Rechtspraak
Uitspraakdatum
07-04-2026
ECLI
ECLI:NL:TADRARL:2026:89
Zaaknummer
25-793/AL/MN
Inhoudsindicatie
Verweerster heeft bij aanvang van de opdracht geen toevoeging voor klaagster aangevraagd. Naar het oordeel van de raad heeft verweerster daarbij onvoldoende zorgvuldig gehandeld (gedragsregel 18). Weliswaar heeft zij de bij aanvang met klaagster gemaakte afspraken in de opdrachtbevestiging vastgelegd, maar verweerster heeft daarin niet, noch in een ander schriftelijk stuk, ook vastgelegd dat klaagster uitdrukkelijk afstand heeft gedaan van haar eventuele recht op gefinancierde rechtsbijstand en zij ook begreep wat daarvan de gevolgen waren. Daarnaast heeft verweerster zich ontijdig want kort voor een zitting onttrokken (gedragsregel 14 lid 3). Naar het oordeel van de raad had verweerster, ook zonder de (te late) stukken van de wederpartij, naar de zitting bij het gerechtshof moeten gaan om de belangen van haar klaagster te behartigen die daarop ook mocht vertrouwen. Afhankelijk van de uitkomst van die zitting had het verweerster vrijgestaan om zich daarna alsnog aan de zaak van klaagster te onttrekken vanwege de ontstane vertrouwensbreuk. Berisping.
Uitspraak
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem Leeuwarden van 7 april 2026 in de zaak 25-793/AL/MN naar aanleiding van de klacht van:
klaagster gemachtigde: mr. H.C.M.J. Karskens, advocaat te Amsterdam
over
verweerster
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 5 november 2024 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Midden-Nederland (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster.
1.2 Op 17 november 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2387210 van de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 23 februari 2026. Daarbij waren klaagster, bijgestaan door haar gemachtigde, en verweerster aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier.
2 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.1 Verweerster heeft klaagster en een medegedaagde (hierna: D) bijgestaan in een civiele procedure in hoger beroep tegen A B.V.
2.2 In een e-mail van 1 september 2022 heeft verweerster aan klaagster en D de haar verstrekte opdracht bevestigd en gevraagd om de opdrachtbevestiging te ondertekenen. In deze opdrachtbevestiging staat onder meer vermeld:
Financiële afspraken
1. Voor u wordt geen toevoeging aangevraagd. Het kan mogelijk zijn dat u wel in aanmerking komt voor een toevoeging/ gesubsidieerde rechtsbijstand. Indien u gebruik wenst te maken van een advocaat op basis van een toevoeging verwijzen we u naar zoekeenadvocaat.nl en rvr.org voor meer informatie. Wij zullen de werkzaamheden echter uitsluitend op betalende basis verrichten.
2.3 Op 7 september 2022 heeft verweerster aan klaagster en D geschreven:
Zojuist ben ik ingelogd bij het hof Arnhem Leeuwarden waar de zaak aanhangig is gemaakt.
Er blijkt een fout te zijn gemaakt door tegenpartij.
Deze fout moeten ze nog herstellen met een herstelexploit.
Dus alle gedaagden, alle 3, ontvangen nog een document van de deurwaarder tussen nu en 12 september. Zie ook het document in de bijlage.
Hiervan hoef je dus niet te schrikken, dit is een formaliteit in de hoger beroep dagvaarding.
Ik heb het stellen nog even uitgesteld, ook omdat ik eerst wil onderzoeken of [A] B.V. nu failliet is of niet. Indien zij failliet zijn is de procedure van rechtswege geschorst. En dan hoef je niet te stellen en ben je ook geen griffiegeld kwijt. Het scheelt dus nog even geld dat ik dit nog afwacht. Maar dit kon alleen omdat [A] dus een fout had gemaakt in de dagvaarding.
Ik heb nog wel een door beiden ondertekende overeenkomst nodig. Ik heb al akkoord van [klaagster] op de mail, maar ik wil het ook gewoon goed in orde hebben. Kunnen jullie dit regelen?
2.4 Op 8 september 2022 hebben klaagster en D de opdrachtbevestiging van verweerster ondertekend geretourneerd.
2.5 Verweerster heeft daarna aan klaagster en D een voorschotdeclaratie gestuurd. Deze is, na betalingsherinneringen op 22 en 27 september 2022, op 6 oktober 2022 door klaagster en D betaald.
