Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

12-01-2026

ECLI

ECLI:NL:TADRSHE:2026:6

Zaaknummer

25-334/DB/ZWB

Zaaknummer

25-792/DB/ZWB

Inhoudsindicatie

Raadsbeslissing. Klacht over de advocaat van de wederpartij in een familiezaak. Gevoegde behandeling van twee klachtzaken. De klachten zijn gedeeltelijk niet-ontvankelijk, gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond. Verweerster heeft tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld door in het beroepschrift van 7 augustus 2024 onnodig grievende uitlatingen te doen. Dat verhoudt zich niet met de de-escalerende aanpak die van verweerster in een familierechtzaak mocht worden verwacht. Verweerster heeft met haar handelwijze de belangen van klager onnodig geschaad zonder redelijk doel. De raad heeft bij beslissing van 10 maart 2025 reeds aan verweerster een berisping opgelegd voor in het beroepschrift 6 mei 2024 opgenomen uitlatingen met een gelijke inhoud of strekking als de in de onderhavige klachtzaak als onnodig grievend beoordeelde uitlatingen in het beroepschrift van 7 augustus 2024. Indien in die vorige klachtprocedure, ook het in de onderhavige klachtprocedure gegrond bevonden tuchtrechtelijk verwijt aan de raad ter beoordeling was voorgelegd – wat goed mogelijk was nu het beroepschrift van 7 augustus 2024 dateert van voor de beslissing van de raad van 10 maart 2025 - zou dit in die klachtprocedure naar alle waarschijnlijkheid niet tot oplegging van een zwaardere maatregel hebben geleid. Om die reden ziet de raad in dezen af van het opleggen van een maatregel.

Uitspraak

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch

van 12 januari 2026

in de zaken 25-334/DB/ZWB en 25-792/DB/ZWB

naar aanleiding van de klachten van:

 

klager

 

over:

 

 

verweerster

 

1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE 

1.1 Op 1 oktober 2024 heeft klager tegen verweerster een klacht ingediend bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Zeeland-West-Brabant (hierna: “de deken”). Op 20 mei 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K24-068 van de deken ontvangen.

1.2 Op 15 mei 2025 heeft klager tegen verweerster nogmaals een klacht ingediend bij de deken. Op 17 november 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K25-044 van de deken ontvangen.

1.3 De klachten zijn gevoegd behandeld op de zitting van de raad van 1 december 2025. Verschenen zijn klager en verweerster.

1.4 De raad heeft kennisgenomen van de in 1.1 en 1.2 genoemde klachtdossiers en van de volgende nagekomen stukken:

- de e-mail met bijlagen van klager van 27 november 2025.  

 

2 FEITEN

2.1 Voor de beoordeling van de klachten gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.

2.2 Klager heeft een affectieve relatie gehad met mevrouw M, hierna: “de vrouw”, uit welke relatie twee (thans nog minderjarige) kinderen zijn geboren: zoon S (hierna: “de zoon”) en dochter A (hierna: “de dochter”). Ten tijde van de beëindiging van de relatie waren klager en de vrouw gezamenlijk belast met het gezag over de zoon en was de vrouw belast met het eenhoofdig gezag over de dochter.

2.3 Klager heeft nog een minderjarige dochter (hierna: “dochter E”) uit een eerdere relatie.

2.4 Tussen klager en de vrouw hebben meerdere gerechtelijke procedures plaatsgevonden over onder meer het gezag en de omgang.

2.5 Bij beschikking van 7 februari 2024 heeft de rechtbank Noord-Holland naar aanleiding van een door klager ingediend verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen onder meer bepaald dat klager en de vrouw gezamenlijk met de uitoefening van het gezag worden belast over de dochter en een tijdelijke zorg- en contactregeling en informatieregeling vastgesteld. In de procedure die tot deze beschikking heeft geleid werd klager bijgestaan door mr. A en de vrouw door mr. G.

2.6 De vrouw is de bij beschikking van 7 februari 2024 bepaalde zorg- en contactregeling niet nagekomen en heeft zichzelf en de kinderen meerdere maanden verborgen gehouden voor klager. Op 21 maart 2024 heeft mr. A namens klager een verzoek voorlopige voorziening ingediend bij de rechtbank Noord-Holland, waarbij hij (onder meer) primair heeft verzocht om te bepalen dat het hoofdverblijf van de kinderen bij klager zou zijn en subsidiair om uitbreiding van de zorgregeling. 

