Rechtspraak
Uitspraakdatum
17-03-2026
ECLI
ECLI:NL:TADRSHE:2026:37
Zaaknummer
26-083/DB/OB
Inhoudsindicatie
Voorzittersbeslissing. Klacht over advocaat in de hoedanigheid van deken kennelijk ongegrond. Naar het oordeel van de voorzitter blijkt uit de overgelegde stukken dat verweerster heeft gehandeld conform hetgeen in de Advocatenwet en de Leidraad is bepaald en binnen de grenzen van de aan haar toekomende vrijheid. Gelet op het bepaalde in artikel 3.2 van de Leidraad moest verweerster de klacht eerst onderzoeken, voordat zij deze kon doorzenden naar de raad. Verweerster heeft het vertrouwen in de advocatuur dan ook geenszins geschaad door het verzoek van klagers om onmiddellijke doorzending, niet te honoreren. Verweerster heeft het vertrouwen in de advocatuur evenmin geschaad door het klachtdossier niet na drie maanden door te zenden aan de raad. Naar het oordeel van de voorzitter heeft verweerster voldoende aannemelijk gemaakt dat het dossier op 18 december 2024 is klaargezet in Join. Verweerster heeft klagers daarvan ook in kennis gesteld. Het dossier is vervolgens niet door de raad ontvangen. Dat dit laatste het gevolg is van een handelen of nalaten van verweerster is de voorzitter niet gebleken. Er is sprake geweest van een technische storing. Daarvan kan verweerster geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt. Toen duidelijk werd dat de raad het klachtdossier niet had ontvangen, is het klachtdossier nogmaals met bekwame spoed aan de raad doorgezonden.
Uitspraak
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort ’s-Hertogenbosch van 17 maart 2026
in de zaak 26-083/DB/OB
naar aanleiding van de klacht van:
klagers
over:
verweerster
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna: “de voorzitter”) heeft kennisgenomen van het e-mailbericht van 30 januari 2026 van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Oost-Brabant (hierna: de deken) met kenmerk 48|25|047K en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 8.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.
1.1 Op 29 juli 2024 hebben klagers, beiden advocaat, bij verweerster, in haar hoedanigheid van deken, een klacht ingediend over mr. S. Klagers hebben verzocht om de klacht onmiddellijk ter kennis te brengen van de raad van discipline. Verweerster heeft aan dit verzoek geen gehoor gegeven.
1.2 Verweerster heeft de klacht in behandeling genomen en onderzocht. Nadat mr. S verweer had gevoerd, zijn klagers en mr. S in de gelegenheid gesteld om te re- en dupliceren. Nadat verweerster bij brief van 24 september 2024 het dekenstandpunt had aangekondigd heeft zij partijen bij e-mail van 1 november 2024 om nadere informatie verzocht.
1.3 Bij e-mail van 1 november 2024 hebben klagers verweerster wederom verzocht om de klacht door te zenden aan de raad van discipline. Verweerster heeft aan dit verzoek geen gehoor gegeven, hetgeen zij bij e-mail van 4 november 2025 gemotiveerd aan klagers heeft toegelicht.
1.4 Verweerster bij brief van 19 november 2024 haar dekenvisie aan klagers en mr. S kenbaar gemaakt.
1.5 Op 21 november 2024 hebben klagers het griffierecht betaald. Bij e-mail van 27 november 2024 heeft verweerster de ontvangst van de betaling van het griffierecht aan klagers bevestigd.
1.6 Verweerster, althans de medewerker van het Ordebureau, heeft het klachtdossier op 18 december 2024 klaargezet in Join. Join is de digitale koppeling tussen het Ordebureau en de raad van discipline die door de Ordebureaus wordt gebruikt voor de doorzending van klachtdossiers aan de raden van discipline . Bij brief van 18 december 2024 heeft verweerster aan klagers en aan de griffie de raad van discipline in het ressort Den Haag bericht dat het dossier aan de raad van discipline was doorgezonden.
1.7 Op 11 maart 2025 heeft klaagster telefonisch contact opgenomen met de griffie van de raad van discipline in het ressort Den Haag om te informeren naar de stand van zaken. De griffiemedewerker heeft aan klaagster medegedeeld dat het klachtdossier niet bij de raad bekend was. Klaagster heeft verweerster op de hoogte gesteld van het feit dat het klachtdossier niet door de raad van discipline was ontvangen. Bij e-mail van 12 maart 2025 is namens verweerster aan klagers medegedeeld dat het klachtdossier wel op 18 december 2024 was klaargezet, dat niet bekend was waarom het dossier niet bij de raad terecht was gekomen en dat het klachtdossier nogmaals naar de raad zou worden verzonden.
