Rechtspraak
Uitspraakdatum
12-01-2026
ECLI
ECLI:NL:TADRSHE:2026:7
Zaaknummer
25-685/DB/LI
Inhoudsindicatie
Raadsbeslissing. Klacht van derde gegrond. Het handelen van verweerder hangt zo nauw samen met verweerders beroepsuitoefening dat het advocatentuchtrecht in volle omvang van toepassing is. Verweerder had moeten begrijpen dat de wijze waarop hij klaagster heeft benaderd onbetamelijk is. De raad is van oordeel dat het verweer van verweerder, dat klaagster geen getuige was, moet worden gepasseerd. Immers, niet kon worden uitgesloten dat klaagster als getuige zou worden opgeroepen. Het op min of meer indringende wijze voorhouden van de consequenties die de reeds afgelegde verklaring en verdere bemoeienissen met de zaak voor klaagster zouden kunnen hebben is in strijd met de strekking van de hiervoor genoemde gedragsregels. Verweerder heeft door de wijze waarop hij klaagster heeft benaderd in strijd gehandeld met de kernwaarde integriteit. De raad heeft bij beslissing d.d. 13 oktober 2025 naar aanleiding van de door mevrouw H tegen hem ingediende klacht reeds aan verweerder een waarschuwing opgelegd. Indien in die klachtprocedure ook het in de onderhavige klachtprocedure gegrond bevonden tuchtrechtelijk verwijt aan de raad ter beoordeling was voorgelegd, zou dit in die klachtprocedure naar alle waarschijnlijkheid niet tot oplegging van een zwaardere maatregel hebben geleid. Om die reden ziet de raad in dezen af van het opleggen van een maatregel.
Uitspraak
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch
van 12 januari 2026
in de zaak 25-685/DB/LI
naar aanleiding van de klacht van:
klaagster
gemachtigde:
over:
verweerder
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 21 maart 2025 heeft klaagster tegen verweerder een klacht ingediend bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Limburg (hierna: “de deken”).
1.2 Op 8 oktober 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K25-032 van de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 1 december 2025. Verschenen zijn klaagster, bijgestaan door mr. H, en verweerder.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de volgende nagekomen stukken:
de e-mail met bijlagen van verweerder van 16 oktober 2025..
2 FEITEN
2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2 Verweerder heeft mevrouw H bijgestaan in een geschil tussen haar onderneming en haar broer.
2.3 Tussen mevrouw H en verweerder is een geschil ontstaan over – onder meer - het door verweerder gedeclareerde honorarium en de verrekening van de door verweerder ontvangen derdengelden met zijn honorarium. Mevrouw H heeft – onder meer - hierover op 18 juni 2024 een klacht ingediend bij de deken.
2.4 Op 17 september 2024 heeft klaagster een schriftelijke verklaring afgelegd. Klaagster heeft daarin verklaard over de (gezondheids-)situatie van mevrouw H, over het verloop van de contacten tussen mevrouw H en verweerder en over de tussen mevrouw H en verweerder gemaakte honorarium afspraak.
2.5 Bij e-mail van 10 maart 2025 heeft verweerder onder meer het volgende aan klaagster medegedeeld:
“(…) Je bent van aanvang af zeer nauw betrokken in de zaak van [mevrouw H], als haar persoonlijke financiële adviseur. (…) Jij bent degene die [mevrouw H] adviseert en souffleert. (…) Jij hebt [mevrouw H] in de waan gelaten dat ik haar heb benadeeld. Je hebt ook geen pogingen ondernomen [mevrouw H] uit die waan te halen. Die waan heeft ertoe geleid, dat ik mij hebben moeten verantwoorden in een klachtprocedure. Ik lijd daardoor schade. Die schade zit al op minimaal € 42.000,00 en die loopt steeds verder op. Ik vind dat jij daarvoor aansprakelijk bent. Ik ben vastbesloten alle tijd die ik in deze zaak steek te verhalen op de aansprakelijke personen. Jij bent daar één van.
Jouw verklaring bevat een groot aantal onwaarheden, die, als jij de professionaliteit had gehad om contact met mij op te nemen, eenvoudig hadden kunnen worden weerlegd. (…) Mocht blijken dat jij je negatief over mij uitlaat over zaken waar jij foutief geïnformeerd bent en waarin jij niet de moeite hebt genomen die kwesties eerst met mij te bespreken, dan ga ik dat voorleggen aan de beroepsorganisatie waar je bent aangesloten. Wil jij mij reeds nu de gegevens van die organisatie verstrekken, dan weet ik waar ik met mijn klacht terecht kan.