2.7 De vrouw heeft zich voor verdere rechtsbijstand gewend tot verweerster, die namens de vrouw hoger beroep heeft ingesteld tegen de beschikking van 7 februari 2024. In het hoger beroepschrift van 6 mei 2024 heeft verweerster namens de vrouw onder meer het volgende gesteld:

“(7) De vrouw verzoekt uw hof om de bij voorraad verklaarde tijdelijke verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, waarbij is bepaald dat de kinderen iedere woensdag van 09:30 uur tot 19:00 uur bij de man zullen verblijven, waarbij de vrouw de kinderen naar de man brengt en de man de kinderen weer terugbrengt naar de vrouw, te schorsen en de uitvoering van de zorg- en contactregeling op te schorten in ieder geval voor de duur van het hoger beroep. De vrouw heeft hier verschillende zwaarwegende redenen voor. Daarnaast is er door de man een voorlopige voorzieningenprocedure opgestart, welke tegelijk met de (resterende) aangehouden verzoeken in de bodemprocedure op zitting d.d. 31 mei 2024 bij de rechtbank Alkmaar zal worden behandeld.

Gedrags-/persoonlijkheidsstoornis

(8) De vrouw is van mening dat de man een gedrags- of persoonlijkheidsstoornis heeft. De vrouw doet hierbij dan ook een dringend beroep op de man om zich hiervoor te laten behandelen. Dit standpunt is mede gestoeld op de voorgeschiedenis van partijen die gepaard ging met fysieke, dan wel geestelijke mishandeling van de vrouw door de man. De vrouw heeft zelf ervaren dat de man metaal onstabiel is en door een trigger ineens kan omslaan.

De man heeft de vrouw meermaals uitgescholden, beledigd en geïntimideerd al dan niet in het bijzijn van de kinderen. De man heeft meerdere malen de vrouw bedreigd met de woorden “dat zij zal zien waartoe hij in staat is”. Het omslagpunt voor de vrouw is geweest toen zij er in januari 2024 achter kwam dat de man verantwoordelijk was voor een extreem gevaarlijk incident die zich in de woning en de huiselijke sfeer van de vrouw en de kinderen heeft voorgedaan. Hierna heeft de vrouw besloten dat de man tot alles in staat is en een gevaar is voor haar en de kinderen en dat omgang per direct dient te worden gestopt. (…)

(10) Zoals reeds in eerste aanleg aan de orde is gekomen, zijn er meerdere periodes geweest dat de man zelf geen initiatief nam om de kinderen te zien of gebruik maakte van een omgangsmoment. De man heeft tevens kenbaar gemaakt dat hij (in de periode van mei tot en met augustus 2022) niet in staat was om [de zoon] te zien, omdat hij suïcidale gedachtes had. De vrouw heeft zelfs getracht om na het incident van 13 juni 2023 (zie randnummer 15) middels mediation een flexibele omgang met de man af te spreken, omdat de vrouw met de kinderen plannen had om te gaan verhuizen. Totdat de man vanaf eind oktober 2023 niet meer naar de kinderen vroeg en ook geen uitvoering gaf aan de omgangsregeling. Uit het niets eiste de man dat hij de kinderen op 2 januari 2024 zou zien. Dit betreft een patroon dat zich keer op keer herhaalt. Dit was in precies dezelfde periode, in de maanden oktober, november en december ook gebeurd, toen de man tevens zijn toestemming voor de kinderen weigerde om op vakantie naar het buitenland te gaan.

(11) De vrouw heeft ook zelf initiatief genomen om de omgang intact te houden ondanks het (huiselijk) geweld en de onstabiele omgang van de man met de kinderen. De vrouw heeft de man nooit de omgang met de kinderen onthouden, zolang deze veilig kon geschieden, in het bijzijn van een derde/familielid. Nadat de man al meerdere malen niet kwam opdagen wanneer de kinderen bij zijn oma waren, hebben de advocaten van partijen de afspraak gemaakt om de omgang éénmaal in de twee weken te laten plaatsvinden om het contact rustig te laten herstellen. Inmiddels had de man de kinderen al ruim 2/3 maanden niet gezien, omdat hij niet kwam opdagen. Daarna eiste de man uit het niets dat de kinderen gedurende de kerstvakantie bij hem zouden verblijven. Dit is een herhaaldelijk patroon. De man wenst te bepalen wanneer hij de kinderen ziet en op welke manier dat dan gebeurt.

Gok- en seksverslaving

(12) De vrouw is ervan op de hoogte dat de man een gokverslaving heeft, waarbij hij veel geld tijdens de relatie van partijen heeft verloren. Ook tijdens de relatie van partijen bezocht de man veelvuldig prostituees, waaruit zijn seksverslaving blijkt. De vrouw zal deze stellingen staven door op een later moment bewijsdocumentatie hiervan in het geding te brengen.

Criminele contacten

(13) De vrouw is ervan op de hoogte dat er personen uit het criminele circuit  bij de man over de vloer kwamen tijdens de omgangsmomenten van de man met de kinderen. De vrouw acht dit geen veilige omgeving voor de kinderen.

(14) De vrouw is bang voor ontvoering van de kinderen door de man. Zo heeft de man een Spaans paspoort geprobeerd te laten maken voor [de zoon] waarvan hij de vrouw niet op de hoogte heeft gesteld, noch aan de vrouw toestemming hiervoor heeft gevraagd. De gegevens van het paspoort van de vrouw en de handtekening van de vrouw werden hierbij vervalst. Daarnaast heeft de man [de zoon] getracht te ontvoeren uit de auto van de vrouw en heeft de man meermaals aan de vrouw kenbaar gemaakt dat hij [de zoon] niet terug wilde brengen na een omgangsmoment en besliste de man in zijn eentje dat [de zoon] bij hem zou blijven slapen.

