweerder verplicht om hypotheek te verstrekken op onroerende goederen van de oude Stichting.
3.8 Verweerder heeft op 7 oktober 1987 Monumentenstichting Kasteel O (“MKO”) opgericht. Het doel van MKO is volgens de statuten - kort gezegd - de instandhouding van monumenten, beschermd op grond van de Monumentenwet 1988 (in feite: de instandhouding van het Kasteel). Op grond van de statuten van MKO bestaat het bestuur uit ten hoogste drie leden. Tot 22 augustus 2019 zat verweerder samen met anderen in het bestuur van MKO. Van 22 augustus 2019 tot 27 augustus 2021 was verweerder enig bestuurder.
3.9 Op 23 november 1987 heeft MKO het Kasteel voor fl. 1,- overgenomen van de oude Stichting. Hierbij gold als voorwaarde dat de schuld die de oude Stichting had aan verweerder uit hoofde van de uitgeleende gelden ook werd overgenomen. Een en ander is in een notariële akte ‘hoofdelijke aansprakelijkstelling’ geformaliseerd. Die akte is opgemaakt tussen MKO (vertegenwoordigd door een driekoppig bestuur, waaronder verweerder) als hoofdelijk medeschuldenaar enerzijds en verweerder als schuldeiser anderzijds.
3.10 MKO vormde vervolgens samen met de bewoners van het flatpark de VvE ‘Park O’. De verstandhouding tussen MKO en de parkflat-bewoners liet te wensen over, hetgeen vanaf 2005 heeft geleid tot een aanzienlijk aantal gerechtelijke procedures. Verweerder behartigde in die procedures als advocaat(-gemachtigde) de belangen van MKO. Het ging hierbij om civiele procedures tegen zowel de VVE als ook tegen individuele parkflat-bewoners, maar ook om bestuursrechtelijke procedures in het kader van vergunningaanvragen. Ook is verweerder opgetreden als gemachtigde van MKO in meerdere Wet Bibob/Wet Woo-procedures tegen de gemeente.
3.11 MKO is op 13 oktober 2009 ook eigenaar geworden van het parkeerterrein op het landgoed. De koopsom bedroeg € 15.000,-. Dit bedrag is door verweerder gefinancierd.
3.12 Op 20 december 2011 is MKO – daarbij vertegenwoordigd door verweerder en een ander toenmalig bestuurslid – een koopoptieovereenkomst aangegaan met verweerder. Op grond van deze koopoptieovereenkomst kreeg verweerder het recht om het Kasteel te kopen tegen de WOZ-waarde. De koopoptie is voor onbepaalde tijd aangegaan en was niet opzegbaar voor 1 januari 2017. In de considerans van de overeenkomst staat – zakelijk weergegeven - vermeld dat MKO door het wegvallen van inkomsten niet (meer) beschikt over de middelen om het Kasteel te restaureren.
3.13 Op 19 mei 2017 heeft MKO de eigendom van het parkeerterrein voor € 15.000,- overgedragen aan verweerder.
3.14 Op 14 juli 2021 zijn MKOW en verweerder als verkopers en CRE B.V. (‘CRE’) als koper een overeenkomst aangegaan op grond waarvan CRE het Kasteel, de zich in het Kasteel bevindende inventaris en het parkeerterrein heeft gekocht voor € 3.500.000,- (‘de B-C-transactie’). MKO werd hierbij vertegenwoordigd door verweerder, die op dat moment enig bestuurder was van MKO. De overeenkomst is aangegaan onder de ontbindende voorwaarde dat CRE voor 31 december 2022 een omgevingsvergunning zou krijgen voor de beoogde herontwikkeling van het Kasteel tot zorg- en/of seniorenappartementen.
3.15 Op 25 augustus 2021 is het Kasteel door MKO overgedragen aan verweerder voor een koopsom van € 825.000,- (‘de A-B-transactie’, gezamenlijk met de B-C-transactie hierna aangeduid als ‘de A-B-C-transactie’). De WOZ-waarde bedroeg op dat moment € 824.000,- De koopsom is niet daadwerkelijk betaald. MKO heeft in plaats daarvan aan verweerder een aflossingsvrije lening verstrekt van € 825.000,- voor de duur van vijf jaar, tegen 3% rente, waar tegenover verweerder op 25 augustus 2021 een eerste recht van hypotheek aan MKO op het Kasteel heeft verleend.