2.6 Op 7 oktober 2022 heeft verweerster aan klaagster en D gemaild dat zij heeft vernomen dat op 1 december 2022 een zitting bij het gerechtshof zal plaatsvinden.
2.7 Eveneens op 7 oktober 2022 is namens verweerster aan klaagster en D een declaratie gestuurd voor € 2.788,40. Op die declaratie staat vermeld dat het voorschot met de einddeclaratie wordt verrekend. Op 31 oktober 2022 zijn klaagster en D gemaand tot betaling.
2.8 Op 18 oktober 2022 heeft verweerster een tussenarrest van het gerechtshof ontvangen. In dit arrest is bepaald dat op 1 december 2022 een zitting (comparitie na aanbrengen) zal worden gehouden. Ook is bepaald dat de (advocaat van) de wederpartij uiterlijk op 26 oktober 2022 het volledige procesdossier uit eerste aanleg moet overleggen. Verweerster heeft op 26 oktober 2022 geen processtukken van de wederpartij ontvangen.
2.9 In een e-mail van maandag 21 november 2022:
- om 11:12 uur: heeft verweerster aan klaagster en D onder meer geschreven:
Afgelopen vrijdag sprak ik met [klaagster]. Zij wilde weten of de zitting doorgaat op 1 dec. Deze zitting gaat nog steeds door. Ik gaf toen ook aan dat er nog een declaratie open staat, [klaagster] gaf aan gelijk te bellen met mijn secretariaat, maar ik begrijp net dat er niet is gebeld.
Op 7 oktober 2022 is de declaratie voor verrichtte werkzaamheden en griffiegeld aan jullie toegezonden. Ik heb moeten constateren dat deze declaratie nog niet is voldaan hoewel de betalingstermijn hiervoor is verstreken en een herinnering is verzonden. Indien de declaratie niet per omgaande wordt voldaan ben ik genoodzaakt om mijn werkzaamheden neer te leggen en me terug te trekken als jullie advocaat in de procedure. Ik zal dan niet naar de zitting gaan en procederen zonder advocaat in hoger beroep is niet mogelijk. Dit zal dus nadelig voor jullie zijn want er kan dan geen verweer worden gevoerd.
Ik heb ook de tijd nodig om me voor te bereiden op de zitting, maar ik ga geen tijd besteden aan deze kwestie als er nog een declaratie open staat. Jullie zijn bieden hoofdelijk aansprakelijk voor het gehele openstaande bedrag.
Ter voorkoming van misverstanden zend ik jullie bij deze ook gelijk de 14 dagen brief voor de openstaande declaratie. Ik hoop echter dat alles op een misverstand berust en dat de declaratie per omgaande wordt betaald.
Zo niet, dan zal ik mij vrijdag aanstaande onttrekken van deze kwestie. De declaratie moet ook daarna nog steeds door jullie worden voldaan. (…).
Graag verneem ik van jullie.
- om 12:13 uur: heeft klaagster aan verweerster onder meer geschreven:
Ik heb met administratie gesproken over volgende ik heb een voorschot nota betaald en vroeg u om raad van rechtsbijstand voor ons aan te vragen maar nu krijgen wij een aanvullende nota. mevrouw van de administratie weet niet over voorschot nota maar ook niet over aan vraag rechtsbijstand. had u dit voor ons aangevraagd want wij hebben er recht op?
2.10 In een e-mail van 28 november 2022 heeft verweerster aan klaagster onder meer geschreven:
Je hebt me inderdaad aangegeven dat jij liever had dat ik voor jou een toevoeging zou aanvragen. Hier zou ik over nadenken en je dit nog laten weten. We hebben het niet over [D] gehad en ik heb niet toegezegd dat ik dit zou doen. We hebben immers andere afspraken.
Toen je in het begin contact met me opnam hebben we afgesproken dat de opdracht zou worden uitgevoerd op basis van uren x tarief. Jij en [D] waren hiervan op de hoogte en er is ook voor getekend. (…) De decla is verstuurd en daarna kwam je pas met de vraag of ik niet alsnog een toevoeging voor je kon aanvragen.
Op dit moment heb ik al veel toevoegingen die ik behandel, en als je had aangegeven dat je deze kwestie op grond van een toevoeging wilde, had ik de zaak niet aangenomen. Ik wil de zaak alsnog doen, maar alleen als deze zaak dan voor een toevoeging is (als deze wordt toegewezen), maar voor [D] wel gewoon betalend is. De helft van de uren zullen dan bij haar in rekening worden gebracht.