1.8 Op 14 maart 2025 hebben klagers tegen verweerster een klacht ingediend bij het Hof van Discipline. Bij beslissing van 27 maart 2025 heeft het Hof van Discipline de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Oost-Brabant aangewezen om de klacht te onderzoeken en af te handelen.
1.9 Op 17 maart 2025 heeft het Ordebureau het klachtdossier doorgezonden aan de raad. Bij beslissing van 7 mei 2025 (ECLI:NL:TADRSGR:2025:95) heeft de plaatsvervangend voorzitter van de raad de klacht van klagers over mr. S. kennelijk ongegrond verklaard. Klagers hebben verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter. Bij beslissing van 1 september 2025 (ECLI:NL:TADRSGR:2025:182) heeft de raad het verzet deels gegrond verklaard, omdat de voorzitter een door klagers aangevoerd aspect niet had besproken. De raad heeft de klacht alsnog ongegrond verklaard. In de verzetbeslissing heeft de raad overwogen:
“(1.2) Op 18 december 2024 heeft de deken het klachtdossier met kenmerk K148 2024 aan de raad gestuurd. Door een technische storing heeft een en ander de raad pas bereikt op 17 maart 2025.”
2 KLACHT
2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klagers verwijten verweerster het volgende:
1. Verweerster heeft geweigerd om de klacht tegen mr. S direct door te zenden aan de raad van discipline in het ressort Den Haag;
2. Verweerster heeft desgevraagd geweigerd om de klacht na drie maanden door te zenden;
3. Verweerster heeft verzuimd het klachtdossier door te zenden nadat het griffierecht was betaald.
3 VERWEER
3.1 Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
4.1 Ontvankelijkheid
Alleen de persoon of de rechtspersoon die door het handelen of nalaten van een advocaat direct in zijn belang wordt of kan worden getroffen, heeft het recht om hierover een klacht in te dienen. Als het in het algemeen belang is dat er een tuchtprocedure komt, dan heeft de deken het recht om te klagen.
4.2 De voorzitter is van oordeel dat klagers in de klacht kunnen worden ontvangen. Vast staat dat in de doorzending van de klachtzaak vertraging is opgetreden en dat is voldoende om aan te nemen dat klagers in hun belang zijn of konden worden getroffen. Dat de klachtzaak tegen mr. S inmiddels bij de raad van discipline in behandeling is genomen en afgedaan, doet daar niets aan af.
4.3 Beoordeling
Toetsingskader
De klacht heeft betrekking op het optreden van verweerster in haar hoedanigheid van deken. Het tuchtrecht is bedoeld om te waarborgen dat advocaten hun beroep behoorlijk uitoefenen. Het tuchtrecht kan ook volledig gelden wanneer een advocaat optreedt in een andere hoedanigheid dan die van advocaat, terwijl er wel voldoende aanknopingspunten zijn tussen (i) de gedraging waarvan hem een verwijt wordt gemaakt en (ii) de uitoefening van het beroep van advocaat. Zijn die aanknopingspunten er niet, of niet voldoende, dan beoordeelt de tuchtrechter slechts of de advocaat het vertrouwen in de advocatuur heeft geschaad.
4.4 Klachtonderdelen 1 en 2
Klagers verwijten verweerster dat zij de klacht niet direct op verzoek van klagers heeft doorgezonden aan de raad en dat zij vervolgens, drie maanden na indiening van de klacht, de klacht niet overeenkomstig het bepaalde in artikel 46d lid 3 Advocatenwet heeft doorgezonden. Verweerster heeft weersproken dat zij tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. De voorzitter overweegt als volgt.
4.5 In (onder meer) de artikelen 46c en 46d van de Advocatenwet is geregeld wat ten aanzien van de klachtbehandeling van een deken wordt verlangd. Artikel 46c lid 3 Advocatenwet schrijft voor dat de deken tot taak heeft een onderzoek in te stellen naar elke bij de deken ingediende klacht. Het Hof van Discipline heeft overwogen dat met een behoorlijke klachtbehandeling niet valt te verenigen dat de deken een klacht zonder afgerond eigen onderzoek naar de feiten en de mogelijkheid van een minnelijke regeling en zonder zichzelf te vergewissen van de juistheid van de klachtomschrijving ter kennis van de raad brengt (HvD 3 februari 2014, ECLI:NL:TAHVD:2014:69).
