Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

16-03-2026

ECLI

ECLI:NL:TAHVD:2026:76

Zaaknummer

250333

Inhoudsindicatie

Klaagster heeft een klacht ingediend tegen de advocaat van de wederpartij. Volgens klaagster heeft verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld door tijdens een mondelinge behandeling van een kort geding in strijd met de waarheid te zeggen dat hij het oordeel van de bedrijfsarts niet had, terwijl hij voorafgaand aan de mondelinge behandeling zowel via e-mail als via post een citaat daaruit had ontvangen. De Raad van Discipline in het ressort Amsterdam (hierna: de raad) heeft de klacht van klaagster in zoverre gegrond verklaard en heeft aan verweerder de maatregel van waarschuwing opgelegd. Verweerder is in beroep gekomen tegen de gegrondverklaring. Het beroep slaagt. Het hof vernietigt de beslissing van de raad voor zover de klachtonderdelen b) en d) daarin gegrond zijn verklaard en verklaart deze klachtonderdelen alsnog ongegrond. 

Uitspraak

Beslissing van 16 maart 2026 in de zaak 250333 

naar aanleiding van het hoger beroep van:

 

verweerder 

gemachtigde: mr. E.J. Henrichs, advocaat te Amsterdam

 

tegen:

 

klaagster 

gemachtigde: mr. J.P. Barth, advocaat te Amsterdam

 

 

1    INLEIDING

1.1    Klaagster heeft een klacht ingediend tegen de advocaat van de wederpartij. Volgens klaagster heeft verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld door tijdens een mondelinge behandeling van een kort geding in strijd met de waarheid te zeggen dat hij het oordeel van de bedrijfsarts niet had, terwijl hij voorafgaand aan de mondelinge behandeling zowel via e-mail als via post een citaat daaruit had ontvangen. De Raad van Discipline in het ressort Amsterdam (hierna: de raad) heeft de klacht van klaagster in zoverre gegrond verklaard en heeft aan verweerder de maatregel van waarschuwing opgelegd. Verweerder is in beroep gekomen tegen de gegrondverklaring. Het beroep slaagt. Het hof vernietigt de beslissing van de raad voor zover de klachtonderdelen b) en d) daarin gegrond zijn verklaard en verklaart deze klachtonderdelen alsnog ongegrond. 

1.2    Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom verweerder in beroep is gekomen en hoe het hof daarover oordeelt.  

2    DE PROCEDURE 

Bij de raad van discipline

2.1    De raad heeft in de zaak tussen klaagster en verweerder (zaaknummer: 25-143/A/A) beslist op  1 september 2025. In deze beslissing is de klacht van klaagster gegrond verklaard ten aanzien van klachtonderdeel b), is klachtonderdeel d) gegrond verklaard ten aanzien van het onjuist informeren van de kantonrechter en voor het overige ongegrond verklaard en zijn de klachtonderdelen a) en c) ongegrond verklaard. Aan verweerder is de maatregel van waarschuwing opgelegd. Verder is verweerder veroordeeld tot betaling van het griffierecht, reiskosten en proceskosten. 

2.2    Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRAMS:2025:148 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.

Bij het hof van discipline

2.3    Het beroepschrift van verweerder tegen de beslissing is op 30 september 2025 ontvangen door de griffie van het hof. 

2.4    Verder bevat het dossier van het hof: -    de stukken van de raad;  -    het verweerschrift van klaagster; -    een e-mail van verweerder van 30 september 2025.

2.5    Bij e-mail van 13 januari 2026 heeft de griffie van dit hof aan de gemachtigde van klaagster verzocht de inventarislijst behorend bij de inleidende kortgedingdagvaarding van 12 december 2023 te overleggen. De gemachtigde van klaagster heeft bij e-mail van 13 januari 2026 aan dat verzoek voldaan. 

2.6    Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 19 januari 2026. Daar zijn verweerder en klaagster, bijgestaan door hun gemachtigden, verschenen. 