Indien jullie beiden in aanmerking willen komen voor een toevoeging zal ik deze kwestie niet behandelen.
Graag hoor ik wat jullie willen, er zijn twee opties.
1. Toevoeging voor [klaagster] (indien toegewezen), betalend voor [D];
2. Beide een toevoeging, maar dan bij een andere advocaat.
Indien jullie voor optie 1 gaan, zal ik de toevoeging voor [klaagster] aanvragen, maar tot die tijd moet wel eerst de declaratie worden voldaan, vooral ten aanzien van het griffiegeld. (…) Dus het griffiegeld en de helft van de declaratie moet in ieder geval zijn betaald voor de zitting van 1 december. (…)
Graag hoor ik vandaag nog van jullie beiden.
2.11 Op 29 november 2022 heeft mr. T, de advocaat van de wederpartij, na telefonisch verzoek van verweerster de eerder door hem ingediende H-formulieren aan verweerster gestuurd. Mr. T heeft ook een H-formulier van 17 november 2022 meegestuurd op basis waarvan de processtukken uit de eerste aanleg bij het gerechtshof werden ingediend en verder geschreven:
Als bijlage ontvangt u op voorhand de inleidende dagvaarding (en bijbehorende producties) en het eindvonnis in deze zaak. De overige stukken verwacht ik u morgenochtend te zullen toezenden.
2.12 Op woensdag 30 november 2022:
- om 10:53 uur: heeft verweerster in een WhatsApp-bericht aan klaagster en D geschreven:
Ik ga morgen niet naar de zitting als niet binnen een uur de volledige factuur is voldaan plus een bedrag van € 2.000 ivm de werkzaamheden van morgen (…) het is nu 10.53 uur en als de volledige factuur niet is voldaan zal ik mij onttrekken als advocaat en ga ik niet naar de zitting; dit zal negatieve consequenties hebben voor jullie zaak;
- om 11:00 uur: heeft verweerster aan klaagster en D gemaild:
Ik had niet gehoopt dat het zover zou hoeven komen, maar ik via de app net heel duidelijk aangegeven dat ik de zaak om 11:53 neerleg (terugtrek als advocaat) als jullie niet hebben betaald.
Jammer dat het zo moet lopen.
De declaratie moet dan alsnog door jullie worden voldaan. Dat ik mij terugtrek als advocaat doet daar niets aan af. Ik verricht echter geen nieuwe werkzaamheden meer, zoals het bijwonen van een zitting.
- om 11:09 uur: heeft D mede namens klaagster aan verweerster gemaild:
Ik ben aan het werk [klaagster] heeft me gisteren hierover gebeld ik kan nu noet opnemen ben op me werk op dit moment kunnen we niet betalen we hebben de eerste factuur al met moeite betaald.
We hebben okk niet over de zaak kunnen overleggen en [klaagster] is in zware therapie (…) misschien kunt u de zaak verzetten en dan kunnen wij de volgende week u factuur betalen k vraag u om onze zaak niet te stoppen maar uitstel te vragen en dat wij volgende week u kunnen betalen.
- om 14:00 uur: heeft verweerster in haar e-mail aan mr. T in reactie op zijn e-mail van 29 november 2022 onder meer geschreven:
De stukken hadden aan mij moeten worden toegezonden op dezelfde dag dat ze aan het Hof zijn toegezonden. Dit heeft u niet gedaan. Ik zal hierover ook een klacht indienen. Op de door u ingediende H-formulieren heeft u expliciet verklaart dat wederpartij is geïnformeerd. Dit is pertinent niet juist. (…)
Nu geeft u per e-mail aan dat u de stukken pas op 1 december toestuurt en dat ik niet acceptabel en wederom klachtwaardig. Dit is ruim twee weken nadat u de stukken aan het hof heeft verzonden. Bij mij rijst het vermoeden dat u de stukken weigert toe te sturen omdat ik u heb aangegeven deze stukken nodig te hebben ter voorbereiding van de zitting op 1 december 2022.
Op deze wijze kan ik cliënten niet bijstaan en heb ik mij zojuist onttrokken aan de zaak.