(15) Op 13 juni 2023 is de situatie tussen partijen zeer geëscaleerd, waarbij de man de vrouw heeft mishandeld en waardoor de man krassen in haar gezicht heeft opgelopen en plekken op haar lichaam. Het bleek dat de situatie tussen partijen was geëscaleerd na een omgangsmoment, omdat de man veel te laat bij de overdracht op was komen dagen en de kinderen meenam ondanks dat de afspraak was dat de man de kinderen zou zien bij zijn oma thuis.

Een andere voorwaarde die de vrouw had gesteld voor dit extra omgangsmoment was dat de andere dochter van de man, [dochter E], niet hierbij aanwezig zou zijn, omdat ook de man quality time met alleen [de zoon] en [de dochter] diende te hebben. De man hield zich niet aan deze afspraak de man kwam veel later dan het afgesproken omgangsmoment opdagen. Hierdoor was de vrouw in paniek en ontzettend bezorgd over het welzijn van de kinderen en motief van vader om de kinderen te zien. De man weigerde [de zoon] terug te geven aan de vrouw, waarbij de man aan [de zoon] is gaan trekken om hem van de vrouw af te pakken en mee te nemen.

De vrouw heeft destijds de contactmomenten nog voort willen zetten in het bijzijn van een derde om de veiligheid van de kinderen te waarborgen. De mans was het hiermee niet eens en heeft ervoor gekozen om de omgang niet na te komen. De man heeft hierdoor de kinderen destijds gedurende twee maanden niet gezien.

(16) Hierna bleek ook dat de man beide kinderen had verwaarloosd. [De zoon] zijn luier was niet verschoond en lekte door en [de dochter] was helemaal versuft doordat zij helemaal was uitgedroogd en geen flesje drinken van de man had gekregen, ondanks dat het een heel warme dag was. Dit, terwijl de vrouw alle voeding, verzorgings- en verschoningsinstructies aan de man had meegegeven. De vrouw is naar het ziekenhuis gegaan om haar eigen wonden te laten verzorgen en om [de dochter] te onderzoeken op uitdrogingsverschijnselen. De moeder van de vrouw was ook getuige van deze gebeurtenis en de man heeft ook haar bedreigd en fysiek aangevallen. De vrouw  is er ook van op de hoogte dat de man de kinderen vaak niet vastzet in de bakfiets.

(17) De man heeft nog een ander kind uit een vorige relatie, [dochter E], die bij de man woont. Het is bij de vrouw bekend dat [dochter E] seksueel getinte handelingen heeft verricht bij [de zoon]. De vrouw maakt zich hierover ernstige zorgen en heeft getracht om dit bij de man ter sprake te brengen. Deze zorgen worden echter door de man (en door zijn moeder) onterecht weggewuifd. De vrouw acht de huiselijke omgeving van de man ook om deze reden niet veilig. (…)”

2.8 Op 23 mei 2024 heeft klager tegen verweerster een klacht ingediend bij de deken.

2.9 Op 31 mei 2024 heeft een mondelinge behandeling van het door klager op 21 maart 2024 ij de rechtbank Noord-Holland ingediende verzoekschrift voorlopige voorzieningen plaatsgevonden.

2.10   Klagers (opvolgend) advocaat, mr. W, heeft op 24 juni 2024 een verweerschrift, tevens houdende incidenteel appel, ingediend. Verweerster heeft op 15 juli 2024 een verweerschrift in het incidenteel appel ingediend, met als bijlage medische documentatie van de huisarts van de vrouw.

2.11 Bij hoger beroepschrift van 7 augustus 2024 heeft verweerster namens de vrouw hoger beroep ingesteld tegen een beschikking voorlopige voorzieningen van de rechtbank Noord-Holland van 20 juni 2024, waarbij de vrouw is veroordeeld tot nakoming van de bij beschikking van 7 februari 2024 bepaalde zorg- en contactregeling.  In deze beschikking van 20 juni 2024 overwoog de rechtbank onder meer:

