Rechtspraak
Uitspraakdatum
23-03-2026
ECLI
ECLI:NL:TADRSHE:2026:42
Zaaknummer
25-826/DB/ZWB
Inhoudsindicatie
Raadsbeslissing. Klacht over de advocaat van de wederpartij. De klacht houdt in dat verweerder de rechtbank in het verzoek om aanhouding van het faillissementsrekest onjuist heeft geïnformeerd. Vast staat dat op het onder verantwoordelijkheid van verweerder bij de rechtbank ingediende formulier is vermeld dat (1) het aanhoudingsverzoek mede namens RV (althans haar advocaat) wordt gedaan, (2) partijen in onderhandeling zijn en (3) RV (althans haar advocaat) hiervan op de hoogte is gesteld en dat deze heeft medegedeeld ook niet te zullen verschijnen, terwijl (1) van een eenstemmig verzoek geen sprake was, (2) partijen niet in onderhandeling waren en (3) RV (althans haar advocaat) hiervan niet op de hoogte was gesteld en deze ook niet heeft medegedeeld niet te zullen verschijnen. Op het formulier zijn aldus drie feiten gesteld waarvan verweerder de onjuistheid kende. Verweerder heeft de rechtbank in het verzoek om aanhouding van het faillissementsrekest dan ook onjuist geïnformeerd. Anders dan verweerder heeft gesteld, vormt de wijze waarop het digitale formulier is ingericht, geen rechtvaardiging voor het handelen van verweerder. Verweerder heeft gesteld dat het formulier slechts twee gronden voor aanhouding vermeldt, namelijk “partijen zijn in onderhandeling” en “de regeling is nog niet volledig uitgevoerd”. Verweerder heeft voorts gesteld dat de optie “partijen zijn in onderhandeling” de enige optie was die aansloot bij het beoogde doel: het verkrijgen van uitstel om een minnelijke regeling mogelijk te maken. De raad volgt verweerder niet in dit verweer. Vast staat dat het formulier moest worden uitgeprint en dat mr. V handmatig (met een pen) de datum heeft ingevuld en zijn handtekening heeft geplaatst. Het was dan ook wel degelijk mogelijk om op het formulier handmatig een andere grond (die wel feitelijk juist was) voor het verzoek tot aanhouding te vermelden. Verweerder heeft verder gesteld, dat het in de faillissementspraktijk usance is om op het formulier de optie “partijen zijn in onderhandeling” aan te vinken, ook als dit feitelijk niet het geval is. Ook dit verweer moet worden gepasseerd. Voor zover van de door verweerder gestelde usance al sprake zou zijn, heeft te gelden dat er in de onderhavige zaak sprake was van een wederpartij die de vordering betwistte, die werd bijgestaan door een advocaat en die een rechterlijk oordeel wenste over de (betwiste) vordering. Onder die omstandigheden had het op de weg gelegen van verweerder om in contact te treden met klager en overleg te plegen over de door hem gewenste aanhouding. Verweerder heeft dit niet gedaan en daarmee de belangen van klager (en klagers cliënte) onnodig geschaad. Klager moest immers in actie komen om de rechtbank alsnog naar waarheid te informeren en te verzoeken om afwijzing van het aanhoudingsverzoek. Klacht gegrond, berisping.
Uitspraak
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch
van 23 maart 2026
in de zaak 25-826/DB/ZWB
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over:
verweerder
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 13 maart 2025 heeft klager tegen verweerder een klacht ingediend bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Zeeland-West-Brabant (hierna: “de deken”).
1.2 Op 25 november 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K25-024 van de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 9 februari 2026. Verschenen zijn klager en verweerder, bijgestaan door mr. J, advocaat.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier.
2 FEITEN
2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2 Klager, advocaat, staat RV B.V. (hierna: “RV”) bij in een geschil met RJM B.V. (hierna: “RJM”). RJM heeft zich voor rechtsbijstand gewend tot verweerder, met het verzoek tot incasso van een vordering van plusminus € 10.000,00 op RV. RV heeft de vordering betwist.
