Naar boven ↑

Rechtspraak

Raadsbeslissing. Klacht over de kwaliteit van de dienstverlening.  Klager verwijt verweerder dat hij diverse beroepsfouten heeft gemaakt bij de behandeling van klagers zaak. Klager heeft reeds eerder geklaagd over verweerders optreden. Klager heeft in de eerdere klachtzaak aan verweerder verweten dat hij “in de twaalf zaken die hij voor klager heeft behandeld meerdere beroepsfouten heeft gemaakt”. De raad heeft deze klacht bij beslissing van 24 april 2023 gegrond verklaard en ter zake aan verweerder een berisping opgelegd. Het Hof van Discipline heeft deze beslissing bekrachtigd bij beslissing van 5 april 2024, zodat de beslissing van de raad op die datum onherroepelijk is geworden. Nu de tuchtrechter al onherroepelijk heeft geoordeeld over de aan verweerder verweten beroepsfouten, kan op grond van het “ne bis in idem-beginsel”, zoals vastgelegd in artikel 47b Advocatenwet, niet nogmaals over die beroepsfouten worden geklaagd. De raad zal klachtonderdeel 1 sub a dan ook niet-ontvankelijk verklaren. Over de klacht (k.o. 1 sub b) dat verweerder heeft geprobeerd deze beroepsfouten te verbloemen, heeft de tuchtrechter nog niet onherroepelijk geoordeeld, zodat dit klachtonderdeel wel ontvankelijk is. Dit klachtonderdeel mist echter feitelijke grondslag en is daarom ongegrond. Verweerder heeft wel tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld doordat hij (k.o. 2) de door klager in oktober 2024 opgevraagde dossiers pas in maart 2025 aan klager heeft afgegeven. Verweerder heeft onweersproken gesteld dat hij gedurende de rechtsbijstandsverlening aan klager steeds afschriften van alle stukken aan klager heeft gestuurd. Naar het oordeel van de raad is derhalve niet gebleken dat klager in zijn belangen is geschaad doordat verweerder de dossiers pas op 7 maart 2025 heeft afgegeven. Om die reden is de raad van oordeel dat kan worden volstaan met oplegging van een waarschuwing.