- om 14:22 uur: heeft verweerster aan klaagster en D gemaild:
Zoals aangekondigd heb ik mij teruggetrokken als advocaat in deze kwestie. Zie ook de berichten in de bijlage. Ik zal een einddeclaratie laten opmaken die moet worden betaald. Indien er niet wordt betaald zal ik een incassoprocedure starten. De veertiendagenbrief heb ik al op 21 november verzonden voor die declaratie. (…)
- om 15:36 uur: heeft verweerster aan klaagster en D gemaild dat er een ontwikkeling is in hun zaak en gevraagd om telefonisch contact met haar op te nemen.
2.13 In haar e-mail van 1 december 2022 heeft verweerster gereageerd op vragen van klaagster over het openstaande bedrag en voorgerekend welk bedrag klaagster en D haar nog zijn verschuldigd. Verder heeft zij daarin geschreven:
Gisteren was je alsnog heel tevreden nadat wij elkaar hadden gesproken over hetgeen ik alsnog voor jullie had gedaan. Ik heb me immers wel onttrokken, maar ik heb dit op zo’n manier gedaan dat dit op conto van advocaat tegenpartij is gekomen omdat hij geen stukken aan mij heeft verzonden. (…) Mogelijk belt hij me vandaag nog met een voorstel.
Je hebt me nog aangegeven dat ze zo blij was met de wijze waarop ik alsnog een en ander heb gedaan en dat je ervoor zou zorgen dat de declaratie komende week werd betaald, minus het griffiegeld.
Het hof heeft ook aangegeven dat jullie een nieuwe advocaat kunnen stellen uiterlijk 20 december. Hopelijk is dat niet eens nodig. Als ik iets hoor van advocaat tegenpartij laat ik het weten.
De declaratie zal binnen een paar dagen worden toegezonden.
2.14 Op 19 december 2022 heeft verweerster aan klaagster en D de laatste declaratie van € 2.238,87, inclusief het aangepaste griffierecht, gestuurd en verzocht om betaling daarvan. Verweerster heeft aan klaagster toegezegd nogmaals een poging te ondernemen om contact met de advocaat van de tegenpartij op te nemen om te bezien of de wederpartij de vordering zou willen laten vallen. Verder heeft verweerster erop gewezen dat als de tegenpartij de procedure voortzet, dat klaagster en D uiterlijk 20 december 2022 een nieuwe advocaat moeten stellen, zoals al meermaals besproken.
2.15 Op 25 mei 2023 is het kantoor van verweerster door de griffie van het gerechtshof gebeld om verweerster in kennis te stellen van het feit dat bij de advocaat van de wederpartij nog stukken zijn opgevraagd en daarna arrest kan worden gewezen. De secretaresse van verweerster heeft de griffie gewezen op de onttrekking door verweerster van die zaak, wat door de griffie alsnog is bevestigd. Of klaagster en D een andere advocaat hebben ingeschakeld om zich te stellen in de procedure in hoger beroep, is onbekend.
2.16 Bij beslissing van 6 november 2023 heeft de Raad van Discipline te Amsterdam de klacht van verweerster over de advocaat van de wederpartij van klaagster gegrond verklaard (zaaknummer 23-320/A/NH).
3 KLACHT
De klacht houdt in, zakelijk weergegeven, dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:
a) ten onrechte geen toevoeging voor klaagster aan te vragen;
b) ten onrechte te stellen i) dat de advocaat van de wederpartij een (grote) fout heeft gemaakt en ii) dat de zitting geen doorgang zou vinden;
c) zich op onzorgvuldige wijze te hebben onttrokken.
4 VERWEER
Op het gemotiveerde verweer van verweerster komt de raad, voor zover relevant, hierna terug bij de beoordeling.
5 BEOORDELING
Maatstaf
5.1 De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan die advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn vanwege het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet.
5.2 Bij de beantwoording van de vraag of een advocaat zich betamelijk heeft gedragen als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet hanteert de raad als uitgangspunt dat de tuchtrechter mede tot taak heeft de kwaliteit van de dienstverlening te beoordelen als daarover wordt geklaagd. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.
5.3 Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.