“(5.8) De rechtbank overweegt dat in de beschikking van 7 februari 2024 een voorlopige zorgregeling is vastgesteld. De moeder heeft zichzelf en de kinderen de afgelopen maanden verborgen gehouden voor de vader en is de voorlopige zorgregeling niet nagekomen. Zij heeft nu verstrekkende aantijgingen gedaan richting de vader, zonder onderbouwing hiervan met objectieve en verifieerbare gegevens en zonder de betrokkenheid en visie op haar zorgen van een neutrale partij., zoals Veilig Thuis of de politie. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze kale aantijgingen dan ook geen rechtvaardiging voor het niet nakomen van de voorlopige zorgregeling door de moeder. Ook overigens ziet de rechtbank in hetgeen uit de stukken en tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gekomen geen aanknopingspunten om te twijfelen aan de veiligheid van de kinderen bij de vader. De Raad heeft daarover tijdens de mondelinge behandeling aangevuld dat de vader ook een contactregeling heeft met zijn oudere dochter uit een andere relatie en dat daarover nooit zorgen zijn gerezen. Het conflict tussen de ouders lijkt dan ook met name te zien op ex-partnerproblematiek. Gelet op het voorgaande zal het verzoek van de moeder om de omgang tussen de vader en de kinderen te ontzeggen, worden afgewezen. De rechtbank acht het juist van belang dat het contact tussen de vader en de kinderen zo snel mogelijk wordt hersteld. Vervolgens kan worden bezien of en zo ja, in hoeverre uitbreiding van dit contact in het belang van de kinderen is. Uitbreiding is, zonder dat eerst contactherstel heeft plaatsgevonden, niet in het belang van de kinderen. De rechtbank zal het (subsidiaire) verzoek van de vader toe uitbreiding van de voorlopige zorgregeling daarom afwijzen.”

2.12 In het hoger beroepschrift van 7 augustus 2024 heeft verweerster de hierboven geciteerde randnummers 8 en 10 tot en met 17 van het hoger beroepschrift d.d. 6 mei 2024 herhaald. Daarnaast heeft verweerster in het hoger beroepschrift van 7 augustus 2024 – onder meer – het volgende naar voren gebracht:

“(9) Partijen hebben een lange voorgeschiedenis waarbij er veel fysiek en emotioneel geweld van de man richting de vrouw heeft plaatsgevonden. Het gedrag van de man is grillig en onvoorspelbaar. De vrouw heeft bepaalde zaken in eerste aanleg niet aan de orde gesteld, omdat enorm bang is dat dit tegen haar zou worden gebruikt en omdat zij bedreigd werd door de man. Voor de vrouw staat veiligheid van haar kinderen echter voorop en zij vindt het belangrijk om zich nu wel hierover uit te spreken. (…)

(12) In het begin heeft de vrouw getracht contact tussen de kinderen en de man te bevorderen, of de man daar gebruik van maakte of niet. Ongeacht wat er tussen partijen was voorgevallen, heeft de vrouw de kinderen bij de familie van de man gebracht. Dot achtte de vrouw op dat moment voldoende veilig, ondanks het feit dat de moeder van de man onwaarheden over haar verkondigde. De vrouw heeft zelfs tot september 2023 contact gehad met de moeder (en vader) van de man en heeft haar zelfs na het incident van 13 juni 2023 nog in het ziekenhuis bezocht. De vrouw achtte dit in het belang van de kinderen en hun band met de familie. (…)

(15) Dat er wel degelijk sprake is van huiselijk geweld, wordt onderschreven door de getuigenverklaring van de jongere zus van de vrouw, [mevrouw M] die de toxische relatie tussen partijen beschrijft en het agressieve gedrag van de man jegens de vrouw (productie 2). Zij is getuige geweest van het huiselijk geweld dat meermaals heeft plaatsgevonden van de man jegens de vrouw, met name in de periode dat de vrouw zwanger was. Dit alles heeft een grote impact op de vrouw gehad, waardoor de vrouw zichtbaar vermagerde onder alle druk en spanning waarmee zij leefde. De vrouw kampt hierdoor (nog steeds) met PTSS klachten en angsten (productie 4). Ook wordt door de zus bevestigd dat de man niet in staat is om de kinderen te verzorgen. In de tijd dat er nog wel een vorm van omgang was, werden de kinderen niet verschoond en kregen zij niet voldoende te eten, ondanks dat de vrouw alles meegaf in een luier tas.

(16) Ook de vriendin van de vrouw bevestigt dat de vrouw regelmatig werd uitgescholden en beledigd en agressief heeft gedragen in het bijzijn van anderen. Door de vriendin wordt een tiental (!) incidenten beschreven die tussen partijen zijn voorgevallen (productie 3). Ook wordt door de vriendin haar vermoeden uitgesproken dat het manipulatieve gedrag, de agressie, de emotionele mishandeling het obsessieve gedrag voor de vrouw en het geen aandacht hebben voor de kinderen.

