Rechtspraak
Uitspraakdatum
19-03-2026
ECLI
ECLI:NL:TADRSGR:2026:36
Zaaknummer
25-443/DH/RO
Inhoudsindicatie
Raadsbeslissing. Klacht over de eigen advocaat. Verweerster heeft onvoldoende gewaarborgd dat klager voldoende werd geïnformeerd over de wisselingen van advocaten die zijn dossier behandelden. Daarvoor was zij als kantooreigenaar en patroon van de bij haar werkzame advocaat-stagiaires wel verantwoordelijk. Verweerster had actiever moeten communiceren. Omdat verweerster blijk heeft gegeven van voldoende zelfreflectie en haar excuses heeft aangeboden, volstaat de raad met een waarschuwing.
Uitspraak
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 23 februari 2026 in de zaak 25-443/DH/RO naar aanleiding van de klacht van:
klager
over:
verweerster
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE 1.1 Op 15 juli 2024 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Rotterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster. 1.2 Op 7 juli 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk R 2025/066 van de deken ontvangen. 1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 12 januari 2026. Daarbij waren klager en verweerster aanwezig. 1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventaris genoemde bijlagen 1 tot en met 33.
2 FEITEN 2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten. 2.2 Verweerster is eigenaar van een advocatenkantoor. Zij heeft meerdere advocaten in dienst (gehad). 2.3 Klager heeft zich tot het advocatenkantoor gewend voor bijstand inzake de fiscale gevolgen bij enkele familierechtelijke kwesties, waarover twee fiscale procedures zijn gevoerd. 2.4 Op 29 december 2022 heeft verweerster aan klager medegedeeld dat mr. G niet meer werkzaam was op het advocatenkantoor en dat mr. D hem op de zitting zou bijstaan. 2.5 In januari 2023 heeft de Inspecteur een verweerschrift ingediend. Uit dit verweerschrift is gebleken dat klager en mevrouw S als elkaars fiscale partner worden beschouwd omdat zij samen twee kinderen hebben. 2.6 Op 11 januari 2023 heeft klager aan verweerster geschreven: “Vandaag lever ik persoonlijk nog enkele stukken aan. Wat u in uw berichtgeving aangeeft dat ik op de hoogte zou zijn van het vertrek van [mr. G]. Dat ben ik niet. Al enige tijd heb ik keer op keer gebeld en ben zelfs langsgekomen op kantoor. N.a.v voorgaande berichtgevingen zou ik graag een gesprek willen en ook daarbij uitleg van wat er staat. Zo had ik vele vragen, die tot nu toe onbeantwoord zijn gebleven. Laat ik vanuit gaan dat u op de hoogte bent van mijn bezoeken, vragen en huidige situatie. U geeft aan dat [mr. D] volledig op de hoogte zou zijn van mijn dossier. Van de week heb ik ook naar kantoor gebeld en zocht u eigenlijk op. Hiervoor ben ik ook eerder geweest op kantoor en had alvorens gebeld, om een gesprek met u aan te gaan. Druk druk druk. Ook bij [mr. D] was het druk, geen tijd. Een gesprek van minder dan 5 minuten heb ik weten te forceren, omdat mijn boekhouder nodige informatie had ter aanvulling van de zaak. Uit alles blijkt, dat er [mr. D] niet op de hoogte is van mijn zaak. Als er geen tijd is voor mij en iedereen het druk heeft. En niet alleen ik heb het gemerkt ook mijn boekhouder dat [mr. D] niet op de hoogte is van mijn zaak. Dan vind ik uw conclusie wel passend betreft het handhaven van het belang. Ik kom totaal niet in beeld, welke licht u ook werpt betreffende het consult. Ik hoop dat u komende tijd toch wel even tijd neemt voor mijn zaak met nieuw ingebrachte stukken en dat ik vanuit kan gaan dat u mijn zaak behartigt. Uit alles blijkt dat dit zeer complex is en dat ik niet de enige ben. Het is een probleem van de overheid, dat nu mijn probleem wordt.” 