3.16 Zowel bij de notariële akte van levering van het Kasteel, als bij de notariële akte waarbij het hypotheekrecht is gevestigd, heeft verweerder gehandeld in de hoedanigheid van privépersoon én als enig bestuurder van MKO.
3.17 Daags na de overdracht van het Kasteel aan verweerder heeft verweerder de heer Van H, die een persoonlijke kennis van hem is, als bestuurder van MKO benoemd me t ingang van 27 augustus 2021. Van H was op 11 november 1987 al toegetreden tot het bestuur van de oude Stichting.
3.18 De koopovereenkomst betreffende de B-C-transactie is op 26 oktober 2021 ingeschreven in het Kadaster. Uit de akte van inschrijving blijkt dat verweerder als enig verkoper van het Kasteel c.a. optrad.
3.19 Het Openbaar Ministerie heeft bij verzoekschrift van 19 januari 2022 de rechtbank verzocht om - samengevat - verweerder en Van H te ontslaan als bestuurders van MKO en hen bij wijze van voorlopige voorziening te schorsen als bestuurders en een tijdelijk bestuurder te benoemen.
3.20 De rechtbank heeft bij beschikking van 21 januari 2022 de verzochte voorlopige voorzieningen toegewezen en de tijdelijk bestuurder daarbij (onder meer) als opdracht gegeven “een onderzoek in te stellen naar het beleid en de gang van zaken van [MKO] en daarvan schriftelijk verslag op te stellen”.
3.21 Op 27 januari 2022 heeft de tijdelijk bestuurder aan verweerder en Van H laten weten de koopovereenkomst betreffende de A-B-transactie te vernietigen op grond van artikel 2:7 juncto 3:49 BW.
3.22 Verweerder heeft op verzoek van MKO op 18 februari 2022 een verklaring van waardeloosheid ondertekend ten aanzien van de akte van 19 mei 2017, de akten van 25 augustus 2021 en de inschrijving van de koopovereenkomst betreffende de B-C-transactie. Uiteindelijk is MKO in het Kadaster wederom geregistreerd als eigenaar van het Kasteel en het parkeerterrein.
3.23 Bij beschikking van 25 oktober 2022 heeft de rechtbank verweerder en Van H. ontslagen als bestuurders van MKO en in hun plaats de tijdelijk bestuurder benoemd als bestuurder.
3.24 Verweerder en Van H zijn in hoger beroep gegaan tegen deze beschikking. Bij beschikking van 19 december 2023 heeft het gerechtshof Den Haag de beschikking van de rechtbank van 25 oktober 2022 bekrachtigd. Daartoe is ten aanzien van verweerder - voor zover van belang - overwogen:
“6.6 Het OM heeft aan zijn verzoek tot ontslag, voor zover gericht tegen [verweerder], onder meer ten grondslag gelegd dat [verweerder] zijn taak als bestuurder heeft verwaarloosd door geen deugdelijke administratie bij te houden en dat hij door middel van de A-B-C transactie MKO ernstig heeft benadeeld en daarmee zowel de wet als de statuten van MKO heeft overtreden.
6.7 [Verweerder] c.s. hebben aangevoerd dat [verweerder] MKO niet heeft benadeeld en dat er bij de beoordeling van een ontslagverzoek op grond van artikel 2:298 BW niet alleen moet worden gekeken naar het administratieve beheer of de feitelijke constatering dat er in strijd is gehandeld met de wet en/of de statuten. Er moet in de visie van [verweerder] c.s. ook aandacht worden besteed aan het feitelijk beheer van het Kasteel, in het bijzonder het in stand houden van het rijksmonument. Dat heeft de rechtbank volgens [verweerder] c.s. niet gedaan (…). [Verweerder] c.s. hebben op dit punt aangevoerd dat [verweerder] door jarenlang zijn vorderingen op MKO niet te innen, het mogelijk heeft gemaakt dat het Kasteel al die jaren werd onderhouden, dat hij ervoor heeft gezorgd dat er subsidie is verkregen om de buitenkant van het Kasteel te restaureren, en dat hij in CRE een koper heeft gevonden die bereid was het interieur voor 4 tot 5 miljoen euro te restaureren.