(17) De man had vaak momenten dat hij stemmen hoorde, paranoia, stemmingswisselingen en kon plotseling omslaan in zijn gedrag. Communicatie kon maar voor korte duur goed gaan tot er een trigger was of iets hem niet beviel. De man heeft voorheen suïcidale gedachtes uitgesproken, had een gokverslaving, verslaving aan prostituees en seks (waarover hierna meer). De vrouw is ervan overtuigd dat de man hulp nodig heeft. Dit heeft zowel de vrouw als zijn familieleden reeds met de man besproken. Zolang de man niet professioneel gediagnosticeerd wordt en er geen behandelplan is, zal de vrouw altijd vrezen dat de man plotseling een psychose of ingeving zal krijgen in het bijzijn van de kinderen. Om deze rede heeft de vrouw in 2024 besloten om helemaal geen omgang tussen de man en de kinderen toe te staan. (…)”

2.13 Op 22 augustus 2024 heeft de mondelinge behandeling in een door klager tegen de vrouw aanhangig gemaakt kort geding plaatsgevonden, waarin hij heeft gevorderd om lijfsdwang te mogen inzetten. Klager werd bijgestaan door mr. W, advocaat. Bij deze mondelinge behandeling was niet verweerster, maar haar kantoorgenoot mr. S, aanwezig. De vrouw is niet verschenen. Bij mondeling tussenvonnis heeft de rechtbank de vrouw veroordeeld om mee te werken aan de omgangsregeling, bepaald dat de mondelinge behandeling wordt voortgezet op 23 september 2024 en iedere verdere beslissing aangehouden. Klager heeft nog een kort geding jegens de vrouw aanhangig gemaakt dat ter zitting van 23 september 2023 gelijktijdig is behandeld met het eerste kort geding. Ook bij deze mondelinge behandeling was niet verweerster, maar haar kantoorgenoot mr. S, aanwezig. De vrouw is ook op deze zitting niet verschenen.  In dit tweede kort geding heeft klager verzocht om de kinderen tijdelijk aan zijn zorg toe te vertrouwen. Bij tussenvonnis in kort geding van 24 oktober 2024 heeft de rechtbank – samengevat- een onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming gelast en iedere verdere beslissing aangehouden. De mondelinge behandeling is voortgezet op 20 november 2024. Bij deze mondelinge behandeling was verweerster aanwezig en is de vrouw wederom niet verschenen. Bij vonnis in kort geding van 21 november 2024 heeft de rechtbank de gevraagde machtiging tot het inzetten van lijfsdwang geweigerd en de kinderen tijdelijk aan klagers zorg toevertrouwd.

2.14 Bij brief van 17 september 2024 heeft de deken zijn dekenstandpunt aan klager en verweerster kenbaar gemaakt. De deken heeft gemotiveerd uiteengezet dat naar zijn verwachting de klacht gedeeltelijk gegrond zou worden verklaard door de tuchtrechter.

2.15 Op 29 november 2024 heeft verweerster het Gerechtshof Amsterdam onder meer bericht dat zij randnummer 17 van het hoger beroepschrift d.d. 6 mei 2024 en randnummer 23 (zijnde de herhaling van genoemd randnummer 17) van het hoger beroepschrift van 7 augustus 2024 wilde intrekken.

2.16 De op 23 mei 2024 door klager tegen verweerster ingediende klacht is behandeld op de zitting van de raad van 27 januari 2025. Tijdens de mondelinge behandeling heeft verweerster tegen de klacht verweer gevoerd.  Bij beslissing van de raad van 10 maart 2025 (ECLI:NL:TADRSHE:2025:39) heeft de raad de klacht gegrond verklaard voor zover deze zag op de randnummers 8, 12 en 17 van het beroepschrift van 6 mei 2024 en aan verweerster een berisping opgelegd. De raad overwoog over die randnummers het volgende:

“(5.4) (…) Verweerster heeft daarin gesteld dat klager een gedrags- of persoonlijkheidsstoornis en een gok- en seksverslaving heeft en dat klagers minderjarige dochter E seksueel getinte handelingen had verricht bij de zoon. Deze stellingen zijn in ernstige mate grievend voor klager en zijn minderjarige dochter E, terwijl verweerster naar het oordeel van de raad niet, ook niet desgevraagd ter zitting, genoegzaam heeft kunnen onderbouwen waarom het in het kader van de behartiging van de belangen van haar cliënte nodig was om deze grievende uitlatingen te doen. De raad neemt daarbij mede in aanmerking dat iedere (medische) onderbouwing voor de stelling dat klager een gedrags- of persoonlijkheidsstoornis en een gok- en seksverslaving heeft ontbreekt en dat de zorgen van de vrouw over de -vermeende – seksueel getinte gedragingen van dochter E door verweersters cliënte niet waren gemeld bij en derhalve evenmin waren onderzocht door de Raad voor de Kinderbescherming, Veilig Thuis of de politie. Verweerster mocht niet zonder meer afgaan op de stellingen van haar cliënte. Het had op de weg van verweerster gelegen om uiterst behoedzaam te werk te gaan en voldoende distantie te bewaren ten opzichte van (deze stellingen van) haar cliënte. Verweerster heeft dit nagelaten en aldus haar taak, om te waken voor onnodige polarisatie, verzaakt. In zoverre is de klacht gegrond.”