2.7 Daarop heeft verweerster diezelfde dag gereageerd: “We hebben het allemaal inderdaad erg druk maar dat betekent niet dat wij geen oog hebben voor uw belangen. U heeft zich tot ons gewend omdat u rechtsbijstand nodig heeft. Wij dienen u op juiste wijze te adviseren en moeten u ook berichten wanneer wij zien dat de dingen niet helemaal zijn zoals u dat ziet. De stukken die u heden heeft afgegeven werpen geen nieuw licht op de situatie. Uw boekhouder kan informatie hebben maar dat betekent niet dat hiermee een juridisch verhaal kan worden onderbouwd. U haalt voorts de dingen door elkaar, de aankomende zitting gaat slechts over de partnerschap van mevrouw [S]. Op 9 januari jl. hebben wij hierover een reactie op het verweerschrift gegeven en is dat vanmiddag naar u doorgezonden. Uit de stukken is gebleken dat mevrouw [S] in het jaar 2018 zwanger was en had u in dat jaar blijkbaar een relatie met haar. In juni 2019 is immers uw eerste kindje samen met mevrouw [S] geboren. In 2021 is uw tweede kindje geboren. Dit zal uiteraard in de beoordeling zwaar wegen. Het gaat er immers om dat u een gezamenlijke huishouding heeft gehad en wanneer twee personen die een relatie hebben op een adres woonachtig zijn, dan kan en mag men er vanuit gaan dat u een gezamenlijke huishouding voert. Het is bijzonder jammer dat u de geboorte van deze twee kinderen niet eerder op deugdelijke wijze aan ons kenbaar heeft gemaakt. Dit is immers informatie die groot belang draagt en wij hebben hiervan pas bij verweerschrift kennis genomen. De kwestie van genietingsmoment zal later aan bod komen en indien nodig, kunnen we wanneer de zitting in die kwestie nadert, een afspraak maken. Voor nu is het van groot belang dat we ons concentreren op de aankomende zitting.” 2.8 Op 3 maart 2023 heeft de rechtbank Den Haag het beroep van klager ongegrond verklaard. Op 13 maart 2023 heeft een medewerker namens verweerster, zonder verdere motivering, klager geadviseerd om daartegen in hoger beroep te gaan. 2.9 Op 12 april 2023 heeft verweerster het dossier overgenomen, bestudeerd en klager bericht dat zij geen hoger beroep zal instellen, omdat dit weinig kans van slagen had en hoge kosten met zich bracht. Dit is per e-mail aan klager medegedeeld. Ook is op 13 april 2023 telefonisch contact gezocht. Klager heeft daarop niet gereageerd, waarna de hogerberoepstermijn op 15 april 2023 ongebruikt is verstreken. 2.10 Op 25 oktober 2023 heeft klager geschreven: “Voor de toevoeging ligt een verzoek (peiljaarverlegging 2022) klaar om verzonden te worden naar de Raad. Betreft het openstaande factuur, heb ik meermaals gevraag om mij een overzicht te sturen van alles wat openstaat. Er is daar nooit op gereageerd. Zo liggen er vele verzoeken voor contact met mijn advocaat. Ook daar is er nooit op gereageerd en zijn sommige door mij nog geforceerd voor een afspraak. Deze verzoeken zijn zowel telefonisch/ mail en zelfs persoonlijk gedaan op uw kantoor. U schets wel een heel ander beeld en dat vind ik heel teleurstellend. Mijn WMO heeft wel degelijk contact gehad met uw kantoor, maar de persoon in kwestie was er niet. De WMO ondersteuner heeft ook aangegeven dat ze de week daarop met vakantie ging. Als het goed is zijn ook contactinformatie uitgedeeld. Het was de bedoeling, dat wij samen naar kantoor zouden komen. Waarbij wij 3 punten zouden willen bespreken. 1) U had mij tijdens de laatste zitting aangegeven, dat u mij een brief zou geven die ik vervolgens naar het UWV kon sturen om hen aansprakelijk te stellen m.b.t gemaakte kosten/ schuld. 