6.8 Het hof overweegt dat uit hetgeen door [verweerder] c.s. in deze procedure naar voren is gebracht blijkt dat [verweerder] zich vele jaren op verscheidene fronten heeft ingezet voor het (behoud van het) Kasteel. Dit laat evenwel onverlet dat een verzoek tot ontslag van hem als bestuurder moet worden toegewezen als blijkt dat voldaan is aan een of meerdere van de in artikel 2:298 lid I BW genoemde gronden. Daarvan is naar het oordeel van het hof in dit geval sprake.
6.9 In de eerste plaats heeft [verweerder] zijn taak als bestuurder verwaarloosd door het aangaan en realiseren van de A-B-C transactie. Daarbij is relevant dat er sprake was van een tegenstrijdig belang en dat de verkoop van het Kasteel op de wijze overeengekomen in de A-B-C transactie niet in het belang van MKO was. Het hof licht dit toe.
6.10 Gezien de omstandigheden dat [verweerder] enig bestuurder was van MKO, het Kasteel (eerst) aan zichzelf wilde overdragen, en dat hij van MKO een bedrag van - naar eigen zeggen - meer dan € 7 miljoen te vorderen had, mocht [verweerder] zich niet in staat achten het belang van MKO bij verkoop van het Kasteel, met de vereiste objectiviteit en integriteit te behartigen. [Verweerder] mocht een dergelijk besluit ook op grond van de wet (artikel 2:291 lid 6 BW) niet nemen zonder schriftelijke vastlegging van de overwegingen die aan het besluit ten grondslag lagen, hetgeen hij niet gedaan heeft (nog los van het feit dat de verkoop van het Kasteel op grond van artikel 2:291 lid 2 überhaupt niet geoorloofd was).
6.11 Daarnaast geldt dat, wat er ook zij van de vraag of een verkoop van het Kasteel aan CRE in het belang van MKO was, de A-B transactie dat in elk geval niet was. Het verschil tussen de verschuldigde koopprijs voor het Kasteel in de A-B transactie en een directe verkoop aan CRE zou volgens het OM € 2.650.000,- hebben bedragen. [Verweerder] c.s. hebben dat niet betwist. Indien de A-B-C transactie doorgang zouden hebben gevonden, was dat bedrag aan [verweerder] toegekomen, ten koste van MKO. (…) Bij directe verkoop had MKOW immers voor het Kasteel een aanmerkelijk hoger bedrag ontvangen en kon zij daaruit de (gestelde) vorderingen van [verweerder] uit hoofde van de Lening en de rekening-courant verhouding gedeeltelijk terugbetalen. Na uitvoering van de A-B-C transactie zou MKO slechts een vordering op [verweerder] van € 825.000,- hebben gekregen, die [verweerder] ook nog kon verrekenen met de aan hem verschuldigde bedragen. Ook indien [verweerder] aan MKO een rente van - volgens [verweerder] - € 75.000,- over de geleende aankoopsom verschuldigd zou zijn, zou de restschuld aan verweerder veel hoger zijn geweest dan bij een directe verkoop. Dit leidt ertoe dat de indirecte verkoop in het nadeel van MKO was. Dat MKO niet in staat was al haar schulden te voldoen, maakt dat niet anders.
6.12 Daarbij is er sprake van aanmerkelijk voordeel voor [verweerder]: door het Kasteel voor € 825.000,- te kopen en, met het Parkeerterrein en de inventaris, voor € 3.500.000,- te verkopen, zou hij, naar hij niet of onvoldoende heeft betwist, € 2.650.000,- hebben verdiend en daarnaast het aankoopbedrag hebben kunnen verrekenen met zijn (gestelde) vorderingen uit hoofde van de rekening-courant verhouding en de Lening. [Verweerder] heeft steeds verklaard dat het verkrijgen van extra zekerheid voor de gedeeltelijke terugbetaling van zijn vorderingen op MKO een van de redenen was voor de A-B-C transactie.
6.13 Voor de volledigheid merkt het hof op dat ook indien het standpunt van het OM dat de Lening niet opeisbaar is wordt gevolgd, de A-B-C transactie niet in het belang van MKO is geweest. Dan zou [verweerder] immers, ten koste van MKO, € 2.650.000,- hebben overgehouden aan die transactie.
