Rechtspraak
Uitspraakdatum
23-03-2026
ECLI
ECLI:NL:TADRSHE:2026:38
Zaaknummer
25-698/DB/OB
Inhoudsindicatie
Raadsbeslissing. Klacht over de advocaat van de wederpartij in alle onderdelen ongegrond. De raad heeft niet feitelijk kunnen vaststellen dat (k.o. 1) verweerster een vertrouwelijk en niet voor haar bestemd e-mailbericht heeft gedeeld met haar cliënten en ter zake actief contact heeft gezocht met de in het e-mailbericht genoemde advocaat (mr. S). Naar het oordeel van de raad stond het verweerster vrij om in het kader van de behartiging van de belangen van haar cliënten de context te schetsen en in dat verband melding te maken van tegen klager ingediende tuchtklachten, zodat hetgeen verweerster in randnummer 22 van de pleitnota heeft gesteld niet kan worden gekwalificeerd als onnodig grievend. Ook k.o. 2 is ongegrond. Het stond verweerster vrij om ter onderbouwing van de in kort geding ingestelde vordering namens haar cliënten te betogen dat de werkwijze van klager een dusdanig ongunstige uitwerking had op de geestelijke en lichamelijke gezondheidstoestand van de moeder dat verder vrij verkeer tussen klager en moeder onverantwoord was. Dat verweerster ter onderbouwing van dat betoog feiten heeft gesteld waarvan zij de onwaarheid kende of behoorde te kennen is de raad niet gebleken. Ook k.o. 3 over verweersters bereikbaarheid is ongegrond. Naar het oordeel van de raad stond het verweerster vrij om in overleg met haar cliënten te bepalen dat het in het kader van de behartiging van de belangen van haar cliënten niet wenselijk was om op alle e-mailberichten van klager te reageren. Ook van het niet beantwoorden van alle telefonische oproepen van klager kan verweerster naar het oordeel van de raad geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt. Dat klager dan wel zijn cliënte door het niet beantwoorden van e-mailberichten en telefonische oproepen in zijn/haar belangen is geschaad, is niet gebleken.
Uitspraak
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch
van 23 maart 2026
in de zaak 25-698/DB/OB
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over:
verweerster
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 19 november 2024 heeft klager tegen verweerster een klacht ingediend bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Oost-Brabant (hierna: “de deken”).
1.2 Op 15 oktober 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 48|24|038K van de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 9 februari 2026. Verschenen zijn klager en verweerster.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de nagekomen e-mails met bijlagen van verweerster van 20 oktober 2025 en 26 januari 2026.
2 FEITEN
2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2 De heren N en P zijn zoons van mevrouw J (hierna: “moeder”). Vanaf 2010 is de psychische gesteldheid van moeder een twistpunt tussen N en P enerzijds en moeder anderzijds. Moeder is meermaals gedwongen opgenomen geweest met gebruikmaking van een zorgmachtiging. In 2019 zijn N en P benoemd tot de curatoren van moeder.
2.3 Moeder wordt vanaf september 2023 bijgestaan door klager, die namens haar diverse (kort geding en bodem-) procedures aanhangig heeft gemaakt. Zo heeft klager namens moeder een verzoek tot opheffing van de curatele en tot ontslag van de curatoren ingediend.
2.4 N en P worden vanaf eind 2023 bijgestaan door verweerster. Verweerster is gevestigd in het arrondissement Oost-Brabant.
2.5 Op 5 maart 2024 heeft klager tegen verweerster een klacht ingediend bij de deken van de orde van advocaten in het arrondissement Gelderland.
2.6 Op 27 mei 2024 heeft verweerster namens haar cliënten N en P tegen klager een klacht ingediend bij de deken van de orde van advocaten in het arrondissement Gelderland.
2.7 Op 17 juni 2024 heeft klager tegen verweerster een klacht ingediend bij de deken van de orde van advocaten in het arrondissement Zeeland-West-Brabant.