2.3 Verweerder heeft namens RJM een verzoek tot faillietverklaring van RV ingediend. Voorafgaand aan de mondelinge behandeling van het faillissementsrekest heeft RV een aantal deelbetalingen gedaan. Verweerder heeft het faillissementsrekest ingetrokken.
2.4 Op 7 februari 2025 heeft verweerder nogmaals een verzoek tot faillietverklaring van RV ingediend. De rechtbank heeft de mondelinge behandeling bepaald op 4 maart 2025. Op die datum was verweerder verhinderd.
2.5 Op 27 februari 2025 heeft verweerders kantoorgenoot mr. V namens verweerder een formulier bij de rechtbank ingediend. Aan de bovenzijde van dit formulier is vermeld:
"Verzoek aanhouding faillissementsrekest”.
Op pagina 2 van het formulier is vermeld:
“Aanhouding
Behandeling aangehouden met: 1 week (“1 week” is digitaal door mr. V ingevuld, griffier)
Reden aanhoudingsverzoek: partijen zijn in onderhandeling (“partijen zijn in onderhandeling” is digitaal door mr. V ingevuld, griffier)
Ondergetekende, advocaat van verzoeker, verklaart:
● dat hij, mede namens verweerder, de rechtbank verzoekt de behandeling van het hiervoor genoemde faillissementsrekest aan te houden met 1 weken;
● dat hierdoor de maximale termijn voor aanhouding (te weten acht weken na de eerste behandeling) niet wordt overschreden en dat het aantal aanhoudingen inclusief deze niet hoger is dan vier;
● dat de reden van de verzochte aanhouding is: partijen zijn in onderhandeling;
● dat verweerder hiervan op de hoogte is gesteld en dat deze heeft medegedeeld ook niet te zullen verschijnen;
● dat ondergetekende behoudens tegenbericht van de rechtbank ervan zal uitgaan dat de gevraagde aanhouding wordt verleend;
● dat hij voor de oproeping van verweerder voor de verzochte nieuwe behandeldatum zal zorg dragen bij aangetekende brief met handtekening retour dan wel bij deurwaardersexploot.
Datum ondertekening: 27-2-25 (de datum is handmatig door mr. V ingevuld, griffier)
Handtekening advocaat: (…)” (mr. V heeft zijn handtekening hier geplaatst, griffier)
2.6 Bij brief van 28 februari 2025 heeft klager de rechtbank als volgt bericht:
“In opgemelde zaak ontving ik zojuist een kopie van het verzoek om aanhouding faillissement zoals ingediend namens de advocaat van de aanvrager, zijnde [verweerder]. Hierin vraagt hij om een aanhouding van één week, omdat partijen in onderhandeling zouden zijn. Dit is absoluut onjuist.Partijen zijn helemaal niet in onderhandeling. Sterker nog, anders dan dat ik weken geleden een kopie heb ontvangen van het hernieuwd ingediende faillissementsrekest door [verweerder] is er tussen ons absoluut geen contact geweest. Laat staan dat partijen in onderhandeling zijn. Dezerzijds wenst de directeur van mijn cliënte dan ook dat de zitting aanstaande dinsdag gewoon door zal gaan. Als [verweerder] dat niet wenst of uitkomt, dan moet hij gewoon het faillissementsrekest ofwel intrekken of helaas verstek laten gaan waarbij mijn cliënte en ik wel aanwezig zullen zijn en uitdrukkelijk verweer zullen voeren. Hiertoe is reeds het verweerschrift hedenmiddag via Zivver ingediend. Alle punten zoals op pagina 2 van het formulier onder het kopje “ondergetekende, advocaat van verzoeker, verklaart” is onjuist. [Verweerder] licht uw rechtbank vals voor. Ik vind dit onacceptabel. Ik ben ook voornemens een tuchtklacht in te dienen tegen [verweerder]. Dit gedrag is daadwerkelijk ongehoord! Ik verzoek u hier goede nota van te nemen en mij per omgaande te berichten dat de behandeling van aanstaande dinsdag om 10:45 uur te Den Haag gewoon zal doorgaan.”