3    FEITEN

3.1    Het hof stelt de volgende feiten vast.

3.2    Klaagster was verwikkeld in een arbeidsrechtelijk geschil met haar werkgever (hierna: de werkgever). Klaagster werd daarin bijgestaan door haar advocaat, mr. H. Verweerder stond de werkgever bij.

3.3    Klaagster heeft zich op 22 november 2023 ziekgemeld, waarna de werkgever de salarisbetaling aan klaagster heeft stopgezet.

3.4    Daarop heeft klaagster haar werkgever op 12 december 2023 in kort geding gedagvaard. De deurwaarder heeft de dagvaarding rechtstreeks aan de werkgever betekend zonder de vijf bijbehorende producties. Verweerder heeft van zijn cliënt een kopie van betekende dagvaarding (zonder producties) ontvangen.

3.5    Op 21 december 2023 heeft verweerder mr. H. per e-mail gevraagd hem alsnog de producties digitaal toe te sturen. Aan dit verzoek heeft mr. H. dezelfde dag voldaan. Later die dag heeft mr. H. verweerder gemaild: 

‘Geachte confrère,

Ik ontving inmiddels ook een terugkoppeling van de bedrijfsarts van het spreekuur van 20 december 2023: 

[Klaagster] is arbeidsongeschikt geraakt als gevolg van medische beperkingen. Medische interventie is gaande. Er is nog geen herstel. 

Medische beperkingen worden veroorzaakt door verstoorde arbeidsverhouding, ik begrijp dat mediation al is ingezet. 

Adviezen (onder andere werkhervatting) 

Betrokkene is niet belastbaar voor werk, herstel zal tijd nodig hebben. Ik adviseer duidelijkheid te creëren rondom het conflict. 

Ik weet niet of uw client u deze terugkoppeling al had doorgezonden, maar deze lijkt mij van belang bij uw advisering in dit dossier. Gaarne in afwachting. (…)’ 

3.6    Op 8 januari 2024 heeft mr. H. de kortgedingdagvaarding met de bijbehorende producties aan de kantonrechter gestuurd. Dezelfde dag heeft mr. H. twee fysieke exemplaren van de kortgedingdagvaarding inclusief producties aan verweerder gestuurd. Aan het document ‘aanvragen deskundigenoordeel’ (productie 5) is op een losse pagina een citaat uit het advies van de bedrijfsarts toegevoegd: 

‘terugkoppeling van de bedrijfsarts van het spreekuur van 20 december 2023: 

[Klaagster] is arbeidsongeschikt geraakt als gevolg van medische beperkingen. Medische interventie is gaande. Er is nog geen herstel. 

Medische beperkingen worden veroorzaakt door verstoorde arbeidsverhouding, ik begrijp dat mediation al is ingezet. 

Adviezen (onder andere werkhervatting) 

Betrokkene is niet belastbaar voor werk, herstel zal tijd nodig hebben. Ik adviseer duidelijkheid te creëren rondom het conflict.’ 

3.7    Op 14 januari 2024 heeft klaagster bij akte haar eis gewijzigd, in die zin dat zij ook betaling vorderde van de werkelijke door haar gemaakte kosten voor juridische bijstand. 

3.8    Op 17 januari 2024 heeft de kantonrechter in Amsterdam de vordering van klaagster behandeld. Klaagster is tijdens deze mondelinge behandeling bijgestaan door haar advocaat mr. H. Van de mondelinge behandeling zijn aantekeningen gemaakt.