2.17 Tegen de beslissing van de raad van 10 maart 2025 is hoger beroep ingesteld.

2.18 Bij brief van 18 maart 2025 heeft verweerster, naar aanleiding van een tussenbeschikking van het Hof van 18 februari 2025, aan het Hof medegedeeld dat de vrouw van mening was dat het in het belang van de kinderen was om het hoofdverblijf bij haar te hebben en dat de vrouw haar redenen heeft gegeven voor haar verblijf in Dubai. In april en mei 2025 hebben klagers advocaat en verweerster gecorrespondeerd. Klagers advocaat heeft verweerster verzocht om met een concreet voorstel voor een constructieve oplossing te komen, in lijn met de gerechtelijke uitspraken. In reactie daarop heeft verweerster voorgesteld om wekelijks te videobellen en maandelijks informatie en foto’s toe te sturen. Ook heeft verweerster klagers advocaat bericht dat de vrouw aan de officier van justitie had laten weten dat zij openstond voor mediation.

 

3 KLACHT

3.1 De klachten houden, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerster het volgende:

          25-334/DB/ZWB

1.         Verweerster heeft in de randnummers 9 tot en met 23 van het hoger beroepschrift van 7 augustus 2024 wederom onwaarheden verkondigd en onnodig grievende uitlatingen gedaan;

2.         Verweerster heeft de in eerdere procedures gedane aantijgingen herhaald terwijl nieuwe argumenten of nadere onderbouwing ontbraken;

3.         Verweerster heeft haar cliënte gefaciliteerd in het niet naleven van gerechtelijke uitspraken en het verborgen houden van de kinderen;

4.         Verweerster heeft zich schuldig gemaakt aan medeplichtigheid aan internationale kinderontvoering.

          25-792/DB/ZWB

1.         Verweerster heeft tijdens de mondelinge behandeling van de raad van 27 januari 2025 onjuist verklaard;

2.         Verweerster heeft meegewerkt aan onttrekking van de kinderen aan het ouderlijk gezag;

3.         Verweerster heeft misleidend gebruik gemaakt van een medische verklaring die zij op 15 juli 2024 in het geding heeft gebracht;

4.         Verweerster heeft blijkens haar brieven van 18 maart 2025 en 2 mei 2025 rechtelijke uitspraken miskend;

5.         Verweerster heeft oneigenlijk gebruik gemaakt van door de overheid gefinancierde rechtsbijstand, nu zij voor haar cliënte een toevoeging heeft aangevraagd en gekregen, terwijl haar cliënte daarop geen recht heeft.

 

4 VERWEER

4.1 Verweerster heeft verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

 

5 BEOORDELING

5.1Toetsingskader

Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren.  Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen.

5.2 Verder geldt dat in familierechtkwesties de advocaat ervoor moet waken dat de verhoudingen tussen partijen niet escaleren. Van de advocaat mag een zekere terughoudendheid worden verwacht in het doen van uitlatingen over de wederpartij die deze naar verwachting als kwetsend zal ervaren, en in het starten van procedures. De advocaat moet daarbij in iedere zaak afwegen:

–           het belang van zijn cliënt bij het voeren van de procedure,

–           het belang van de wederpartij én dat van de kinderen bij het voorkomen daarvan,

–           het verloop van het geschil tot dan toe en

–           de kans op succes van de procedure.

5.3     Beoordeling

Klachtonderdeel 1 (25-334/DB/ZWB)

Ontvankelijkheid

Verweerster heeft het verweer gevoerd dat klager niet in de klacht kan worden ontvangen omdat verweerster voor het verweten handelen reeds tuchtrechtelijk is veroordeeld. De raad volgt verweerster niet in dit verweer. In het tuchtrecht geldt het zogenaamde “ne bis in idem-beginsel”, dat is vastgelegd in artikel 47b Advocatenwet. Dit beginsel houdt in dat niet opnieuw kan worden geklaagd over een gedraging van een advocaat waarover de tuchtrechter eerder al (onherroepelijk) heeft geoordeeld. De achtergrond van dit beginsel is dat een advocaat, over wie een klacht is ingediend, er na het einde van de klachtprocedure in beginsel op moet kunnen vertrouwen dat dat de klacht daarmee is afgewikkeld en dat het handelen waarop de klacht betrekking heeft niet opnieuw aan de tuchtrechter kan worden voorgelegd. De onderhavige klachtzaak ziet op verweersters uitlatingen in het hoger beroepschrift van 7 augustus 2024, terwijl de  beslissing van de raad van 10 maart 2025 betrekking had op verweersters uitlatingen in het hoger beroepschrift van 6 mei 2024. Nu ter zake het in de onderhavige klachtzaak aan de orde zijnde handelen of nalaten ten aanzien van verweerster nog geen onherroepelijk geworden tuchtrechtelijke eindbeslissing is genomen als bedoeld in artikel 47b lid 1 Advocatenwet, kan klager in de klacht worden ontvangen.