Klachtonderdeel a); geen toevoeging aanvragen voor klaagster
5.4 De raad stelt voorop dat een advocaat de verplichting heeft een (toekomstige) cliënt erop te wijzen dat deze mogelijk in aanmerking komt voor gefinancierde rechtsbijstand (gedragsregel 18). Bij het nakomen van deze verplichting zal de advocaat een grote mate van zorgvuldigheid moeten betrachten. Als norm voor die zorgvuldigheid heeft te gelden dat een cliënt, die mogelijk in aanmerking komt voor gefinancierde rechtshulp maar daarvan afziet, er door de advocaat uitdrukkelijk en duidelijk op wordt gewezen dat hij afstand doet van het recht op gefinancierde rechtshulp. Tevens zal de advocaat zich er deugdelijk van moeten vergewissen dat de cliënt weet en begrijpt welk recht hij prijsgeeft. Derhalve heeft de advocaat de plicht na te gaan of de cliënt ook daadwerkelijk afstand wenst te doen van zijn recht op gefinancierde rechtshulp en dat hij de consequenties daarvan overziet en kan dragen. In lid 3 van gedragsregel 18 is verder bepaald dat als een cliënt ervoor kiest om geen gebruik van gefinancierde rechtsbijstand te maken, de advocaat dat schriftelijk moet vastleggen.
5.5 Klaagster stelt dat verweerster geen toevoeging voor haar heeft aangevraagd, terwijl zij daar met haar WIA-uitkering mogelijk wel voor in aanmerking kwam. Naar het oordeel van de raad heeft verweerster hierin onvoldoende zorgvuldig gehandeld. Weliswaar heeft zij de bij aanvang met klaagster gemaakte afspraken in de opdrachtbevestiging vastgelegd, maar verweerster heeft daarin niet, noch in een ander schriftelijk stuk, ook vastgelegd dat klaagster uitdrukkelijk afstand heeft gedaan van haar eventuele recht op gefinancierde rechtsbijstand en zij ook begreep wat daarvan de gevolgen waren. Daarin heeft verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld. De raad zal klachtonderdeel a) gegrond verklaren.
Klachtonderdeel b); onjuiste informatie van verweerster
5.6 Verweerster betwist subverwijt i). Zij verwijst naar haar e-mail van 7 september 2022. Daarin heeft zij klaagster er naar haar zeggen terecht op gewezen dat de advocaat van de wederpartij een fout had gemaakt, die met een herstelexploit gerepareerd zou worden. Daarnaast heeft de advocaat van de wederpartij volgens verweerster op grond van het procesreglement een fout gemaakt door niet tijdig voor de zitting op 1 december 2022 ook aan verweerster alle stukken toe te sturen. Ook op die gemaakte fout heeft verweerster klaagster terecht gewezen zoals blijkt uit de tuchtrechtelijke beslissing van 6 november 2023.
5.7 Verweerster betwist ook subverwijt ii). Volgens verweerster heeft zij nooit, ook niet na haar e-mail van 30 november 2022 om 15:34 uur met verzoek om telefonisch contact, tegen klaagster gezegd dat de zitting op 1 december 2022 niet door zou gaan omdat de wederpartij de zaak zou intrekken en klaagster en D daarom niets meer hoefden te doen. Zij heeft klaagster gemeld dat die zitting niet door ging vanwege haar onttrekking als advocaat en ook dat klaagster en D nog tot 20 december 2022 de tijd hadden om een andere advocaat te laten stellen. Verweerster heeft tijdens de zitting van de raad nog verklaard dat de nieuwe ontwikkelingen, waaraan zij in genoemde e-mail refereerde, te maken hadden met een telefoontje van de griffie van het gerechtshof over haar onttrekking en het indienen van een klacht over de advocaat van de wederpartij.
5.8 Naar het oordeel van de raad heeft verweerster geen onjuiste maar juiste informatie aan klaagster verstrekt over de door de advocaat van de wederpartij gemaakte fouten. Een feitelijke grondslag voor subverwijt i) ontbreekt. De juistheid van subverwijt ii) is voor de raad, tegenover de betwisting daarvan door verweerster, niet komen vast te staan.
5.9 Dit leidt ertoe dat de raad klachtonderdeel b) geheel ongegrond zal verklaren.
klachtonderdeel c); onzorgvuldig onttrekken aan de zaak
5.10 Uit gedragsregel 14 lid 3 volgt dat wanneer een advocaat besluit een hem verstrekte opdracht neer te leggen, dat op zorgvuldige wijze moet worden gedaan en de advocaat ervoor moet zorgen dat de cliënt daarvan zo min mogelijk nadeel ondervindt.