3.9    Tijdens de mondelinge behandeling heeft mr. H. verwezen naar de pagina die onderdeel uitmaakte van productie 5 bij de dagvaarding met daarop het citaat van de bedrijfsarts, zoals weergegeven onder 3.6. In het proces-verbaal is hierover het volgende opgenomen: 

‘(…)  [mr. H.]: zie laatste pagina productie 5 de pagina na de blanco pagina. Terugkoppeling bedrijfsarts is wat [klaagster] heeft gekregen van de bedrijfsarts 

[Verweerder]: die pagina heb ik niet. [Mr. H.] geeft hem die.  (…) 

3.10    Tijdens de mondelinge behandeling is vervolgens gesproken over het citaat van de bedrijfsarts. In het proces-verbaal is hierover het volgende opgenomen: 

‘(…)  [Verweerder]: Waarom alleen een citaat en niet de volledige terugkoppeling. 

[De werkgever]: ik heb de terugkoppeling niet ontvangen. Zij heeft het vermoedelijk zelf in haar inbox gekregen. 

[Mr. H.]: staat ook vertrouwelijk informatie in 

[Verweerder]: valt zo niet te verifiëren. 

Krt: als de wn zegt, zieken krijgen 100%, dan kan wg toch proberen aan te tonen dat dat niet zo is? 

[Verweerder]: kan niet verwacht worden dat wij dat gaan uitzoeken. Het bewijs ligt bij haar. (…)’ 

3.11     Op 18 januari 2024, een dag na de zitting, heeft mr. H. verweerder gemaild dat verweerder volgens hem tijdens de mondelinge behandeling stellingen heeft ingenomen die niet in overeenstemming met de werkelijkheid zijn. Tussen mr. H. en verweerder is daarna een e-mailconversatie gevoerd over de vermeende onjuiste uitlatingen die verweerder ter zitting zou hebben gedaan. 

3.12     Op 24 januari 2024 heeft de kantonrechter vonnis (hierna: het vonnis) gewezen waarbij de vordering tot salarisbetaling is toegewezen. Over de gevorderde werkelijke proceskosten heeft de kantonrechter overwogen: 

‘Het verzoek van [de werkneemster] om [de werkgever] te veroordelen om de werkelijke proceskosten te betalen, wordt afgewezen. Naar voorlopig oordeel is onvoldoende gebleken dat [de werkgever] haar verweer heeft gebaseerd op feiten en omstandigheden waarvan zij wist of behoorde te weten dat die onjuist waren of op stellingen waarvan zij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. In dit verband speelt een rol dat [de werkgever] heeft aangevoerd dat zij zich pas tijdens de mondelinge behandeling voor het eerst geconfronteerd zag met bet oordeel van bedrijfsarts (…). Gelet op het feit dat een werkelijke proceskostenveroordeling slechts bij uitzondering wordt toegewezen en in kort geding geen plaats is voor nader onderzoek, zal op dit moment van de juistheid van dat standpunt worden uitgegaan.’ 

3.13     Op 2 juni 2024 heeft klaagster bij de deken een klacht over verweerder ingediend.

4    KLACHT

4.1    De klacht zoals aan nog de orde bij het hof houdt zakelijk weergegeven in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat hij:

a)    […]

b)    tijdens de mondelinge behandeling in strijd met de waarheid heeft gezegd dat hij niet over het oordeel van de bedrijfsarts beschikte en dat hij daarmee ter zitting plotseling werd geconfronteerd, terwijl hij het oordeel van de bedrijfsarts op 21 december 2023 en 8 januari 2024 per e-mail van mr. H. heeft ontvangen en per post van 9 januari 2024 als productie 5 bij de dagvaarding; 

c)    verweerder heeft tijdens de mondelinge behandeling gezegd dat klaagster niet medisch arbeidsongeschikt zou zijn. Deze stelling had verweerder namens zijn cliënte nooit mogen innemen, omdat hij het oordeel van de bedrijfsarts kende. Toen de bestuurder van zijn cliënte schreeuwde dat klaagster nooit bij de bedrijfsarts was geweest, had verweerder zijn cliënt(e) moeten corrigeren; 

d)    het onjuist informeren van de kantonrechter door verweerder heeft klaagster ernstig financieel benadeeld, omdat de kantonrechter in punt 13 van het vonnis heeft geoordeeld dat klaagster geen recht heeft op betaling van de werkelijke proceskosten doordat de werkgever pas op de zitting zou zijn geconfronteerd met het oordeel van de bedrijfsarts, terwijl dat niet het geval was en verweerder het oordeel van de bedrijfsarts al kende.