2) De WMO heeft samen met mij een overzicht gemaakt qua inkomsten en uitgave en schulden. Hiervan heb ik een map. De inhoud wou ik bespreekbaar maken. Want in elke zaak is er wel over gesproken, maar echt aannemelijk is het nooit gemaakt aan de rechter van hoe groot de schade is. 3) Het gaat er niet om dat ik niet wil betalen, het niet kunnen is nu ter sprake. Ik heb tig beslaglegging achter de rug en een paar zijn gaande met betalingsregelingen, zelfs de belastingdienst betaal ik terug. Hiervoor heb ik allemaal meerdere keren gebeld/ gemaild voor een afspraak. Geen reactie. Een zaak heeft u van mij zonder enig overleg al gesloten en nu dreigt u deze in hoger beroep ook nog te willen sluiten. Terwijl ik met mijn beperkingen zo mijn best doe en mijn hoofd boven water probeer te houden. U weet zelf dat ik uit het jaar 2017 en 2018 nog een flink bedrag hoor te ontvangen vanuit de belastingdienst. En aan de andere kant heeft UWV mij al een brief gestuurd, waar ik zo 123 een claim kan toezenden. En die brief heeft u ook ontvangen. Het is wel lang wachten op uw reactie en input. Dan lag dit openstaande bedrag ook bij hen als claim. Wat ik ervan vind, het is echt teleurstellend hoe alles nu verloopt. U nam zelfs aan dat ik wist dat [mr. G] er niet meer werkzaam was op uw kantoor. Wie zou mij dat verteld hebben? Terwijl al mijn verzoeken in de wacht zat, zonder enige reactie. Bij de zaak over faiscaalpartnerschap, krijg ik net voor de zitting een ander advocaat. Die moest alles in leren net een scriptie. Zo heb ik meerdere punten, waar ik aandacht, wat is dit? Het is dan wel een rommeltje op uw kantoor, als dit de communicatie is met aannames. Als u zo op uw strepen staat, kan ik niet anders dan een klacht in dienen bij de deken orde van advocaten. Donderdag is wellicht mijn WMO er weer, ik zal haar vragen om contact te leggen en kijken of er een mogelijkheid is voor een betalingsregeling. Weet dat ik altijd tegen u op keek en hoe u zich inzet. Bovenstaand heb ik zo even geventileerd, omdat er bijna geen contact is. Waar het ruis mag wezen, is hoop ik nu helderheid. Ik doe mijn best, heeft mij een week geduurd om hierop te kunnen reageren. Het is veel.” 2.11 Op 2 november 2023 heeft verweerster gereageerd: “Uw mailbericht d.d. 25 oktober jl. mochten wij in goede orde ontvangen en wil ik graag als volgt reageren. U geeft aan dat u met betrekking tot de afwijzing van de toevoeging klaar heeft liggen, heeft u deze inmiddels ingediend? U geeft aan dat er vele verzoeken van contact bij mij zouden liggen, dit is echter naar mijn weten slechts van de recente periode en ziet toe op de afwijzing van de toevoeging, tevens de nog niet betaalde factuur van de beroepsfase. Ik heb mijn ondersteuning verzocht de door u verzochte afspraak met uw WMO-begeleider af te stemmen. Op 5 oktober 2023 is met u gebeld en is verzocht om een mail te laten sturen zodat we weten waar het gesprek over zou moeten gaan. Bedoeld mailbericht hebben wij nooit ontvangen. Met betrekking tot de door u opgesomde punten het volgende: 1. Na de zitting in beroep hebben wij gesproken over uw schadeverzoek aan het UWV. Ik kan uw schade niet beoordelen, u wel. Als ik het mij goed herinner zou u de schade nader onderbouwen en dit aan mij bekend maken. Dit heeft u nooit gedaan. Ik heb uw belastingzaak in behandeling en ben best bereid om u zo nu en dan met andere omstandigheden verder te helpen, maar de kwestie UWV heb ik niet in behandeling. 