Buiten het verstrekken van de gegevens van de beroepsorganisatie, hoef je niet te reageren op deze brief, ik wacht af hoe de zaak zich verder ontwikkelt, of je jouw verklaring handhaaft, of die in een eventueel vervolg nog een rol gaat spelen en of er mensen zijn met wie jij in negatieve zin over mij hebt gesproken. Zo ja, dan kun je verwachten dat er een vervolg komt.”
2.6 Op 21 maart 2025 heeft klaagster tegen verweerder een klacht ingediend bij de deken.
2.7 Op 21 maart 2025 heeft mevrouw H tegen verweerder een klacht ingediend bij de deken.
2.8 Bij (onherroepelijke) beslissing van 24 februari 2025 (ECLI:NL:TADRSHE:2025:27) heeft de raad de door mevrouw H op 18 juni 2024 tegen verweerder bij de deken ingediende klacht deels niet-ontvankelijk, deels ongegrond en deels gegrond verklaard. Voor het gegrond bevonden klachtonderdeel, dat verweerder zonder toestemming van mevrouw H zijn honorarium had verrekend met aan mevrouw H toekomende gelden, is aan verweerder een waarschuwing opgelegd.
2.9 Bij beslissing van 13 oktober 2025 (ECLI:NL:TADRSHE:2025:141) heeft de raad de door mevrouw H op 21 maart 2025 tegen verweerder bij de deken ingediende klacht deels gegrond verklaard en aan verweerder een waarschuwing opgelegd. Verweerder heeft tegen deze beslissing appel ingesteld. Het gegrond bevonden onderdeel van de klacht luidde als volgt:
“Verweerders heeft met zijn e-mail van 10 maart 2025 gehandeld in strijd met artikel 10a lid 1 aanhef en sub d Advocatenwet, de gedragsregels 1, 6 en 22 en artikel 285a Sr.”
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerder het volgende:
Verweerder heeft klaagster een intimiderende e-mail gestuurd met het doel om haar te beïnvloeden en te bewegen tot het intrekken van haar getuigenverklaring.
4 VERWEER
4.1 Verweerder heeft verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING
5.1Verzoek tot het horen van getuigen
Verweerder heeft de raad verzocht om getuigen, waaronder klaagster, te horen. Naar het oordeel van de raad moet dit verzoek worden afgewezen omdat niet is gebleken dat verklaringen van de door verweerder genoemde getuigen relevant zijn voor de beoordeling, noch dat zij op enigerlei wijze kunnen bijdragen aan de beslissing.
5.2 Ontvankelijkheid
Verweerder heeft het verweer gevoerd dat klaagster niet in de klacht kan worden ontvangen omdat hij voor het verweten handelen reeds tuchtrechtelijk is veroordeeld. De raad volgt verweerder niet in dit verweer. In het tuchtrecht geldt het zogenaamde “ne bis in idem-beginsel”, dat is vastgelegd in artikel 47b Advocatenwet. Dit beginsel houdt in dat niet opnieuw kan worden geklaagd over een gedraging van een advocaat waarover de tuchtrechter eerder al (onherroepelijk) heeft geoordeeld. De achtergrond van dit beginsel is dat een advocaat, over wie een klacht is ingediend, er na het einde van de klachtprocedure in beginsel op moet kunnen vertrouwen dat dat de klacht daarmee is afgewikkeld en dat het handelen waarop de klacht betrekking heeft niet opnieuw aan de tuchtrechter kan worden voorgelegd. Nu ter zake het in de onderhavige klachtzaak aan de orde zijnde handelen of nalaten ten aanzien van verweerder nog geen onherroepelijk geworden tuchtrechtelijke eindbeslissing is genomen als bedoeld in artikel 47b lid 1 Advocatenwet, kan klaagster in de klacht worden ontvangen.
5.3 Verweerder heeft verder het verweer gevoerd dat klaagster niet in de klacht kan worden ontvangen omdat zij daarbij geen belang heeft. Ook dit verweer moet naar het oordeel van de raad worden gepasseerd. De raad overweegt dat alleen de persoon of de rechtspersoon die door het handelen of nalaten van een advocaat direct in zijn belang wordt of kan worden getroffen, het recht heeft om hierover een klacht in te dienen. Als het in het algemeen belang is dat er een tuchtprocedure komt, dan heeft de deken het recht om te klagen. Naar het oordeel van de raad is genoegzaam gebleken dat klaagster door het verweten handelen van verweerder direct is of kon worden getroffen in haar belang, te weten het belang om als getuige in vrijheid en zonder onder druk te worden gezet te verklaren. Klaagster kan kortom in de klacht worden ontvangen.