5    OMVANG HOGER BEROEP

5.1    Met betrekking tot de omvang van het geschil in hoger beroep overweegt het hof als volgt.

5.2    Verweerder heeft in zijn beroepschrift hoger beroep ingesteld tegen de (gedeeltelijke)  gegrondverklaring door de raad van de klachtonderdeel b) en d). Deze klachtonderdelen zal het hof in hoger beroep behandelen.

5.3    Klaagster heeft in haar verweerschrift, per e-mail ontvangen op 10 november 2025, hoger beroep ingesteld tegen de ongegrondverklaring door de raad van klachtonderdeel c. Klaagster zal in dit hoger beroep niet-ontvankelijk worden verklaard nu artikel 56 lid 1 Advocatenwet bepaalt dat tegen een beslissing van de raad hoger beroep kan worden ingesteld gedurende 30 dagen na de verzending van die beslissing en de Advocatenwet geen grondslag biedt voor het instellen van incidenteel appel na afloop van die termijn. Het hoger beroep van klaagster is ruim na het verstrijken van de beroepstermijn ontvangen en daarom is dit beroep wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk.

6    BEOORDELING RAAD

6.1    De raad heeft aan de (gedeeltelijke) gegrondverklaring van de klachtonderdelen b) en d) het navolgende ten grondslag gelegd. 

Klachtonderdeel b

6.2    De raad is van oordeel dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door tijdens de mondelinge behandeling te zeggen dat hij het advies van de bedrijfsarts niet had. Verweerder heeft het citaat van de bedrijfsarts op 21 december 2023 via e-mail ontvangen van mr. H. en daarna heeft verweerder de kortgedingdagvaarding inclusief de producties, waaronder productie 5 met het citaat, op 9 januari 2024 per post van mr. H. ontvangen. Het citaat uit het advies van de bedrijfsarts was dus ook onderdeel van het procesdossier en verweerder was daarmee voorafgaand aan de mondelinge behandeling wel degelijk bekend. De verklaring van verweerder tijdens de mondelinge behandeling dat hij het citaat uit het advies van de bedrijfsarts niet had, is dan ook in strijd met de waarheid. De omstandigheid dat verweerder het fysieke exemplaar van de dagvaarding met producties heeft weggegooid, zonder deze blijkbaar eerst te controleren, komt voor risico van verweerder. Voor zover verweerder twijfelde aan de juistheid van de weergave van het citaat van de bedrijfsarts, had hij dit eenvoudig bij (de arbodienst van) zijn cliënte kunnen verifiëren, een dergelijk advies is immers zowel voor werknemer als werkgever beschikbaar. 

Klachtonderdeel d)  

6.3    Zoals de raad al heeft geoordeeld bij klachtonderdeel b) heeft verweerder in strijd met de waarheid verklaard dat hij het citaat uit het advies van de bedrijfsarts niet had. Daarmee heeft verweerder de kantonrechter op dat punt onjuist geïnformeerd. In zoverre is klachtonderdeel d) gegrond. De raad kan echter niet vaststellen dat het onjuist informeren van de kantonrechter door verweerder de enige reden is geweest voor het niet toekennen van de door klaagster gevorderde werkelijke proceskosten. Daarbij houdt de raad er rekening mee dat het hier om een kort geding gaat en het een voorlopig oordeel van de kantonrechter betreft. 