2. Het is voor mij inderdaad erg belangrijk dat ik met een overtuigend verhaal richting de rechter kom. Er moet immers een procesbelang zijn en die kan ik alleen verwoorden als de bestreden beslissing tot schade bij heeft geleid. Tot op heden hebben wij de schade niet kunnen onderbouwen. Ik heb u meerdere malen verzocht om uw boekhouder aan het werk te zetten, te verduidelijken welke financiële gevolgen de bestreden beslissing voor u heeft gehad. Ik heb wel wat stukken van u aangeleverd gekregen, maar niet wat ik heb verzocht. (…) Dan zitten we echter met het volgende. In hoger beroep hebben wij een toevoeging aangevraagd, die is afgewezen. U geeft een verzoek peiljaarverlegging te zullen indienen maar bericht ons niet nader of u dit verzoek reeds heeft ingediend. Wij kunnen het verzoek ook voor u indienen, u kunt het ingevuld verzoek met de onderbouwende stukken aan ons toezenden, dan kunnen wij het voor u indienen bij de RvR. (…) Uiteraard hebben wij begrip voor u de moeilijke financiële periode waar u doorheen bent gegaan maar onze facturen brengt u meer in de problemen. De beroepsprocedure hebben we reeds doorlopen en dient de factuur van € 843,- betaald te worden. Hoger beroep nabetaling UWV: In hoger beroep ben ik geen voorstander van het uitbrengen van een factuur waardoor u nog meer in de financiële moeilijkheden komt. • Als u niet bereid of in staat bent om het dossiertarief als hiervoor genoemd te betalen, zal ik mijn werkzaamheden helaas moeten staken en mij moeten onttrekken aan de procedure. • Alsdan zal ik de reeds bestede tijd in hoger beroep uit coulance niet aan u in rekening brengen. Ik breng u onder de aandacht dat als ik mij aan de zaak onttrek de procedure niet tot een einde komt, u kunt de procedure zelf voortzetten en uw verhaal aan de rechter vertellen of een andere advocaat of gemachtigde inschakelen. Hoger beroep toeslagpartnerschap niet ingediend: • Ik lees dat u aangeeft dat zonder met u te overleggen de procedure in hoger beroep in de kwestie dat zag op het toeslagpartnerschap zonder met u te overleggen is gesloten. • Ik breng u onder de aandacht dat deze procedure nooit is opgestart. • Op 12 april 2023 heb ik u hier uitgebreid over gemaild, bedoeld mailbericht voeg ik bij. • Op 13 april 2023 heb ik u meerdere keren telefonisch proberen te bereiken, u heeft niet opgenomen of teruggebeld. Dezelfde dag heb ik u gemaild en aangegeven dat wij niet in hoger beroep zullen gaan. U heeft ook daarna niets van u laten horen. • Dit doe ik natuurlijk niet zo maar. Ook in die hoger beroepsprocedure zou u kosten moeten maken en het is mijn taak om u te beschermen tegen nodeloze kosten. De slagingskans in die procedure was simpelweg te klein om een poging te wagen. (…)” 2.12 Op 7 december 2023 heeft mr. K van het kantoor van verweerster aanvullende hogerberoepsgronden ingediend en zich in de procedure als advocaat-gemachtigde gesteld. 2.13 Op 26 april 2024 heeft mr. K aanvullende stukken van klager ingediend bij het gerechtshof. 2.14 Op 6 mei 2024 heeft mr. K klager telefonisch en per e-mail bericht hem op de zitting van 7 mei 2024 bij te staan. 2.15 Op 7 mei 2024 heeft een zitting plaatsgevonden bij het gerechtshof Den Haag. Klager is hierin bijgestaan door mr. K. 2.16 Per 15 mei 2024 is mr. K. niet meer aanwezig geweest op het advocatenkantoor. Per 1 juli 2024 is zij bij een ander advocatenkantoor gaan werken. 2.17 Bij uitspraak van 18 juni 2024 heeft het gerechtshof Den Haag de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Verweerster is in deze uitspraak aangemerkt als de gemachtigde van klager. Verweerster heeft de uitspraak op 21 juni 2024 ontvangen en op 16 juli 2024 doorgezonden aan klager.
3 KLACHT 3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager heeft de volgende verwijten geuit: a) Klager kreeg steeds nieuwe advocaten toegewezen aan zijn zaak, waarover hij laattijdig werd geïnformeerd; b) Klager kreeg geen contact met zijn advocaten; c) Er is een toevoeging voor een alleenstaande aangevraagd, terwijl klager samenwoont en twee inkomens deelt; d) Een van klagers zaken is gesloten zonder hem daarover in te lichten; e) Er wordt niets gedaan met de onderbouwing die klager heeft aangeleverd en zijn zaken worden niet serieus genomen.