2.7 De rechtbank heeft partijen op 3 maart 2025 bericht dat de behandeling op 4 maart 2025 doorgang zou vinden. Verweerders kantoorgenoot mr. V heeft daarop het faillissementsverzoek ingetrokken.
2.8 Op 13 maart 2025 heeft klager tegen verweerder een klacht ingediend bij de deken.
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder het volgende:
Verweerder heeft de rechtbank in het verzoek om aanhouding van het faillissementsrekest onjuist geïnformeerd.
4 VERWEER
4.1 Verweerder heeft verweer gevoerd. Verweerder heeft tijdens de instructiefase bij de deken het verweer gevoerd dat hij niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Verweerder heeft gesteld dat hij geen onjuiste informatie heeft verstrekt aan de rechtbank. Verweerder wilde – in het belang van alle betrokken partijen – ruimte creëren voor het treffen van een minnelijke regeling. Verweerder heeft dus juist in lijn met de gedragsregels gehandeld door een faillissement te willen voorkomen ten faveure van het faciliteren van een mogelijk overleg. Verweerder heeft gesteld dat het formulier slechts twee gronden voor aanhouding vermeldt: “partijen zijn in onderhandeling” en “de regeling is nog niet volledig uitgevoerd”. Het digitale formulier bood geen mogelijkheid om een andere grond voor aanhouding te geven: de optie “partijen zijn in onderhandeling” was op het formulier de enige optie die aansloot bij het beoogde doel: het verkrijgen van uitstel om een minnelijke regeling mogelijk te maken. De wederpartij is door deze handelwijze niet benadeeld, aldus nog steeds verweerder.
4.2 Ter zitting van de raad heeft verweerder toegegeven dat het beter had gekund en heeft hij zijn excuses aangeboden, waarbij hij heeft benadrukt dat hij vindt dat zijn handelen in de klachtzaak wel zwaar wordt aangezet, dat hij zo heeft gehandeld om de wederpartij de kans te geven om alsnog een regeling te treffen en dat het in de faillissementspraktijk usance is om op het formulier de optie “partijen zijn in onderhandeling” aan te vinken, ook als dit niet het geval is.
4.3 De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING
5.1 Toetsingskader
Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen.
5.2 Beoordeling
Vast staat dat op het op 27 februari 2025 onder verantwoordelijkheid van verweerder bij de rechtbank ingediende formulier is vermeld dat (1) het aanhoudingsverzoek mede namens RV (althans haar advocaat) wordt gedaan, (2) partijen in onderhandeling zijn en (3) RV (althans haar advocaat) hiervan op de hoogte is gesteld en dat deze heeft medegedeeld ook niet te zullen verschijnen, terwijl (1) van een eenstemmig verzoek geen sprake was, (2) partijen niet in onderhandeling waren en (3) RV (althans haar advocaat) hiervan niet op de hoogte was gesteld en deze ook niet heeft medegedeeld niet te zullen verschijnen. Op het formulier zijn aldus drie feiten gesteld waarvan verweerder de onjuistheid kende. Verweerder heeft de rechtbank in het verzoek om aanhouding van het faillissementsrekest dan ook onjuist geïnformeerd.
5.3 Anders dan verweerder heeft gesteld, vormt de wijze waarop het digitale formulier is ingericht, geen rechtvaardiging voor het handelen van verweerder. Verweerder heeft gesteld dat het formulier slechts twee gronden voor aanhouding vermeldt, namelijk “partijen zijn in onderhandeling” en “de regeling is nog niet volledig uitgevoerd”. Verweerder heeft voorts gesteld dat de optie “partijen zijn in onderhandeling” de enige optie was die aansloot bij het beoogde doel: het verkrijgen van uitstel om een minnelijke regeling mogelijk te maken. De raad volgt verweerder niet in dit verweer. Vast staat dat het formulier moest worden uitgeprint en dat mr. V handmatig (met een pen) de datum heeft ingevuld en zijn handtekening heeft geplaatst. Het was dan ook wel degelijk mogelijk om op het formulier handmatig een andere grond (die wel feitelijk juist was) voor het verzoek tot aanhouding te vermelden.