2.8 Mr. S heeft namens GW een klacht ingediend tegen klager bij de deken van de orde van advocaten in het arrondissement Gelderland. Op 10 juli 2024 heeft klager in deze klachtzaak een e-mailbericht gestuurd aan het bureau van de orde van advocaten in het arrondissement Gelderland. Klagers e-mail was een reply op een e-mail van het ordebureau aan klager van 18 juni 2024, welke e-mail was weergegeven onder de e-mail van klager aan het ordebureau. De tekst van die e-mail van het ordebureau luidde: “Graag verwijs ik u naar bijgaande brief. De bijlagen bij de brief ontvangt u vanwege de omvang via een separate e-mail.” Klager heeft zijn e-mailbericht aan het ordebureau abusievelijk in cc aan verweerster gestuurd. Onderaan de e-mail van klager aan het ordebureau is vermeld:
“Dit bericht met eventuele bijlagen kan vertrouwelijke informatie bevatten en is slechts bedoeld voor de geadresseerde. Als u niet de geadresseerde bent is het niet toegestaan kennis te nemen van (de inhoud van) dit bericht en eventuele bijlagen, het bericht en bijlagen op te slaan, te verspreiden of te kopiëren. U wordt verzocht in dat geval contact op te nemen met [D ADVOCATUUR] en het bericht en de bijlagen te verwijderen. Openbaarmaking, verspreiding of verstrekking aan derden zonder voorafgaande toestemming van [D ADVOCATUUR] is niet toegestaan. [D ADVOCATUUR] is gevestigd te […] en ingeschreven in het handelsregister onder nummer […]. Op de dienstverlening zijn algemene voorwaarden van toepassing waarin een beperking van de aansprakelijkheid is opgenomen. De voorwaarden zijn gedeponeerd bij de kamer van koophandel en binnenkort te vinden op www.[....].nl.”
2.9 Bij e-mail van dezelfde dag heeft verweerster klager als volgt bericht:
“Geachte confrère,
U stuurt mij dit, zie onderstaand.
Dit kan niet kloppen.”
2.10 Op 6 november 2024 heeft verweerster namens haar cliënten N en P een kort geding procedure jegens klager aanhangig gemaakt waarin een contactverbod tussen klager en moeder is gevorderd. N en P hebben samengevat aan hun vordering ten grondslag gelegd dat het contact tussen moeder en klager een dermate ongunstige uitwerking heeft op moeder dat het contact tussen klager en moeder onverantwoord is.
2.11 Op 18 november 2024 heeft de mondelinge behandeling in kort geding plaatsgevonden. Verweerster heeft namens haar cliënten een pleitnota voorgedragen. In deze pleitnota heeft verweerster namens haar cliënten onder meer het volgende gesteld:
"(3) Doch dat er een advocaat is die de situatie enkel verergert, in de hand werkt, en enkel polariserend en ontwrichtend heeft gehandeld.
(9) (…) [Klager] doet ongegronde en niet onderbouwde beschuldigingen/ poneert vergaande verwijten en blijft dit doen zowel richting [N en P] als richting GGnet.(…)
Klager] faciliteert dat moeder geen contact heeft met [N en P] (haar curatoren). Al het contact met moeder moet via [klager].(…)
(11) (…) Ook op herhaald verzoek om overleg/ telefonisch contact wordt door moeder niet gereageerd.(…)
(21) (…) [N en P] zijn nog geen beschuldiging tegengekomen die juridisch dan wel feitelijk klopt. Moeder wordt evenwel ten onrechte gevoed door die beschuldigingen/ onjuiste informatie.(…)
(22) Het is [N en P] bekend dat de handelwijze van [klager] structureel van aard is. En ook het patroon in andere zaken waarbij [klager] optreedt. Op dit moment lopen er bij de orde van advocaten te Gelderland meerdere tuchtklachten jegens [klager], naast die van [N en P] aldus.
(23) [N en P] zijn van mening dat [klager] volkomen ontwrichtend te werk is gegaan. En nog steeds gaat. (…)”
2.12 Op 19 november 2024 heeft klager tegen verweerster een klacht ingediend bij de deken.
2.13 Bij vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 4 december zijn de vorderingen van N en P afgewezen. N en P hebben hoger beroep ingesteld.
2.14 Op 16 januari 2025 heeft verweerster (namens zichzelf) tegen klager een klacht ingediend bij de deken van de orde van advocaten in het arrondissement Gelderland.
