Rechtspraak
Voorzittersbeslissing. Klacht over advocaat in de hoedanigheid van deken kennelijk ongegrond. Naar het oordeel van de voorzitter blijkt uit de overgelegde stukken dat verweerster heeft gehandeld conform hetgeen in de Advocatenwet en de Leidraad is bepaald en binnen de grenzen van de aan haar toekomende vrijheid. Gelet op het bepaalde in artikel 3.2 van de Leidraad moest verweerster de klacht eerst onderzoeken, voordat zij deze kon doorzenden naar de raad. Verweerster heeft het vertrouwen in de advocatuur dan ook geenszins geschaad door het verzoek van klagers om onmiddellijke doorzending, niet te honoreren. Verweerster heeft het vertrouwen in de advocatuur evenmin geschaad door het klachtdossier niet na drie maanden door te zenden aan de raad. Naar het oordeel van de voorzitter heeft verweerster voldoende aannemelijk gemaakt dat het dossier op 18 december 2024 is klaargezet in Join. Verweerster heeft klagers daarvan ook in kennis gesteld. Het dossier is vervolgens niet door de raad ontvangen. Dat dit laatste het gevolg is van een handelen of nalaten van verweerster is de voorzitter niet gebleken. Er is sprake geweest van een technische storing. Daarvan kan verweerster geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt. Toen duidelijk werd dat de raad het klachtdossier niet had ontvangen, is het klachtdossier nogmaals met bekwame spoed aan de raad doorgezonden.