6.14 De stelling van [verweerder] c.s. dat door de onvoorwaardelijke aankoop van het Kasteel door hen, het risico van de verkoop onder ontbindende voorwaarden aan CRE geheel bij verweerder is komen te liggen, maakt het bovenstaande niet anders. Dat het volgens verweerder daaruit voortvloeiende voordeel voor MKO, namelijk dat - totdat de verkoop onvoorwaardelijk zou zijn geworden - de financiële verplichtingen zoals de opstalverzekeringen en de aanslag OZB door zouden zijn gelopen, opweegt tegen het hiervoor vastgestelde nadeel voor MKO, is niet gebleken. Bovendien doet het aan het tegenstrijdig belang niet af.
6.15 De tweede - naast de in 6.12 genoemde extra zekerheid voor terugbetaling van zijn vorderingen - door [verweerder] aangevoerde reden voor het aangaan van de A-B transactie rechtvaardigt die evenmin. Wat er ook zij van de door hem gestelde pogingen van derden om hem weg te krijgen als bestuurder van MKO, niet is gebleken dat zijn aanblijven noodzakelijk was en het belang van MKO niet net zo zeer, of mogelijk beter, zou zijn gediend bij een of meer andere bestuurders.
6.16 [Verweerder] heeft nog aangevoerd dat hij heeft vertrouwd op de notarissen, die de betreffende akten in de A-B-C transactie hebben gepasseerd. Het hof oordeelt dat enig onjuist handelen van die notarissen [verweerder] niet ontslaat van zijn verplichtingen als bestuurder. Van een bestuurder mag worden verwacht dat hij bekend is met de statuten en de relevante wetgeving. Dit geldt terneer indien de bestuurder, zoals [verweerder], advocaat is.
6.17 Ten tweede heeft [verweerder] zijn taak als bestuurder verwaarloosd en in strijd met artikel 2:10 BW gehandeld door geen behoorlijke administratie te voeren. De constateringen van [U.], opgenomen in het Verslag, dat de onderbouwing van de rekening-courantverhouding tussen MKO en [verweerder] en de balans en winst en verliesrekening over de jaren 2020 en 2021 ontbreken, en dat de vordering uit hoofde van de Lening niet in de jaarrekeningen is opgenomen, heeft hij niet betwist. Ook, of zelfs juist, indien - zoals [verweerder] c.s. stellen - de administratie uiterst simpel was, doet dat niet af aan de verwaarlozing van hun taken als bestuurders. Artikel 2:10 BW vereist immers dat een zodanig administratie wordt gevoerd dat te allen tijde de rechten en verplichtingen van de rechtspersoon kunnen worden gekend. Daarvan was geen sprake over de jaren 2020 en 2021. Anders dan [verweerder] c.s. lijken te stellen, wordt die verwaarlozing ook niet hersteld door het feit dat [U.] bij de uitvoering van zijn onderzoek niet heeft gevraagd naar bepaalde stukken.
6.18 Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de gestelde vordering in rekening-courant aanzienlijk is (volgens [verweerder] c.s. beloopt deze bijna € 100.000). Doordat de (gestelde) vordering uit hoofde van de Lening, zeker nu die was opgelopen tot meer dan € 7,7 miljoen, niet in de jaarrekeningen was opgenomen, is daarin een zeer vertekend beeld gegeven van de vermogenspositie van MKO. De verklaring van [verweerder], dat de vordering niet in de boeken van MKO is opgenomen omdat hij de notariële akte waaruit de vordering volgt, niet aan de administrateur van MKO kon tonen, is geen rechtvaardiging. Zoals [verweerder] op de zitting in hoger beroep heeft bevestigd, had hij te allen tijde een afschrift van die akte bij de notaris kunnen opvragen.”
4 DEKENBEZWAAR
Het dekenbezwaar houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder als bestuurder van de oude Stichting en van MKO heeft gehandeld in strijd met hetgeen een behoorlijk advocaat betaamt. Hij heeft zijn taak als bestuurder niet naar behoren uitgeoefend. Zo heeft hij zijn privébelang gediend in plaats van het belang van MKO en heeft hij een “dubbele pet” opgehad waardoor hij onvoldoende distantie tot MKO kon hebben. Verweerder heeft daarmee gehandeld in strijd met de kernwaarden (financiële) integriteit (artikel 10a lid 1 sub d Advocatenwet) en onafhankelijkheid (artikel 10a lid 1 sub a Advocatenwet).
