Rechtspraak
Raadsbeslissing. Klacht over de advocaat van de wederpartij. De klacht houdt in dat verweerder de rechtbank in het verzoek om aanhouding van het faillissementsrekest onjuist heeft geïnformeerd. Vast staat dat op het onder verantwoordelijkheid van verweerder bij de rechtbank ingediende formulier is vermeld dat (1) het aanhoudingsverzoek mede namens RV (althans haar advocaat) wordt gedaan, (2) partijen in onderhandeling zijn en (3) RV (althans haar advocaat) hiervan op de hoogte is gesteld en dat deze heeft medegedeeld ook niet te zullen verschijnen, terwijl (1) van een eenstemmig verzoek geen sprake was, (2) partijen niet in onderhandeling waren en (3) RV (althans haar advocaat) hiervan niet op de hoogte was gesteld en deze ook niet heeft medegedeeld niet te zullen verschijnen. Op het formulier zijn aldus drie feiten gesteld waarvan verweerder de onjuistheid kende. Verweerder heeft de rechtbank in het verzoek om aanhouding van het faillissementsrekest dan ook onjuist geïnformeerd. Anders dan verweerder heeft gesteld, vormt de wijze waarop het digitale formulier is ingericht, geen rechtvaardiging voor het handelen van verweerder. Verweerder heeft gesteld dat het formulier slechts twee gronden voor aanhouding vermeldt, namelijk “partijen zijn in onderhandeling” en “de regeling is nog niet volledig uitgevoerd”. Verweerder heeft voorts gesteld dat de optie “partijen zijn in onderhandeling” de enige optie was die aansloot bij het beoogde doel: het verkrijgen van uitstel om een minnelijke regeling mogelijk te maken. De raad volgt verweerder niet in dit verweer. Vast staat dat het formulier moest worden uitgeprint en dat mr. V handmatig (met een pen) de datum heeft ingevuld en zijn handtekening heeft geplaatst. Het was dan ook wel degelijk mogelijk om op het formulier handmatig een andere grond (die wel feitelijk juist was) voor het verzoek tot aanhouding te vermelden. Verweerder heeft verder gesteld, dat het in de faillissementspraktijk usance is om op het formulier de optie “partijen zijn in onderhandeling” aan te vinken, ook als dit feitelijk niet het geval is. Ook dit verweer moet worden gepasseerd. Voor zover van de door verweerder gestelde usance al sprake zou zijn, heeft te gelden dat er in de onderhavige zaak sprake was van een wederpartij die de vordering betwistte, die werd bijgestaan door een advocaat en die een rechterlijk oordeel wenste over de (betwiste) vordering. Onder die omstandigheden had het op de weg gelegen van verweerder om in contact te treden met klager en overleg te plegen over de door hem gewenste aanhouding. Verweerder heeft dit niet gedaan en daarmee de belangen van klager (en klagers cliënte) onnodig geschaad. Klager moest immers in actie komen om de rechtbank alsnog naar waarheid te informeren en te verzoeken om afwijzing van het aanhoudingsverzoek. Klacht gegrond, berisping.