5.4 Inhoudelijk

Klager verwijt verweerster dat zij in de randnummers 9 tot en met 23 van het hoger beroepschrift van 7 augustus 2024 wederom onwaarheden heeft verkondigd en onnodig grievende uitlatingen heeft gedaan. Verweerster heeft de klacht weersproken en heeft het verweer gevoerd dat het voor haar cliënte erg belangrijk was om haar zorgen over de veiligheid van de kinderen voor het voetlicht te brengen. Dit was, aldus verweerster, ook nodig ter onderbouwing van het verzoek van de vrouw tot ontzegging van omgang tussen klager en de kinderen. Verweerster heeft verder het verweer gevoerd dat zij geen zaken naar voren heeft gebracht waarvan zij wist of kon weten dat die onjuist waren. Verweerster heeft naar eigen zeggen meerdere gesprekken met haar cliënte gevoerd, waarin zij heeft doorgevraagd.

5.5 De raad is van oordeel dat dit verweer, voor zover de klacht betrekking heeft op de randnummers  11, 17, 18 en 23 van het beroepschrift, moet worden gepasseerd. Verweerster heeft daarin gesteld dat klager een gedrags- of persoonlijkheidsstoornis en een gok- en seksverslaving heeft en dat klagers minderjarige dochter E seksueel getinte handelingen had verricht bij de zoon. Deze stellingen zijn in ernstige mate grievend voor klager en zijn minderjarige dochter E, terwijl verweerster naar het oordeel van de raad niet, ook niet desgevraagd ter zitting, genoegzaam heeft kunnen onderbouwen waarom het in het kader van de behartiging van de belangen van haar cliënte nodig was om deze grievende uitlatingen te doen. De raad neemt daarbij mede in aanmerking dat iedere (medische) onderbouwing voor de stelling dat klager een gedrags- of persoonlijkheidsstoornis en een gok- en seksverslaving heeft ontbreekt en dat de zorgen van de vrouw over de -vermeende – seksueel getinte gedragingen van dochter E door verweersters cliënte niet waren gemeld bij en derhalve evenmin waren onderzocht door de Raad voor de Kinderbescherming, Veilig Thuis of de politie. Verweerster mocht niet zonder meer afgaan op de stellingen van haar cliënte. Het had op de weg van verweerster gelegen om uiterst behoedzaam te werk te gaan en voldoende distantie te bewaren ten opzichte van (deze stellingen van) haar cliënte. Verweerster heeft dit nagelaten en aldus haar taak, om te waken voor onnodige polarisatie, verzaakt. In zoverre is de klacht gegrond.

5.6 Voor zover klachtonderdeel 1 betrekking heeft op de randnummers 9, 10, 12 tot en met  16, 19 en 20 tot en met 22 van het beroepschrift van 7 augustus 2024 is dit klachtonderdeel naar het oordeel van de raad ongegrond. Met de inhoud van die randnummers is verweerster naar het oordeel van de raad gebleven binnen de grenzen van de aan haar, in haar hoedanigheid van advocaat van de wederpartij, toekomende vrijheid. Voor zover klager het met de in deze randnummers opgenomen stellingen niet eens was, is hij in de gerechtelijke procedure in de gelegenheid geweest om die stellingen te betwisten. Dat verweerster met de inhoud van deze randnummers van het beroepschrift de rechter bewust op het verkeerde been heeft willen zetten, is niet aannemelijk geworden en dat zich onnodig grievend heeft uitgelaten evenmin.

5.7 Klachtonderdeel 2 (25-334/DB/ZWB)

Klager verwijt verweerster dat zij de in eerdere procedures gedane aantijgingen heeft herhaald terwijl nieuwe argumenten of nadere onderbouwing ontbraken. Verweerster heeft het verweer gevoerd dat haar cliënte het recht heeft om hoger beroep in te stellen wanneer zij het niet eens is met een beslissing van de rechtbank, ook als er geen nieuwe of andere gronden zijn. Dit verweer slaagt. Omdat in hoger beroep een heroverweging plaatsvindt, handelt een advocaat niet tuchtrechtelijk verwijtbaar wanneer hij in hoger beroep de in eerste aanleg geponeerde stellingen herhaalt, ook al voert hij daarvoor geen nieuwe argumenten of nadere onderbouwing aan. Klachtonderdeel 2 is op grond van het voorgaande ongegrond.

5.8 Klachtonderdelen 3 en 4 (25-334/DB/ZWB) en 2 en 4 (25-792/DB/ZWB)

De klachtonderdelen 3 en 4 (25-334/DB/ZWB) en 2 en 4 (25-792/DB/ZWB) hangen met elkaar samen en lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Deze klachtonderdelen hebben betrekking op het niet naleven van de rechterlijke uitspraken door de vrouw. Klager meent dat verweerster daardoor tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Verweerster heeft deze klachtonderdelen uitdrukkelijk weersproken. De raad overweegt als volgt. Een advocaat kan in beginsel niet tuchtrechtelijk verantwoordelijk worden gehouden voor gedragingen van zijn cliënt. Het is de vrouw die de rechterlijke uitspraken dient na te leven. Dat verweerster aan de vrouw rechtsbijstand heeft verleend betekent nog niet dat het niet naleven van rechterlijke uitspraken door de vrouw verweerster tuchtrechtelijk kan worden verweten. Dat kan anders zijn indien verweerster de vrouw aanzet tot het niet naleven van de rechterlijke uitspraken of haar, met dat doel, behulpzaam is. Maar dat moet dan wel blijken.