2.15 Bij arrest van 18 november 2025 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 4 december 2024 vernietigd en de vorderingen van N en P alsnog toegewezen. Het Hof heeft onder meer overwogen:
(3.11) Gelet op vorenstaande acht het hof een verbod op contact tussen [rechthebbende] en [geïntimeerde] geboden. Het hof acht de kans dat de werkwijze van [geïntimeerde], zijn uitlatingen en gedragingen zoals onder 3.7 en 3.8 weergegeven van dusdanig ongunstige uitwerking op de geestelijke en lichamelijke gezondheidstoestand van [rechthebbende], zoals onder 3.6 weergegeven dat verder vrij verkeer tussen raadsman en curandus onverantwoord is. [curator1] en [curator2] hebben daarom terecht gevorderd dat dit contact zal worden verboden. Het hof zal de periode van het contactverbod beperken tot een jaar. Daarmee ontzegt het hof [rechthebbende] uitdrukkelijk niet haar grondrecht op bijstand van een advocaat. Dat zal dan wel een andere advocaat dan [geïntimeerde] zijn.”
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerster het volgende:
1. Op 10 juli 2024 heeft klager een vertrouwelijk e-mailbericht gestuurd aan het Bureau van de Orde van Advocaten in het arrondissement Gelderland. Klager heeft dit e-mailbericht abusievelijk in cc aan verweerster gestuurd. Verweerster heeft dit e-mailbericht vervolgens gedeeld met haar cliënten en ter zake actief contact gezocht met de in het e-mailbericht genoemde advocaat, hetgeen blijkt uit het gestelde in randnummer 22 van verweersters pleitnota, dat onnodig grievend is.
2. Verweerster heeft in haar pleitnota onjuiste uitlatingen gedaan.
3. Verweerster is voor klager structureel niet bereikbaar geweest, heeft klager niet teruggebeld en was niet bereid om met klager overleg te voeren.
4 VERWEER
4.1 Verweerster heeft verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING
5.1 Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen.
5.2 Klachtonderdeel 1 – delen vertrouwelijk e-mailbericht
Klager verwijt verweerster dat zij een vertrouwelijk en niet voor haar bestemd e-mailbericht heeft gedeeld met haar cliënten en ter zake actief contact heeft gezocht met de in het e-mailbericht genoemde advocaat (mr. S). Verweerster heeft uitdrukkelijk weersproken dat zij het e-mailbericht heeft gedeeld met haar cliënten en ter zake actief contact heeft gezocht met mr. S.
5.3 In dergelijke gevallen, waarin de lezingen van partijen omtrent de inhoud van de klacht uiteen lopen en niet goed kan worden vastgesteld welke van beide lezingen het meest aannemelijk is, kan die klacht c.q. dat klachtonderdeel in beginsel niet gegrond worden verklaard. Dit berust niet hierop dat het woord van klager minder geloof verdient dan het woord van verweerster, maar op de omstandigheid dat voor het oordeel dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld eerst voldoende aannemelijk moet zijn dat het verweten handelen feitelijk heeft plaatsgevonden. Dat nu is in deze zaak niet het geval. Klager heeft zelf toegegeven dat hij voor de feitelijke onderbouwing van dit klachtonderdeel geen bewijs kan aandragen. Op basis van de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht kan de raad niet vaststellen dat verweerster het e-mailbericht heeft gedeeld met haar cliënten, noch dat zij contact heeft gezocht met mr. S. Ook het gestelde in randnummer 22 van verweersters pleitnota vormt geen aanknopingspunt voor de feitelijke juistheid van klagers verwijt. Zoals klager ook ter zitting van de raad heeft verklaard, kan niet uitgesloten worden dat verweerster op andere wijze dan middels het gewraakte e-mailbericht van 10 juli 2024 op de hoogte is geraakt van tegen klager ingediende klachten. De feitelijke grondslag van dit klachtonderdeel ontbreekt kortom.
5.4 Naar het oordeel van de raad kan hetgeen verweerster in randnummer 22 van de pleitnota heeft gesteld niet worden gekwalificeerd als onnodig grievend. In de kort geding procedure die verweerster namens haar cliënten aanhangig had gemaakt en waarin een contactverbod tussen klager en mevrouw J werd gevorderd, stond de wijze waarop klager mevrouw J bijstond centraal. De raad is van oordeel dat verweerster genoegzaam gemotiveerd heeft toegelicht dat en waarom het in het kader van de behartiging van de belangen van haar cliënten van belang was om in de pleitnota melding te maken van tegen klager ingediende tuchtklachten. Naar het oordeel van de raad stond het verweerster vrij om in het kader van de behartiging van de belangen van haar cliënten de context te schetsen en in dat verband melding te maken van tegen klager ingediende tuchtklachten.
