Rechtspraak
Uitspraakdatum
23-03-2026
ECLI
ECLI:NL:TADRSHE:2026:43
Zaaknummer
25-857/DB/LI
Inhoudsindicatie
Raadsbeslissing. Klacht over de kwaliteit van de dienstverlening. Klager verwijt verweerder dat hij diverse beroepsfouten heeft gemaakt bij de behandeling van klagers zaak. Klager heeft reeds eerder geklaagd over verweerders optreden. Klager heeft in de eerdere klachtzaak aan verweerder verweten dat hij “in de twaalf zaken die hij voor klager heeft behandeld meerdere beroepsfouten heeft gemaakt”. De raad heeft deze klacht bij beslissing van 24 april 2023 gegrond verklaard en ter zake aan verweerder een berisping opgelegd. Het Hof van Discipline heeft deze beslissing bekrachtigd bij beslissing van 5 april 2024, zodat de beslissing van de raad op die datum onherroepelijk is geworden. Nu de tuchtrechter al onherroepelijk heeft geoordeeld over de aan verweerder verweten beroepsfouten, kan op grond van het “ne bis in idem-beginsel”, zoals vastgelegd in artikel 47b Advocatenwet, niet nogmaals over die beroepsfouten worden geklaagd. De raad zal klachtonderdeel 1 sub a dan ook niet-ontvankelijk verklaren. Over de klacht (k.o. 1 sub b) dat verweerder heeft geprobeerd deze beroepsfouten te verbloemen, heeft de tuchtrechter nog niet onherroepelijk geoordeeld, zodat dit klachtonderdeel wel ontvankelijk is. Dit klachtonderdeel mist echter feitelijke grondslag en is daarom ongegrond. Verweerder heeft wel tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld doordat hij (k.o. 2) de door klager in oktober 2024 opgevraagde dossiers pas in maart 2025 aan klager heeft afgegeven. Verweerder heeft onweersproken gesteld dat hij gedurende de rechtsbijstandsverlening aan klager steeds afschriften van alle stukken aan klager heeft gestuurd. Naar het oordeel van de raad is derhalve niet gebleken dat klager in zijn belangen is geschaad doordat verweerder de dossiers pas op 7 maart 2025 heeft afgegeven. Om die reden is de raad van oordeel dat kan worden volstaan met oplegging van een waarschuwing.
Uitspraak
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch
van 23 maart 2026
in de zaak 25-857/DB/LI
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over:
verweerder
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 29 april 2025 heeft klager tegen verweerder een klacht ingediend bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Limburg (hierna: “de deken”).
1.2 Op 12 december 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K25-063 van de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 9 februari 2026. Verschenen is verweerder. Klager is niet verschenen.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de nagekomen e-mail van klager van 24 januari 2026.
2 FEITEN
2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2 Verweerder heeft aan klager rechtsbijstand verleend.
2.3 Op 17 mei 2022 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerder. De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 27 februari 2023. Bij beslissing van 24 april 2023 (ECLI:NL:TADRSHE:2023:49) heeft de raad de klacht deels gegrond verklaard. In deze beslissing is onder het kopje “(2) De klacht” het volgende vermeld:
“(2.1) De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder het volgende:
b) (…)
Klager heeft het volgende ter toelichting op zijn klacht naar voren gebracht:
Verweerder heeft in de twaalf zaken die hij voor klager heeft behandeld meerdere beroepsfouten gemaakt. (…)”
2.4 Bij bovengenoemde beslissing heeft de raad klachtonderdeel a gegrond en klachtonderdeel b ongegrond verklaard. Ter zake het gegrond verklaarde klachtonderdeel heeft de raad aan verweerder een berisping opgelegd.
2.5 Klager heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de raad. Het Hof van Discipline heeft bij beslissing van 5 april 2024 (ECLI:NL:TAHVD:2024:99) de beroepsgronden van klager verworpen en de beslissing van de raad bekrachtigd.
2.6 Op 28 oktober 2024 heeft mr. VdB namens klager een drietal dossiers bij verweerder opgevraagd. Bij e-mail van 27 februari 2025 heeft klager verweerder verzocht om de dossiers uiterlijk op vóór 7 maart 2025 over te dragen. Op 7 maart 2025 heeft verweerder de dossiers afgegeven op het kantoor van mr. VdB.
2.7 Op 29 april 2025 heeft klager tegen verweerder een klacht ingediend bij de deken.
2.8 Op 11 mei 2025 heeft klager verweerder aansprakelijk gesteld. Verweerder heeft de zaak doorgeleid naar de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar.
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder het volgende:
1. Verweerder heeft (a) diverse beroepsfouten gemaakt bij de behandeling van klagers zaak en heeft (b) geprobeerd deze beroepsfouten te verbloemen.