5 BEOORDELING RAAD
5.1 De raad heeft overwogen dat het tuchtrecht is bedoeld om te waarborgen dat advocaten hun beroep behoorlijk uitoefenen. Het tuchtrecht kan ook gelden als een advocaat niet optreedt als advocaat. De raad ziet in deze zaak voldoende aanknopingspunten tussen het beroep van verweerder als advocaat en zijn doen en laten als bestuurder van - in ieder geval - MKO. Niet alleen stond hij MKO jarenlang in diverse procedures bij als advocaat en is hij naar buiten toe als haar advocaat-gemachtigde opgetreden, ook heeft hij ter zitting verklaard dat MKO al enige tijd zijn enige cliënte is en hij geen andere cliënten heeft.
5.2 De raad volgt de deken in de stelling dat de kernwaarde onafhankelijkheid door verweerder is geschonden. Verweerder was bestuurder van MKO, vanaf 2019 zelfs geruime tijd enig bestuurder. Verweerder heeft geen stappen ondernomen om tot benoeming van - ten opzichte van hem onafhankelijke - personen in het bestuur van MKO te komen. Daarnaast is hij sinds 2005 als advocaat en/of gemachtigde voor MKO opgetreden. Dat hij hiervoor nooit advocaatkosten in rekening heeft gebracht, is niet relevant. Wel relevant is dat hij als bestuurder van MKO een belang had bij het effect van zijn eigen optreden als advocaat. Daarbij komt dat verweerder vanwege de in privé gedane geldlening een aanzienlijke vordering had op de oude Stichting en - vervolgens - op MKO. Hiermee had verweerder een persoonlijk belang bij zijn optreden als advocaat voor MKO. Een dergelijke “dubbele pet” tast de onafhankelijkheid van een advocaat aan, nu verondersteld kan worden dat de belangen van MKO niet (steeds) overeenkwamen met de belangen van verweerder als bestuurder en in privé. Verweerder heeft zich hiervan geen rekenschap gegeven. De raad ziet zich bevestigd in het oordeel van het gerechtshof van 19 december 2023, waarbij is overwogen dat verweerder bij het aangaan van de A-B-C transactie zijn eigen belang voorop heeft gesteld in plaats van het belang van MKO.
5.3 Ook de kernwaarde integriteit is naar het oordeel van de raad geschonden, waarbij de overwegingen van het gerechtshof in de beschikking van 19 december 2023 volgens de raad wat dat betreft voor zich spreken. Het gerechtshof heeft geoordeeld - kort gezegd - dat verweerder zichzelf met de A-B-C-transactie financieel bevoordeeld heeft en dat verweerder niet heeft voldaan aan zijn wettelijke verplichtingen als bestuurder door - onder meer - geldstromen niet inzichtelijk te maken en geen deugdelijke administratie te voeren. Het door verweerder in de klachtprocedure gevoerde verweer leidt niet tot een ander oordeel, nu dat verweer niet met bescheiden is onderbouwd terwijl dat wel op verweerders weg had gelegen.
5.4 Met betrekking tot de maatregel (schorsing voor de duur van acht weken) heeft de raad het volgende overwogen. Door als advocaat op te treden voor MKO, terwijl hij bestuurder was van MKO en in privé een forse lening aan MKO had openstaan, heeft verweerder gehandeld in strijd met de kernwaarde onafhankelijkheid. Door zijn betrokkenheid bij de verkoop van het Kasteel heeft verweerder daarnaast zijn eigen belang vooropgesteld en niet het belang van MKO, waarmee de kernwaarde integriteit is geschonden. Door de A-B-C-constructie werd immers bewerkstelligd dat zijn aanzienlijke vordering op MKO - die wegens gebrek aan inkomsten al jarenlang oninbaar was - zou worden voldaan. Verweerder had zich minst genomen toetsbaar moeten opstellen door zich over de beoogde constructie en gevolgen daarvan te laten adviseren door een onafhankelijke derde. Bovendien staat in rechte onherroepelijk vast dat verweerder als bestuurder onbehoorlijk heeft gehandeld door geen deugdelijke administratie te voeren.