5.5 Op grond van het voorgaande zal de raad klachtonderdeel 1 ongegrond verklaren.
5.6 Klachtonderdeel 2 – onjuistheden in pleitnota
Klager verwijt verweerster dat zij in de pleitnota onjuiste uitlatingen heeft gedaan. Ook dit verwijt heeft verweerster gemotiveerd weersproken. De raad overweegt als volgt.
5.7 Het was de taak van verweerster om de belangen van haar cliënten te behartigen en in dat verband in de procedure die standpunten naar voren te brengen waarmee naar haar oordeel de belangen van haar cliënten het beste werden gediend. Het stond verweerster in dat verband vrij om ter onderbouwing van de in kort geding ingestelde vordering namens haar cliënten te betogen dat de werkwijze van klager een dusdanig ongunstige uitwerking had op de geestelijke en lichamelijke gezondheidstoestand van de moeder dat verder vrij verkeer tussen klager en moeder onverantwoord was. Dat verweerster ter onderbouwing van dat betoog feiten heeft gesteld waarvan zij de onwaarheid kende of behoorde te kennen is de raad niet gebleken. Verweerster heeft gebruik gemaakt van het feitenmateriaal dat haar cliënten haar hadden verschaft en niet is gebleken dat verweerster aanleiding had om aan de juistheid daarvan te twijfelen. Indien en voor zover klager het met de door verweerster naar voren gebrachte standpunten niet eens was of deze naar de mening van klager feitelijke onjuistheden bevatten, kon hij daarop in de civiele procedure reageren. Het was vervolgens aan de civiele rechter, en niet thans aan de tuchtrechter, om te oordelen over de geschilpunten die partijen in het civielrechtelijk geschil verdeeld hielden. De procedure bij de raad van discipline is er niet voor bedoeld om de reeds gevoerde civiele procedure over te doen. Klachtonderdeel 2 is op grond van het voorgaande eveneens ongegrond.
5.8 Klachtonderdeel 3 – bereikbaarheid
Klager verwijt verweerster tot slot dat zij voor klager structureel niet bereikbaar is geweest, klager niet heeft teruggebeld en niet bereid was om met klager overleg te voeren. Verweerster heeft ook dit klachtonderdeel weersproken. In dat verband heeft verweerster naar voren gebracht dat zij uitzonderlijk veel e-mails van klager ontving, wel zes per dag, en dat zij met haar cliënten had afgestemd niet op die e-mailberichten te reageren, omdat dit niet in het belang van haar cliënten was. De raad overweegt als volgt.
5.9 Uit de aan de raad overgelegde stukken blijkt dat klager en verweerster uitvoerig met elkaar hebben gecorrespondeerd. Naar het oordeel van de raad stond het verweerster vrij om in overleg met haar cliënten te bepalen dat het in het kader van de behartiging van de belangen van haar cliënten niet wenselijk was om op alle e-mailberichten van klager te reageren. Ook van het niet beantwoorden van alle telefonische oproepen van klager kan verweerster naar het oordeel van de raad geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt. Dat klager dan wel zijn cliënte door het niet beantwoorden van e-mailberichten en telefonische oproepen in zijn/haar belangen is geschaad, is niet gebleken. Klachtonderdeel 3 is derhalve eveneens ongegrond.
5.10 De raad komt tot de slotsom dat uit de overgelegde stukken niet is gebleken dat verweerster de grenzen van de aan haar, in haar hoedanigheid van advocaat van de wederpartij, toekomende vrijheid heeft overschreden. De raad zal de klacht op grond van het voorgaande in alle onderdelen ongegrond verklaren.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart de klacht in alle onderdelen ongegrond.
Aldus beslist door mr. J.M.H. Schoenmakers, voorzitter, mrs. A.A.T. van Ginderen, S.M.P.T. Ruijs-Kreté, leden, bijgestaan door mr. T.H.G. Huber-van de Langenberg als griffier, en uitgesproken op 23 maart 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 23 maart 2026