7    BEROEPSGRONDEN EN VERWEER

Beroepsgronden verweerder

7.1    De beslissing van de raad ter zake van de klachtonderdelen b) en d) berust op evidente en kennelijke feitelijke misslagen. Verweerder heeft de kantonrechter niet onjuist of in strijd met de waarheid geïnformeerd, zoals de raad ten onrechte heeft overwogen. 

toelichting 7.2    De uitlating waarop de beslissing van de raad is gebaseerd – verweerder zou hebben gezegd ”dat hij het citaat uit het advies van de bedrijfsarts niet had”, in die zin dat hij het citaat voorafgaand aan de mondelinge behandeling in het geheel nooit had ontvangen – heeft verweerder niet gedaan. De klacht van klaagster gaat daar ook niet over, want die ziet op het oordeel van de bedrijfsarts. 

7.3    Verweerder heeft op de zitting bij de kantonrechter ‘slechts’ geconstateerd dat de desbetreffende pagina ontbrak in het fysieke exemplaar van de dagvaarding met producties die verweerder op dat moment bij zich had. Dat betrof een kopie van de dagvaarding met daarbij een uitdraai van de  producties die verweerder op zijn verzoek op 21 december 2023 digitaal van mr. H. had ontvangen. De raad heeft derhalve aan de woorden van verweerder (“die pagina heb ik niet”) ten onrechte een (veel) ruimere uitleg gegeven. 

7.4    Verder is volgens verweerder miskend dat niet vast staat dat het citaat uit het advies van de bedrijfsarts, zoals ter zitting door mr. H. aan verweerder werd verstrekt, overeenkwam kwam met productie 5 die mr. H. op 9 januari 2024 per fysieke post aan verweerder had toegezonden. 

7.5    Bij het voorgaande voert verweerder verder aan dat hem niet kan worden verweten dat hij de fysieke dagvaarding met producties, zoals hij die op 9 januari 2024 van mr. H. had ontvangen, heeft weggegooid. Hij mocht er immers vanuit gaan dat dat exemplaar - als het gaat om de producties - identiek was aan het digitale exemplaar dat hij eerder, op 21 december 2023, van mr. H. had ontvangen. Verweerder wijst in dit verband op de inhoud van de begeleidende brief van mr. H. aan de kantonrechter van 9 januari 2024, waarin mr. H. heeft geschreven:

“Bijgaand ontvangt u kopie van de uitgebrachte dagvaarding en een inventarislijst met de daargenoemde producties. De producties zijn reeds op voorhand op 21 december 2023 aan de advocaat van gedaagde, [verweerder], toegezonden. Kopie dezes gaat per gelijke post aan [verweerder].”

7.6    Verweerder hoefde er derhalve geen rekening mee te houden dat er na 21 december 2023 nog wijzigingen of toevoegingen aan de vijf producties zouden zijn aangebracht. Eventuele nieuwe informatie of documentatie zou immers door middel van een akte houdende aanvullende producties moeten worden ingediend.

7.7    Tot slot heeft de raad ten onrechte overwogen dat verweerder het citaat uit het advies van de bedrijfsarts (bij de arbodienst) bij zijn cliënt had kunnen verifiëren als hij aan de juistheid daarvan twijfelde. De veronderstelling van de raad dat verweerder tijdens de mondelinge behandeling contact op had kunnen nemen met de arbodienst van zijn cliënt om de juistheid van het citaat te checken, is niet realistisch.

Verweer klaagster 

7.8    Klaagster heeft gemotiveerd verweer gevoerd in beroep. Waar dat relevant is, bespreekt het hof dit bij de beoordeling.