4.6 De hierboven genoemde wettelijke bepalingen zijn nader uitgewerkt in de door de deken gehanteerde “Leidraad houdende regels inzake dekenale klachtbehandeling 2023” (hierna: “de Leidraad”). Artikel 3.2.van de Leidraad bepaalt dat de deken altijd een onderzoek moet doen, ook al wordt verzocht de klacht meteen door te sturen aan de raad. Artikel 3.8 van de Leidraad bepaalt dat indien de deken daartoe aanleiding ziet, hij partijen kan uitnodigen voor een bemiddelend gesprek. Artikel 4.1 bepaalt voorts dat de deken bepaalt wanneer het onderzoek is geëindigd. Artikel 4.5 bepaalt verder dat de klacht pas kan worden doorgestuurd naar de raad nadat de deken zijn onderzoek heeft afgerond. Hoe een onderzoek naar een tuchtklacht dient plaats te vinden is niet wettelijk geregeld, hetgeen betekent dat de deken een grote vrijheid toekomt in de inrichting van dat onderzoek en bij het bepalen van de reikwijdte ervan.
4.7 Naar het oordeel van de voorzitter blijkt uit de overgelegde stukken dat verweerster heeft gehandeld conform hetgeen in de Advocatenwet en de Leidraad is bepaald en binnen de grenzen van de aan haar toekomende vrijheid. Gelet op het bepaalde in artikel 3.2 van de Leidraad moest verweerster de klacht eerst onderzoeken, voordat zij deze kon doorzenden naar de raad. Verweerster heeft het vertrouwen in de advocatuur dan ook geenszins geschaad door het verzoek van klagers om onmiddellijke doorzending, niet te honoreren. Verweerster heeft het vertrouwen in de advocatuur evenmin geschaad door het klachtdossier niet na drie maanden door te zenden aan de raad. In artikel 4.1 van de Leidraad is immers bepaald dat de deken bepaalt wanneer het onderzoek naar de klacht is geëindigd. Kennelijk was verweerster in de klachtzaak tegen mr. S van oordeel dat het onderzoek naar de klacht na drie maanden nog niet was afgerond, zodat niet tot doorzending aan de raad kon worden overgegaan. Verweerster was voorts van oordeel dat de zaak zich niet leende voor een minnelijk gesprek. Het stond verweerster dan ook vrij om partijen niet uit te nodigen voor een bemiddelingsgesprek. Omdat kortom niet is gebleken dat verweerster met haar optreden het vertrouwen in de advocatuur heeft geschaad, zal de voorzitter de klachtonderdelen 1 en 2 kennelijk ongegrond verklaren.
4.8 Klachtonderdeel 3
Klagers verwijten verweerster dat zij heeft verzuimd het klachtdossier door te zenden nadat het griffierecht was betaald. Naar het oordeel van de voorzitter heeft verweerster voldoende aannemelijk gemaakt dat het dossier op 18 december 2024 is klaargezet in Join. Verweerster heeft klagers daarvan ook in kennis gesteld. Het dossier is vervolgens niet door de raad ontvangen. Dat dit laatste het gevolg is van een handelen of nalaten van verweerster is de voorzitter niet gebleken. Uit de in hierboven onder 1.8 geciteerde overweging van de raad leidt de voorzitter af dat sprake is geweest van een technische storing. Daarvan kan verweerster geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt. Toen duidelijk werd dat de raad het klachtdossier niet had ontvangen, is het klachtdossier nogmaals met bekwame spoed aan de raad doorgezonden.
4.9 De opgetreden vertraging in de behandeling van de klachtzaak had voorkomen kunnen worden als verweerster op of kort na 18 december 2024 zou hebben gecontroleerd of het klachtdossier wel bij de raad was aangekomen. Het feit dat verweerster dit niet heeft gecontroleerd maakt naar het oordeel van de voorzitter echter niet dat daardoor het vertrouwen in de advocatuur is geschaad. Gesteld noch gebleken is dat voormelde technische storing zich al eerder en/of vaker had voorgedaan. Ook klachtonderdeel 3 is dan ook kennelijk ongegrond.
BESLISSING
De voorzitter verklaart:
- de klacht, met toepassing van artikel 46j lid 1 aanhef en sub c Advocatenwet, in alle onderdelen kennelijk ongegrond.
Aldus beslist door mr. J.M.H. Schoenmakers, voorzitter, bijgestaan door mr. T.H.G. Huber- van de Langenberg, als griffier en uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 17 maart 2026