6 BEROEPSGRONDEN EN VERWEER
Beroepsgronden verweerder
6.1 Verweerder verzoekt het hof primair het dekenbezwaar ongegrond te verklaren en subsidiair om de opgelegde maatregel te matigen. Hij heeft daarbij de volgende beroepsgronden aangevoerd:
1. Er is geen sprake van ‘voldoende aanknopingspunten’ met de advocatuur, omdat het handelen van verweerder als bestuurder van MKO in geen enkel opzicht een relatie had met de uitoefening van het beroep als advocaat door verweerder.
2. Er is geen sprake van strijd met de kernwaarde onafhankelijkheid. De hoedanigheden van advocaat van MKO en (enig) bestuurslid van MKO vielen wel samen in zijn persoon, maar de juridische advisering was beperkt tot het belang van MKO als rechtspersoon, waarbij geen enkel persoonlijk belang van verweerder speelde. Ten onrechte heeft de raad geen acht geslagen op het feit dat verweerder geen enkele persoonlijke bevoordeling heeft genoten en gedurende 17 jaar kosteloos ten behoeve van MKO procedures heeft moeten voeren. Verweerder heeft zelfs alle kostenveroordelingen en verbeurde dwangsommen aan MKO gelaten. Het steekt verweerder dat de raad dit met een enkel zinnetje als irrelevant afdoet. Van afhankelijkheid of een belangenverstrengeling is feitelijk niets gebleken. Verweerder moest natuurlijk formeel als advocaat optreden, wilde hij MKO verdedigen tegen de onophoudelijke aanvallen. De overwegingen van de raad zien alle bij uitsluiting op het handelen van verweerder als bestuurder. In 2014 heeft de toenmalige deken na een boekenonderzoek niet kunnen vaststellen dat verweerder in strijd handelde met de gedragsregels. De situatie is nadien niet anders geweest.
3. Er is geen strijd met de kernwaarde (financiële) integriteit. Winstbejag is niet het motief geweest voor de A-B-C-transactie. Het was uitsluitend de volstrekt onjuiste gedachte dat verweerder hierdoor verlost zou zijn van het streven om hem uit het bestuur van MKO te werken. Welbeschouwd zou de transactie helemaal niet zo onvoordelig voor MKO zijn geweest. Verweerder zou nooit ontvangen wat hij van MKO te vorderen heeft. De hoedanigheid van advocaat heeft bij deze transactie ook geen enkele rol gespeeld. De civiele uitspraak van het gerechtshof volstaat niet om tuchtrechtelijke schending van kernwaarden aan te nemen. Dat MKO geen administratie zou hebben gevoerd, is feitelijk onjuist. Er hoeft slechts een beperkte administratie te worden bijgehouden en dat heeft verweerder altijd gedaan. Verweerders eigen aanzienlijke vordering op MKO was niet in de cijfers opgenomen, omdat verweerder het bewijsstuk daarvoor (oorspronkelijk) niet kon tonen en hij dat ook niet bij een (opvolgend) notariskantoor kon opvragen. Er waren geen ‘geldstromen inzichtelijk te maken’.
4. Alle concrete omstandigheden van het geval moeten in aanmerking worden genomen. De raad heeft ten onrechte de weergave van het verweer van verweerder in het citaat van de overwegingen van het gerechtshof (r.o. 6.7) weggelaten. Dat verweer is van belang omdat het gaat over verweerders langjarige zorg voor het welzijn van het kasteel en over de (erkenning door het gerechtshof in r.o. 6.8 van) de inzet van verweerder voor het (behoud van) het kasteel. Het gerechtshof kon geen afweging van omstandigheden maken, maar de tuchtechter kan dat wel. De raad heeft met deze omstandigheden ten onrechte geen rekening gehouden.
Verweer deken
6.2 De deken heeft gemotiveerd verweer gevoerd in beroep. Waar dat relevant is, bespreekt het hof dit bij de beoordeling van het beroep.
7 BEOORDELING HOF
Maatstaf
7.1 De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn, gezien ook het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.