5.11 Verweerster heeft in haar verweerschrift en tijdens de zitting van de raad het gemaakte verwijt als volgt betwist.
5.12 In haar e-mail van maandag 21 november 2022 heeft zij klaagster en D gemeld dat de openstaande declaratie meteen moet worden betaald. Doen zij dat niet uiterlijk vrijdag, dan zal verweerster zich als hun advocaat onttrekken en niet naar de zitting van donderdag 1 december 2022 gaan. Verweerster stelt dat zij daarna flexibel heeft willen meedenken over het op 21 november 2022 van klaagster en D ontvangen verzoek of er niet alsnog een toevoeging voor hen kon worden aangevraagd. Vanuit haar oplossingsgerichte insteek heeft zij klaagster en D in haar e-mail van 28 november 2022 twee opties gegeven waarop verweerster dezelfde dag een reactie wilde krijgen. Als eerste optie heeft verweerster voorgesteld dat voor klaagster een toevoeging wordt aangevraagd mits D bereid is om haar aandeel in de juridische kosten zelf te betalen. In de tweede optie, waarbij zowel klaagster als D een toevoeging zouden willen aanvragen, zou verweerster zich meteen onttrekken. Bij keuze voor de eerste optie heeft zij cliënten in die e-mail ook geschreven dat zij voor klaagster de toevoeging zal aanvragen maar dat nog wel - tot het moment van verlening daarvan - voor 1 december 2022 de helft van de openstaande declaratie inclusief het griffierecht door cliënten moet zijn betaald.
5.13 Volgens verweerster hebben klaagster en D niet aan de gestelde betalingsvoorwaarden voldaan. Toch heeft zij klaagster en D in haar WhatsAppbericht van 30 november 2022 om 10:53 uur, als ook in haar e-mail kort daarna, een allerlaatste kans gegeven. Als cliënten binnen een uur daarna haar volledige declaratie en € 2.000,-, als voorschot voor haar werkzaamheden voor de zitting van 1 december 2022, betalen dan zal zij naar de zitting van 1 december 2022 gaan. Omdat klaagster en D ook daar niet aan hebben voldaan, heeft verweerster zich op 30 november 2022 als hun advocaat onttrokken en klaagster en D daarover om 14:22 uur ingelicht. In het strategisch belang van klaagster en D heeft zij het niet tijdig hebben ontvangen van de stukken van de wederpartij als reden voor de onttrekking aan het gerechtshof doorgegeven; niet de achterstallige betaling van de cliënten. Verweerster heeft dit aan klaagster en D mondeling en haar e-mail van 1 december 2022 uitgelegd. In diezelfde e-mail heeft zij hen ook gemeld dat hun nieuwe advocaat zich op 20 december 2022 kan stellen bij het gerechtshof. Ook in de periode na haar onttrekking -verweerster verwijst daarvoor naar de overgelegde correspondentie zoals opgenomen onder de feiten- heeft zij klaagster en D nog steeds geprobeerd te helpen. Verweerster vermoedt dat klaagster en D, ondanks haar herhaalde waarschuwing om daar zelf voor te zorgen, geen andere advocaat hebben gezocht. Verweerster is voor eventueel daardoor geleden schade niet verantwoordelijk.
5.14 Naar het oordeel van de raad heeft verweerster onzorgvuldig gehandeld door klaagster en D kort voor de geplande zitting bij het gerechtshof op 1 december 2022 zo onder druk te zetten dat bij uitblijven van betaling van haar declaratie verweerster haar bijstand nog voor de zitting van 1 december 2022 zou neerleggen. Ook als verweerster zich op 25 november 2022 had teruggetrokken als advocaat, zoals aanvankelijk aangekondigd in haar e-mail van 21 november 2022, dan was dat naar het oordeel van de raad een ontijdige en daarmee onzorgvuldige wijze van onttrekking geweest. Klaagster had ook dan immers onvoldoende tijd gehad om een andere advocaat te zoeken die haar en D tijdens de zitting op 1 december 2022 had kunnen bijstaan. Feitelijk heeft verweerster zich op 30 november 2022, pas één dag voor de zitting, als advocaat van klaagster en D bij het gerechtshof onttrokken. Volgens verweerster omdat uitstel vanwege het niet ontvangen van alle stukken van de wederpartij voor het gerechtshof geen reden was om aanhouding van die zitting te verlenen. Alhoewel die onttrekking kennelijk een strategische keuze van verweerster was om daardoor alsnog uitstel van de zitting te verkrijgen, heeft verweerster hierin niet de juiste keuze gemaakt. Naar het oordeel van de raad had verweerster, ook zonder de stukken van de wederpartij, naar de zitting bij het gerechtshof op 1 december 2022 moeten gaan om de belangen van haar cliënten te behartigen die daarop ook mochten vertrouwen. Afhankelijk van de uitkomst van die zitting had het verweerster vrijgestaan om zich daarna alsnog aan de zaak van haar cliënten te onttrekken vanwege de ontstane vertrouwensbreuk.