2. Verweerder heeft de door klager in oktober 2024 opgevraagde dossiers pas in maart 2025 aan klager afgegeven.
4 VERWEER
4.1 Verweerder heeft verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING
5.1 Klachtonderdeel 1 sub a
Klager verwijt verweerder dat hij diverse beroepsfouten heeft gemaakt bij de behandeling van klagers zaak. Klager heeft reeds eerder geklaagd over verweerders optreden. De raad overweegt dat in het tuchtrecht het zogenaamde “ne bis in idem-beginsel” geldt, dat is vastgelegd in artikel 47b Advocatenwet. Dit beginsel houdt in dat niet opnieuw kan worden geklaagd over een gedraging van een advocaat waarover de tuchtrechter eerder al (onherroepelijk) heeft geoordeeld. De achtergrond van dit beginsel is dat een advocaat, over wie een klacht is ingediend, er na het einde van de klachtprocedure in beginsel op moet kunnen vertrouwen dat de klacht daarmee is afgewikkeld en dat het handelen waarop de klacht betrekking heeft niet opnieuw aan de tuchtrechter kan worden voorgelegd.
5.2 De raad stelt het volgende vast. Klager heeft in de eerdere klachtzaak aan verweerder verweten dat hij “in de twaalf zaken die hij voor klager heeft behandeld meerdere beroepsfouten heeft gemaakt”. De raad heeft deze klacht bij beslissing van 24 april 2023 gegrond verklaard en ter zake aan verweerder een berisping opgelegd. Het Hof van Discipline heeft deze beslissing bekrachtigd bij beslissing van 5 april 2024, zodat de beslissing van de raad op die datum onherroepelijk is geworden. Nu de tuchtrechter al onherroepelijk heeft geoordeeld over de aan verweerder verweten beroepsfouten, kan op grond van het “ne bis in idem-beginsel”, zoals vastgelegd in artikel 47b Advocatenwet, niet nogmaals over die beroepsfouten worden geklaagd. De raad zal klachtonderdeel 1 sub a dan ook niet-ontvankelijk verklaren.
5.3 Klachtonderdeel 1 sub b
Klager verwijt verweerder voorts dat hij heeft geprobeerd om de beroepsfouten te verbloemen. Verweerder heeft dit verwijt weersproken. De raad is van oordeel dat klager dit klachtonderdeel onvoldoende met concrete feiten en omstandigheden heeft onderbouwd. De raad heeft in de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht geen aanknopingspunten gevonden voor de juistheid van dit verwijt. Omdat de feitelijke grondslag ontbreekt, wordt dit klachtonderdeel ongegrond verklaard.
5.4 Klachtonderdeel 2
Klager verwijt verweerder tot slot dat hij de door klager in oktober 2024 opgevraagde dossiers pas in maart 2025 aan klager heeft afgegeven. Verweerder heeft erkend dat hij de door klager in oktober 2024 opgevraagde dossiers pas in maart 2025 heeft afgegeven en heeft naar voren gebracht dat hij er door drukke werkzaamheden niet aan was toegekomen om de stukken te verzamelen en af te geven. Verder heeft verweerder naar voren gebracht dat hem van de opgetreden vertraging geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt, omdat klager alle stukken reeds in zijn bezit had, nu verweerder lopende de behandeling van de zaken steeds alle stukken aan klager heeft toegestuurd. De raad overweegt als volgt.
5.5 Indien een (oud) cliënt om afgifte van een dossier verzoekt, dient de advocaat op voortvarende wijze aan dat verzoek gehoor te geven. Door de dossiers, die in oktober 2024 zijn opgevraagd, pas af te geven in maart 2025, heeft verweerder dit verzuimd. De door verweerder gestelde drukke werkzaamheden en het feit dat klager alle stukken reeds in zijn bezit had, vormen voor dit verzuim geen rechtvaardiging en ontnemen aan het verzuim niet het tuchtrechtelijk verwijtbare karakter. De raad is dan ook van oordeel dat dit klachtonderdeel gegrond is.
6 MAATREGEL
6.1 Verweerder heeft tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld doordat hij de door klager in oktober 2024 opgevraagde dossiers pas in maart 2025 aan klager heeft afgegeven. Verweerder heeft onweersproken gesteld dat hij gedurende de rechtsbijstandsverlening aan klager steeds afschriften van alle stukken aan klager heeft gestuurd. Naar het oordeel van de raad is derhalve niet gebleken dat klager in zijn belangen is geschaad doordat verweerder de dossiers pas op 7 maart 2025 heeft afgegeven. Om die reden is de raad van oordeel dat kan worden volstaan met oplegging van een waarschuwing.
7 GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING
7.1 Omdat de raad de klacht deels gegrond verklaart,moet verweerder op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klager betaalde griffierecht van € 50,- aan hem vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.
7.2 Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder daarnaast op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:
a) € 50,- reiskosten van klager;
b) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en
c) € 500,- kosten van de Staat.
7.3 Verweerder moet het bedrag van € 50,- aan reiskosten binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, betalen aan klager. Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.
7.4 Verweerder moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder b en c genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart klachtonderdeel 1 sub a niet-ontvankelijk;
- verklaart klachtonderdeel 1 sub b ongegrond;
- verklaart klachtonderdeel 2 gegrond;
- legt aan verweerder de maatregel van waarschuwing op;
- veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klager. op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.1;
- veroordeelt verweerder tot betaling van de reiskosten van € 50,- aan klager, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3;
- veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.4.
Aldus beslist door mr. J.M.H. Schoenmakers, voorzitter, mrs. A.A.T. van Ginderen, S.M.P.T. Ruijs-Kreté, leden, bijgestaan door mr. T.H.G. Huber-van de Langenberg als griffier, en uitgesproken op 23 maart 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 23 maart 2026