7.2 Ook wanneer een advocaat optreedt in een andere hoedanigheid, bijvoorbeeld in privé, kan voor hem het advocatentuchtrecht blijven gelden. Indien hij zich in die andere hoedanigheid gedraagt op een wijze waardoor het vertrouwen in de advocatuur wordt geschaad, zal in het algemeen sprake zijn van handelen of nalaten in strijd met hetgeen een behoorlijk advocaat betaamt. De advocaat zal in dat geval een tuchtrechtelijk verwijt gemaakt kunnen worden. Verder geldt dat privégedragingen van een advocaat alleen dan tuchtrechtelijk van belang zijn, indien er voldoende verband bestaat met de praktijkuitoefening, of als de gedraging voor een advocaat in het licht van zijn beroepsuitoefening absoluut ongeoorloofd moet worden geacht en het vertrouwen in de advocatuur ondermijnt.
Overwegingen hof
7.3 Het hof heeft, naar aanleiding van beroepsgrond 4, bij de feiten (in 3.24) het citaat uit de beslissing van het gerechtshof aangevuld met de door de raad niet weergegeven overwegingen 6.7 en 6.8. Ook het hof heeft er zeker oog voor dat verweerder zich vele jaren op verscheidene fronten heeft ingezet voor het (behoud van het) Kasteel. Maar (ook) in deze procedure laat dat onverlet dat moet worden beoordeeld of verweerder als én (enig) bestuurder van MKO én advocaat van MKO heeft gehandeld in strijd met de normen van artikel 46 Advocatenwet en in het bijzonder of daarbij ook de in artikel 10a Advocatenwet genoemde kernwaarden in het gedrang zijn gekomen. Het hof is met de raad van oordeel dat daarvan sprake is en dat het dekenbezwaar gegrond is. Het onderzoek in hoger beroep heeft niet geleid tot andere beschouwingen en gevolgtrekkingen dan die vervat in de beslissing van de raad, waarmee het hof zich kan verenigen. Het hof voegt daar nog het volgende aan toe.
7.4 Het enkele feit dat verweerder (enig) bestuurder was van MKO en daarnaast als advocaat optrad voor (zijn enige cliënt) MKO betekent, anders dan verweerder in beroepsgrond 1 heeft aangevoerd, dat er wel degelijk een relatie bestond tussen zijn bestuurslidmaatschap en zijn optreden als advocaat. Waar verweerder in één van deze hoedanigheden als advocaat is opgetreden, zijn de aanknopingspunten met de advocatuur per definitie aanwezig. Het persoonlijk belang van verweerder - en de belangenverstrengeling met zijn hoedanigheid als bestuurder én advocaat - is alleen al gegeven met de aanzienlijke vordering die hij had op MKO. Door het aangaan van de A-B-C-transactie heeft verweerder zijn persoonlijke belang laten prevaleren boven het belang van MKO, zoals ook het gerechtshof heeft geoordeeld. Dat verweerder als advocaat geen betaling voor zijn werkzaamheden voor MKOW heeft ontvangen, en kostenveroordelingen en dwangsommen aan MKO heeft gelaten, doet daaraan niet af. Dat verweerder bij het aangaan van de A-B-C-transactie niet formeel als advocaat is opgetreden, doet daar evenmin aan af, omdat hij in het licht van zijn beroepsuitoefening beter had moeten weten. Ten slotte is evenmin relevant dat de A-B-C-transactie uiteindelijk is teruggedraaid, aangezien het OM daarvoor het initiatief heeft moeten nemen. Aan het argument van verweerder dat hij al voldoende ‘gestraft’ is door zijn ontslag als bestuurder gaat het hof voorbij. In deze procedure is de tuchtrechtelijke beoordeling van het handelen van verweerder aan de orde en zijn ontslag als bestuurder staat daar los van.
7.5 Het hof is dan ook met de raad van oordeel dat verweerder - in het bijzonder door het aangaan van de A-B-C-transactie - zowel de kernwaarde onafhankelijkheid als de kernwaarde (financiële) integriteit uit het oog is verloren. Wat ook de motieven van verweerder zijn geweest om deze transactie aan te gaan, feit is dat hij daaraan privé € 2.650.000,- zou hebben overgehouden als het OM niet had ingegrepen. Dat verweerder een vordering had op MKO maakt dat niet anders, nu MKO niet in staat was om daarop af te lossen. Verder betekent het enkele feit dat deze vordering niet in de administratie van MKO was opgenomen, op zich al dat de administratie van MKO niet in orde was.