5.4 Verweerder heeft verder gesteld, dat het in de faillissementspraktijk usance is om op het formulier de optie “partijen zijn in onderhandeling” aan te vinken, ook als dit feitelijk niet het geval is. Ook dit verweer moet worden gepasseerd. Voor zover van de door verweerder gestelde usance al sprake zou zijn, heeft te gelden dat er in de onderhavige zaak sprake was van een wederpartij die de vordering betwistte, die werd bijgestaan door een advocaat en die een rechterlijk oordeel wenste over de (betwiste) vordering. Onder die omstandigheden had het op de weg gelegen van verweerder om in contact te treden met klager en overleg te plegen over de door hem gewenste aanhouding. Verweerder heeft dit niet gedaan en daarmee de belangen van klager (en klagers cliënte) onnodig geschaad. Klager moest immers in actie komen om de rechtbank alsnog naar waarheid te informeren en te verzoeken om afwijzing van het aanhoudingsverzoek.
5.5 De raad overweegt tot slot als volgt. Vast staat dat er op het moment van indiening van het formulier op 27 februari 2025 geen onderhandelingen liepen tussen RV en RJM. Verweerder heeft verklaard dat zijn kantoorgenoot mr. V het faillissementsverzoek op 3 maart 2025 heeft ingetrokken omdat verweerder, zoals al op het moment van datumbepaling bekend was, verhinderd was en zijn kantoorgenoten niet in de gelegenheid waren om de zitting voor hem waar te nemen. Deze omstandigheden maken dat het er naar het oordeel van de raad alle schijn van heeft dat verweerder, anders dan hij heeft gesteld, geen aanhouding heeft verzocht om ruimte te creëren voor de totstandkoming van een minnelijke regeling, maar dat hij aanhouding heeft verzocht omdat hij simpelweg verhinderd was en er geen waarnemer beschikbaar was. De raad acht het door verweerder gevoerde verweer dan ook ongeloofwaardig.
5.6 De raad komt tot de slotsom dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld doordat hij de rechtbank in het verzoek om aanhouding van het faillissementsrekest onjuist heeft geïnformeerd. De klacht is gegrond.
6 MAATREGEL
6.1 Verweerder heeft tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld doordat hij de rechtbank in het verzoek om aanhouding van het faillissementsrekest onjuist geïnformeerd. Dit tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen vormt een schendig van de kernwaarde integriteit. Verweerder heeft weliswaar ter zitting van de raad voor zijn handelen zijn verontschuldigingen aangeboden, maar verweerder deed dit eerst ter zitting van de raad en eerst nadat hij gedurende de instructiefase bij de deken het standpunt had ingenomen en gehandhaafd dat hij niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Mede gelet op de eerdere tuchtrechtelijke veroordeling van verweerder acht de raad een berisping een passende maatregel.
7 GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING
7.1 Omdat de raad de klacht gegrond verklaart,moet verweerder op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klager betaalde griffierecht van € 50,- aan hem vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.
7.2 Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder daarnaast op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:
a) € 50,- reiskosten van klager;
b) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en
c) € 500,- kosten van de Staat.
7.3 Verweerder moet het bedrag van € 50,- aan reiskosten binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, betalen aan klager. Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.
7.4 Verweerder moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder b en c genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart de klacht gegrond;
- legt aan verweerder de maatregel van berisping op;
- veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klager; op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.1;
- veroordeelt verweerder tot betaling van de reiskosten van € 50,- aan klager, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3;
- veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.4.
Aldus beslist door mr. J.M.H. Schoenmakers, voorzitter, mrs. A.A.T. van Ginderen, S.M.P.T. Ruijs-Kreté, leden, bijgestaan door mr. T.H.G. Huber-van de Langenberg als griffier, en uitgesproken op 23 maart 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 23 maart 2026