8    BEOORDELING HOF

Maatstaf

8.1    Het hof stelt voorop dat deze zaak een klacht betreft tegen de advocaat van de wederpartij. De maatstaf die het hof bij de beoordeling daarvan aanlegt is mede ingegeven door de voor advocaten geldende kernwaarde partijdigheid en houdt het volgende in. Een advocaat geniet een grote mate van vrijheid om de belangen van zijn cliënt te behartigen op de wijze die hem passend voorkomt. Deze vrijheid mag niet ten gunste van een wederpartij worden beperkt, tenzij haar belangen nodeloos en op ontoelaatbare wijze worden geschaad. Zo mag de advocaat (a) zich niet onnodig grievend uitlaten over de wederpartij, (b) geen feiten poneren waarvan hij de onwaarheid kent of redelijkerwijs kan kennen, (c) bij de behartiging van de belangen van zijn cliënt de belangen van de wederpartij niet onnodig of onevenredig schaden zonder redelijk doel. Daarbij geldt verder dat de advocaat de belangen van zijn cliënt dient te behartigen aan de hand van het feitenmateriaal dat zijn cliënt hem verschaft, en dat hij in het algemeen mag afgaan op de juistheid daarvan en slechts in uitzonderingsgevallen gehouden is de juistheid daarvan te verifiëren. De advocaat hoeft in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat hij voor zijn cliënt wil bereiken met de middelen waarvan hij zich bedient, opweegt tegen het nadeel dat hij daarmee aan de wederpartij toebrengt. Wel moet de advocaat zich onthouden van middelen die op zichzelf beschouwd ongeoorloofd zijn of die, zonder dat zij tot enig noemenswaardig voordeel van zijn cliënt strekken, onevenredig nadeel aan de wederpartij toebrengen.

8.2    De gedragsregels beogen invulling te geven aan de eisen die mogen worden gesteld aan een goede taakuitoefening door een behoorlijk advocaat. De tuchtrechter toetst aan de norm van artikel 46 van de Advocatenwet. De gedragsregels voor advocaten vormen daarbij een richtlijn, maar of het niet naleven van een gedragsregel ook tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen oplevert, hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt per geval door de tuchtrechter beoordeeld.

Overwegingen hof

Klachtonderdelen b) en d) 

8.3    Het hof ziet aanleiding de klachtonderdelen b) en d) gezamenlijk te behandelen. 

8.4    Het hof is, anders dan de raad, van oordeel dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten biedt voor de conclusie dat verweerder de kantonrechter onjuist of in strijd met de waarheid heeft geïnformeerd.

8.5    Ter onderbouwing van het verwijt dat klaagster verweerder maakt, heeft klaagster gewezen op de uitlatingen van verweerder op de zitting bij de kantonrechter, zoals die zijn opgenomen in het proces-verbaal van die zitting. Niet in geschil is dat verweerder op de zitting heeft gezegd: “die pagina heb ik niet”, op welke uitlating de raad zich in de kern heeft gebaseerd. Het verwijt dat klaagster verweerder maakt, is blijkens de omschrijving van klachtonderdeel b) echter niet dat verweerder in strijd met de waarheid heeft gezegd dat hij niet over die pagina beschikte, maar dat verweerder in strijd met de waarheid heeft gezegd ‘dat hij niet over het oordeel van de bedrijfsarts beschikte’. 

8.6    Verweerder betwist uitdrukkelijk dat hij dat heeft gezegd. Het hof stelt vast dat uit het proces-verbaal van de zitting bij de kantonrechter ook niet blijkt dat verweerder dit heeft gezegd. Uit het proces-verbaal volgt (slechts) dat verweerder heeft gezegd: ‘die pagina heb ik niet’. Daarbij is het hof, overeenkomstig het standpunt van verweerder, van oordeel dat zijn uitlating ‘die pagina heb ik niet’ moet worden bezien tegen de achtergrond van het verloop van de onderhavige procedure. Het hof neemt in dit verband het navolgende in aanmerking.