5.4 Toetsingskader
Op grond van de gedragsregels 1 en 6 mag met betrekking tot het functioneren van een advocaat als zodanig worden verwacht dat hij zich ten volle voor de belangen van zijn cliënt inzet, maar daarbij niet andere gerechtvaardigde belangen uit het oog verliest. Die verantwoordelijkheid brengt mee een zekere mate van beleid, tact, professionele distantie en waar nodig terughoudendheid waar het verdedigen van de belangen van de cliënt raakt aan de positie en de rechten van anderen. De advocaat mag dus niet nodeloos en op ontoelaatbare wijze de belangen van de wederpartij of anderen schenden. Het is in het belang van een goede beroepsuitoefening dat de conflictsituatie waarin de advocaat zich veelvuldig bevindt niet leidt tot onnodig nadeel of leed van de bij dat conflict betrokkenen of van derden.
5.5 Op grond van gedragsregel 22 dient een advocaat zich zorgvuldig op te stellen in zijn contacten met getuigen en geen handelingen te verrichten die zouden kunnen leiden tot ongeoorloofde beïnvloeding van getuigen. Dit integer handelen is noodzakelijk om het vertrouwen in de beroepsgroep te waarborgen en is inherent aan de uitoefening van een beroep waaraan in het kader van het algemeen belang rechten en verplichtingen zijn verbonden. Een getuige moet in volledige vrijheid, onafhankelijkheid en naar waarheid een verklaring kunnen afleggen. (Hof van Discipline 6 februari 2023, ECLI:NL:TAHVD:2023:24).
5.6 Verweerder heeft nog gesteld dat hij heeft gehandeld in een andere hoedanigheid dan die van advocaat, zodat de gedragsregels hier niet van toepassing zijn, althans dat deze hem de ruimte bieden om te handelen zoals hij heeft gedaan. Anders dan verweerder heeft betoogd zijn naar het oordeel van de raad de gedragsregels wel van toepassing. Verweerder handelt voor zichzelf in een juridisch geschil waarin een getuigenverklaring van klaagster een rol speelt. Vervolgens richt hij zich tegen klaagster. Dat alleen al is voldoende om bij klaagster de indruk te kunnen doen ontstaan dat verweerder als advocaat (voor zichzelf) optreedt. Verweerder versterkt die indruk alleen maar door in de correspondentie gebruik te maken van briefpapier van zijn advocatenkantoor. Kortom, het handelen van verweerder hangt zo nauw samen met verweerders beroepsuitoefening dat het advocatentuchtrecht in volle omvang van toepassing is.
5.7 Beoordeling
De raad overweegt dat verweerder had moeten begrijpen dat de wijze waarop hij klaagster heeft benaderd onbetamelijk is. De raad is van oordeel dat het verweer van verweerder, dat klaagster geen getuige was, moet worden gepasseerd. Immers, niet kon worden uitgesloten dat klaagster als getuige zou worden opgeroepen. Het op min of meer indringende wijze voorhouden van de consequenties die de reeds afgelegde verklaring en verdere bemoeienissen met de zaak voor klaagster zouden kunnen hebben is in strijd met de strekking van de hiervoor genoemde gedragsregels. De raad is van oordeel dat dit handelen van verweerder tevens in strijd komt met de kernwaarde integriteit (artikel 10a lid 1 aanhef en sub d van de Advocatenwet). Met het verzenden van de e-mail heeft verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld. De klacht is op grond van het voorgaande gegrond.
6 MAATREGEL
6.1 Verweerder heeft tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld doordat hij klaagster op ontoelaatbare wijze heeft aangeschreven. Verweerder heeft door de wijze waarop hij klaagster heeft benaderd in strijd gehandeld met de kernwaarde integriteit. De raad heeft bij beslissing d.d. 13 oktober 2025 naar aanleiding van de door mevrouw H tegen hem ingediende klacht reeds aan verweerder een waarschuwing opgelegd. Indien in die klachtprocedure ook het in de onderhavige klachtprocedure gegrond bevonden tuchtrechtelijk verwijt aan de raad ter beoordeling was voorgelegd, zou dit in die klachtprocedure naar alle waarschijnlijkheid niet tot oplegging van een zwaardere maatregel hebben geleid. Om die reden ziet de raad in dezen af van het opleggen van een maatregel.
7 GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING
7.1 Omdat de raad de klacht gegrond verklaart,moet verweerder op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klaagster betaalde griffierecht van € 50,- aan haar vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart de klacht gegrond;
- ziet af van het opleggen van een maatregel;
- veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klaagster.
Aldus beslist door mr. R.A.J. van Leeuwen, voorzitter, mrs. H.C. Struijk, J.R.G. Smulders, leden, bijgestaan door mr. T.H.G. Huber-van de Langenberg als griffier, en uitgesproken op 12 januari 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 12 januari 2026