5.15 Uit de overgelegde correspondentie is de raad wel gebleken dat klaagster wist dat zij door de onttrekking van verweerster op 30 november 2022 voor de procedure bij het gerechtshof zelf een andere advocaat moest zoeken. Dat klaagster dat kennelijk niet heeft gedaan, kan verweerster tuchtrechtelijk niet worden verweten.
5.16 Op grond van het vorenstaande is de raad van oordeel dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Klachtonderdeel c) wordt gegrond verklaard.
6 MAATREGEL
6.1 Omdat twee klachtonderdelen gegrond worden verklaard, komt aan de orde of aan verweerster een maatregel moet worden opgelegd en zo ja, welke.
6.2 Vast staat dat verweerster bij aanvang van de opdracht geen toevoeging voor klaagster heeft aangevraagd. Volgens verweerster heeft zij dat niet gedaan omdat klaagster van haar mogelijke recht op een toevoeging afstand had gedaan door ondertekening van de opdrachtbevestiging als betalende cliënte. Tijdens de zitting van de raad heeft verweerster erkend dat zij dit schriftelijk had moeten vastleggen en dat in de toekomst te zullen doen.
6.3 Wat betreft het verwijt over de onzorgvuldige onttrekking leek verweerster tijdens de zitting van de raad niet goed te beseffen dat haar handelen tussen 21 en 29 november 2022 voor klaagster onduidelijk moet zijn geweest. Alhoewel uit de stukken de bereidheid van verweerster om klaagster juist te helpen wel is gebleken, heeft verweerster daarbij aan klaagster wisselende signalen afgegeven en de aan klaagster gestelde financiële eisen in aanloop naar de zitting ook nog verzwaard. Waar verweerster op 21 november 2022 onder voorwaarden haar werkzaamheden voor klaagster wilde voortzetten, heeft zij die voorwaarden op het laatste moment - op 30 november 2022 - verzwaard door ook een voorschot voor de zitting op 1 december 2022 te vragen. Dit in de wetenschap dat klaagster en D al eerder hadden aangegeven niets te kunnen betalen. Zoals overwogen is de raad van oordeel dat verweerster klaagster alsnog bijstand had moeten verlenen tijdens de zitting op 1 december 2022. Daarin heeft verweerster niet voldoende zorgvuldig gehandeld.
6.4 Op grond van de vorenstaande omstandigheden en gelet op het feit dat verweerster op 12 oktober 2020 een waarschuwing opgelegd heeft gekregen wegens het onvoldoende schriftelijk informeren van de cliënte over de mogelijkheid van een toevoeging, is de raad van oordeel dat het handelen van verweerster noodzaakt tot het oplegging van de maatregel van berisping.
7 GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING
7.1 Omdat de raad de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart, moet verweerster op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klaagster betaalde griffierecht van € 50,- aan haar vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerster door.
7.2 Omdat raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerster daarnaast op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:
a) € 50,- aan forfaitaire reiskosten van klaagster,
b) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en
c) € 500,- kosten van de Staat.
7.3 Verweerster moet het bedrag van € 50,- aan forfaitaire reiskosten binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, betalen aan klaagster. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerster door.
7.4 Verweerster moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder b) en c) genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart klachtonderdelen a) en c) gegrond;
- verklaart klachtonderdeel b) ongegrond;
- legt aan verweerster de maatregel van berisping op;
- veroordeelt verweerster tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klaagster, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.1;
- veroordeelt verweerster tot betaling van de reiskosten van € 50,- aan klaagster, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3; - veroordeelt verweerster tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.4.
Aldus beslist door mr. M.H. van der Lecq, voorzitter, mrs. M. Lont en H.K. Scholtens, leden, bijgestaan door mr. M.M. Goldhoorn als griffier en uitgesproken in het openbaar op 7 april 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op : 7 april 2026