8.7    Vaststaat dat verweerder in eerste instantie alleen de beschikking had over een kopie van de betekende dagvaarding, maar zonder producties. Op 21 december 2023 heeft verweerder, op zijn verzoek, van mr. H. de bij die dagvaarding behorende vijf producties ontvangen. Niet weersproken is dat productie 5 op dat moment betrof: ‘aanvragen van deskundigenoordeel’, met daarachter een blanco pagina. In de volgordelijkheid kan (het citaat uit) het oordeel van de bedrijfsarts ook nog geen onderdeel van de productie 5 zijn geweest, omdat verweerder in een afzonderlijke (weliswaar ook op 21 december 2023 toegezonden) e-mail van mr. H. de terugkoppeling van de bedrijfsarts heeft ontvangen, althans naar het hof begrijpt een citaat daaruit – en vervolgens nogmaals op 9 januari 2024. Op de kortgedingzitting had verweerder de e-mails met de terugkoppeling niet bij zich. Verweerder had alleen het procesdossier bij zich met de kopie van de dagvaarding die aan zijn cliënte was betekend, met daarbij de producties, zoals verweerder die van mr. H. in zijn eerste mail van 21 december 2023 had ontvangen en de producties 6-10 (en eiswijziging) die later zijn ingediend. 

8.8    Gelet op het voorgaande acht het hof aannemelijk dat de opmerking van verweerder (‘die pagina heb ik niet’), moet worden bezien in de context van de processtukken die verweerder op dat moment bij zich had en aldus verstaan moet worden als in ‘die pagina heb ik niet bij me’. Volgens verweerder is dat ook wat hij ter zitting direct kenbaar heeft gemaakt (maar, naar het hof begrijpt, niet (volledig) in die bewoordingen in het proces-verbaal terecht is gekomen).  Het hof neemt hierbij ook in aanmerking dat verweerder uitdrukkelijk niet betwist dat hij beschikte over het citaat uit het advies van de bedrijfsarts, omdat mr. H. hem dat op 21 december 2023 en vervolgens op 9 januari 2024 had toegezonden – verweerder had dat citaat ter zitting niet bij zich. 

8.9     In het licht bezien van voormelde feiten en omstandigheden, kan het verwijt dat klaagster verweerder maakt, te weten dat hij de kantonrechter opzettelijk onjuist heeft geïnformeerd door te zeggen ‘dat hij niet over het oordeel van de bedrijfsarts beschikte’, bij gebrek aan feitelijke grondslag niet slagen. 

8.10     Het hof komt dan ook tot de conclusie dat klachtonderdeel b) ongegrond is. Dit betekent ook dat de gedeeltelijke gegrondverklaring door de raad van klachtonderdeel d) - ten aanzien van het onjuist informeren van de kantonrechter, niet langer stand kan houden. Ook klachtonderdeel d) is daarmee volledig ongegrond. 

Slotsom

8.11     Nu het beroep van verweerder slaagt, dient de beslissing van de raad te worden vernietigd voor zover de klachtonderdelen b) en d) (gedeeltelijk) gegrond zijn verklaard. De klacht was voor het overige al ongegrond verklaard. Dat blijft in stand. Omdat de klacht daarmee geheel ongegrond is, zal ook de opgelegde maatregel en de veroordeling van verweerder tot betaling van het griffierecht, reiskosten en proceskosten, worden vernietigd. 

9    BESLISSING

Het Hof van Discipline:

9.1    verklaart klaagster niet-ontvankelijk in haar hoger beroep;

9.2    vernietigt de beslissing van 1 september 2025 van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam, gewezen onder nummer 25-143/A/A, voor zover daarin de klachtonderdelen b) en d) (deels) gegrond zijn verklaard, verweerder een waarschuwing is opgelegd en verweerder is veroordeeld tot betaling van het griffierecht, reiskosten en de proceskosten;

en doet opnieuw recht:

9.3    verklaart de klachtonderdelen b) en d) alsnog ongegrond.

Deze beslissing is gewezen door mr. C.H. van Breevoort-de Bruin, voorzitter, mrs. J. Steenbrink  en R.N.E. Visser, leden, in tegenwoordigheid van mr. A. Wijtzes, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 16 maart 2025.  

griffier    voorzitter             

De beslissing is verzonden op 16 maart 2025.