7.6 Verweerder doet nog een beroep op een brief van de toenmalige deken uit 2014. De deken heeft destijds weliswaar geen tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen van verweerder kunnen vaststellen, maar hij heeft wel laten blijken niet gelukkig te zijn met de handelwijze van verweerder. Bovendien is de A-B-C-transactie van later datum en is in de civiele procedure gebleken dat de vordering van verweerder op MKO niet in de administratie van MKO was opgenomen, zodat de toenmalige deken met beide omstandigheden geen rekening heeft kunnen houden.
7.7 In zoverre zal het hof de beslissing van de raad dan ook bekrachtigen.
8 MAATREGEL
8.1 Verweerder heeft in hoger beroep vooral benadrukt dat hij altijd het beste voor heeft gehad met het Kasteel en dat hij materieel niet is bevoordeeld. Ook heeft verweerder er een punt van gemaakt dat de A-B-C-transactie van rechtswege nietig was en dat op vernietiging geen beroep hoefde te worden gedaan. Dat alles poetst uiteraard niet weg dat verweerder een volstrekt ongeoorloofde transactie is aangegaan tussen zichzelf als privépersoon en MKO, van wie hij enig bestuurder was en dat het uitsluitend aan de tussenkomst van het OM te danken is geweest dat deze transactie is teruggedraaid.
8.2 Het baart het hof ernstig zorgen dat verweerder na de civiele procedure en de behandeling van het dekenbezwaar bij de raad, ook in hoger beroep niet of nauwelijks inzicht heeft getoond in de ernst van zijn handelen en ook overigens geen blijk heeft gegeven van enige zelfreflectie. Het hof is daarom van oordeel dat niet kan worden volstaan met een onvoorwaardelijke schorsing voor de duur van 8 weken, zoals opgelegd door de raad.
8.3 Het hof ziet aanleiding om verweerder een hogere maatregel op te leggen dan de raad heeft gedaan. Het hof zal aan verweerder de maatregel van een onvoorwaardelijke schorsing voor de duur van 13 weken opleggen, hetgeen het hof passend en geboden acht.
9 PROCESKOSTEN
9.1 Omdat het hof een beslissing bekrachtigt waarin een maatregel is opgelegd, zal het hof verweerder op grond van artikel 48ac, eerste lid, Advocatenwet veroordelen in de kosten voor de procedure bij het hof conform de Richtlijn kostenveroordeling Hof van Discipline 2021:
a) € 1.000,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten;
b) € 1.000,- kosten van de Staat.
9.2 Verweerder moet op grond van artikel 48ac lid 4 Advocatenwet het bedrag van € 2.000,- binnen vier weken na deze uitspraak overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling hof van discipline" en het zaaknummer.
10 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
10.1 vernietigt de beslissing van 19 mei 2025 van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag, gewezen onder nummer 22-1007/DH/DH, voor zover daarin aan verweerder een schorsing voor de duur van 8 weken is opgelegd;
en doet opnieuw recht:
10.2 legt aan verweerder de maatregel op van schorsing in de uitoefening van de praktijk voor de duur van 13 weken;
10.3 bepaalt dat de schorsing in de uitoefening van de praktijk ingaat op 1 juni 2026, met dien verstande dat:
- deze schorsing pas ingaat na afloop van eerder onherroepelijk geworden schorsingen;
- verschillende op dezelfde dag onherroepelijk geworden schorsingen niet tegelijkertijd maar na elkaar worden tenuitvoergelegd, en dat;
- deze schorsing niet ten uitvoer zal worden gelegd gedurende de tijd dat verweerder niet op het tableau staat ingeschreven;
10.4 bekrachtigt de beslissing van 19 mei 2025 van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag, gewezen onder nummer 22-1007/DH/DH, voor het overige;
10.5 veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten in de procedure bij het hof van € 2.000,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn zoals hiervóór bepaald.
Deze beslissing is genomen door mr. J.D. Streefkerk, voorzitter, mrs. A.R. Creutzberg, J.C.A.T. Frima, P.J.G. van den Boom en H.H. Tan, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.A.M. Sinjorgo, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 1 mei 2026.
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 1 mei 2026 .