4 VERWEER 4.1 Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING Toetsingskader 5.1 Deze klacht gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van de eigen advocaat. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht. Klachtonderdelen a) en b) 5.2 De raad stelt voorop dat verweerster in beginsel niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor het handelen of nalaten van de andere advocaten die klagers dossier (ook) hebben behandeld. Deze advocaten zijn daar ieder zelf verantwoordelijk voor. Ook kan verweerster niet worden verweten dat deze advocaten ergens anders wilden gaan werken en hun arbeidsovereenkomst hebben opgezegd. Wel is de raad van oordeel dat verweerster als kantooreigenaar en als uiteindelijke dossier-verantwoordelijke zich meer had moeten inspannen om te waarborgen dat klagers dossier op correcte wijze werd overgenomen zodra de behandelend advocaten het kantoor verlieten. Dat is niet gebeurd, waardoor het voor klager niet voldoende duidelijk is geweest welke advocaat zijn aanspreekpunt was geworden. Verweerster heeft erkend dat zij hierop beter had moeten toezien en heeft haar excuses aangeboden. Dat geldt ook voor zover zij de uitspraak van het gerechtshof van 18 juni 2024 pas na drie weken aan klager heeft verzonden. Verweerster heeft daarover toegelicht dat mr. K op dat moment onverwacht was vertrokken en zij haar zaken moest overnemen, waardoor zij enige tijd nodig had om de uitspraak te bestuderen en om de juiste instructies voor verzending te geven. Verweerster heeft daarbij aangegeven dat, hoe druk zij het ook had, zij klager niet drie weken had moeten laten wachten. 5.3 Klachtonderdelen a) en b) zijn gelet op het voorgaande gegrond. Klachtonderdeel c) 5.4 Verweerster heeft toegelicht dat de gevoerde procedures er juist op zagen om vastgesteld te krijgen dat klager alleenstaand was, zodat het ook voor de hand lag dat de toevoeging voor een alleenstaande is aangevraagd. Daarin kan niet worden gezien dat verweerster tekort is geschoten. Klachtonderdeel c) is ongegrond. Verweerster heeft in dit verband nog toegelicht dat bij het aanvragen van de toevoeging ook niet is aangegeven dat klager een eenoudergezin vormt, maar dat dit hersteld is zodra klager haar daarop heeft gewezen. Voor zover klager bedoeld heeft ook hierover te klagen, is de raad van oordeel dat van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen geen sprake is. Verweerster heeft zich voldoende ingespannen om de gemaakte fout recht te zetten. Klachtonderdeel d) 5.5 Uit het dossier volgt dat verweerster klager uitdrukkelijk heeft voorgehouden onvoldoende kansen te zien in een hoger beroep en dat zij dit daarom niet zou instellen. Daarover heeft zij zowel per e-mail als telefonisch met klager in contact willen treden. Verweerster heeft zich hierdoor voldoende ingespannen om klager hierover te informeren. Klachtonderdeel d) is ongegrond. Klachtonderdeel e) 5.6 Aan verweerster komt als dominus litis de vrijheid toe om te bepalen welke onderbouwing relevant is voor een processtuk. Verweerster heeft aan klager uitgelegd dat zij de informatie van de boekhouder niet kon gebruiken om de zaak juridisch te onderbouwen. In zoverre heeft zij dus niet klachtwaardig gehandeld. 5.7 De raad maakt uit het dossier ook niet op dat verweerster de zaak niet serieus heeft genomen. Wel is de raad van oordeel dat verweerster klager meer had moeten meenemen in de procedure nadat zij de zaak weer had overgenomen van haar collega’s, door hem tijdig te informeren over de kansen en risico’s en door in overleg een strategie te bepalen en vast te leggen. Dit is niet gebeurd, terwijl dit wel wordt verwacht van een redelijk bekwaam en redelijk handelend advocaat. Klachtonderdeel e) is daarom alsnog gegrond. Conclusie 5.8 De raad zal klachtonderdelen a), b) en e) gegrond verklaren. Klachtonderdelen c) en d) zijn ongegrond.
6 MAATREGEL 6.1 Verweerster heeft onvoldoende gewaarborgd dat klager voldoende werd geïnformeerd over de wisselingen van advocaten die zijn dossier behandelden. Daarvoor was zij als kantooreigenaar en patroon van de bij haar werkzame advocaat-stagiaires wel verantwoordelijk. Op het moment dat verweerster het dossier zelf behandelde, had zij actiever moeten communiceren met klager over de strategie. Dat geldt ook voor het late doorsturen van de uitspraak van het gerechtshof. Verweerster heeft in de klachtprocedure wel blijk gegeven van voldoende zelfreflectie en zij heeft klager haar excuses aangeboden. De raad acht die excuses ook oprecht. De raad ziet echter dat het op te veel onderdelen is misgegaan, zodat toch een maatregel zal worden opgelegd. Verweerster zal dan ook een waarschuwing krijgen.
7 GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING 7.1 Omdat de raad de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart, moet verweerster op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klager betaalde griffierecht van € 50,- aan hem vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk aan verweerster door. 7.2 Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerster daarnaast op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten: a) € 25,- reiskosten van klager, b) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en c) € 500,- kosten van de Staat.
7.3 Verweerster moet het bedrag van € 25,- aan reiskosten binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, betalen aan klager. Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk aan verweerster door. 7.4 Verweerster moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder b en c genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.
BESLISSING De raad van discipline: - verklaart klachtonderdelen a), b) en e) gegrond; - verklaart klachtonderdelen c) en d) ongegrond; - legt aan verweerster de maatregel van waarschuwing op; - veroordeelt verweerster tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klager; - veroordeelt verweerster tot betaling van de reiskosten van € 25,- aan klager, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in overweging 7.3; - veroordeelt verweerster tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in overweging 7.4.