5.9 Voor de ernstige verwijten dat verweerster heeft meegewerkt aan het verborgen houden van de kinderen en de onttrekking van de kinderen aan het ouderlijk gezag en dat zij zich heeft schuldig gemaakt aan medeplichtigheid aan internationale kinderontvoering heeft de raad in de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht geen enkel aanknopingspunt gevonden. Niet valt in te zien op welke wijze verweerster het strafbare gedrag waaraan de vrouw zich volgens klager heeft schuldig gemaakt, had moeten en kunnen voorkomen laat staan dat zij daaraan heeft meegewerkt of het gedrag van de vrouw heeft gefaciliteerd. De klachtonderdelen 3 en 4 (25-334/DB/ZWB) en 2 en 4 (25-792/DB/ZWB) zijn op grond van het voorgaande ongegrond.

5.10 Klachtonderdeel 1 (25-792/DB/ZWB)

Klager verwijt verweerster dat zij tijdens de mondelinge behandeling van de raad van 27 januari 2025 onjuist heeft verklaard. De raad overweegt dat het een advocaat vrij staat om in het kader van het voeren van verweer tegen een tuchtklacht standpunten in te nemen die afwijken van de standpunten van de klager. In het kader van het voeren van verweer heeft verweerster de wijze waarop zij rechtsbijstand heeft verleend aan de vrouw gemotiveerd toegelicht en in dat verband de standpunten van de vrouw herhaald. Het moge zo zijn dat die standpunten en verweersters uitlatingen daarover klager onwelgevallig waren, maar dat betekent nog niet dat verweerster daarvan een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Dat verweerster onwaarheden heeft verkondigd is naar het oordeel van de raad niet gebleken. Dit klachtonderdeel is dan ook ongegrond.

5.11 Klachtonderdeel 3 (25-792/DB/ZWB)

Klager verwijt verweerster dat zij misleidend gebruik heeft gemaakt van een medische verklaring die zij op 15 juli 2024 in het geding heeft gebracht. Verweerster heeft dit klachtonderdeel gemotiveerd weersproken. Verweerster heeft toegelicht dat zij ter onderbouwing van de stelling van de vrouw dat klager haar zou hebben mishandeld medische documentatie van de huisarts in het geding heeft gebracht. Naar het oordeel van de raad heeft verweerster daarmee niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld. Klager en zijn advocaat hebben in de civiele procedure op de in het geding gebrachte stukken kunnen reageren en het was vervolgens aan de civiele rechter om de in het geding gebrachte stukken te waarderen. Niet is gebleken dat verweerster heeft geprobeerd om de rechter te misleiden. Ook klachtonderdeel 3 is derhalve ongegrond.

5.12 Klachtonderdeel 5 (25-792/DB/ZWB)

Klager verwijt verweerster dat zij oneigenlijk gebruik heeft gemaakt van door de overheid gefinancierde rechtsbijstand, nu zij voor haar cliënte een toevoeging heeft aangevraagd en gekregen, terwijl haar cliënte daarop geen recht heeft. Verweerster heeft het verweer gevoerd dat klager niet in dit klachtonderdeel kan worden ontvangen omdat hij daarbij geen belang heeft. Dit verweer slaagt. De raad overweegt dat alleen de persoon of de rechtspersoon die door het handelen of nalaten van een advocaat direct in zijn belang wordt of kan worden getroffen, het recht heeft om hierover een klacht in te dienen. Als het in het algemeen belang is dat er een tuchtprocedure komt, dan heeft de deken het recht om te klagen. Naar het oordeel van de raad is niet gebleken dat klager door het verweten handelen van verweerster direct is of kon worden getroffen in zijn belang. Klager kan daarom niet in dit onderdeel van de klacht worden ontvangen.

 

6 MAATREGEL

6.1 Verweerster heeft tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld door in het beroepschrift van 7 augustus 2024 onnodig grievende uitlatingen te doen. Dat verhoudt zich niet met de de-escalerende aanpak die van verweerster in een familierechtzaak mocht worden verwacht. Verweerster heeft met haar handelwijze de belangen van klager onnodig geschaad zonder redelijk doel.

6.2 De raad heeft bij beslissing van 10 maart 2025 reeds aan verweerster een berisping opgelegd voor in het beroepschrift 6 mei 2024 opgenomen uitlatingen met een gelijke inhoud of strekking als de in de onderhavige klachtzaak als onnodig grievend beoordeelde uitlatingen in het beroepschrift van 7 augustus 2024. Indien in die vorige klachtprocedure, ook het in de onderhavige klachtprocedure gegrond bevonden tuchtrechtelijk verwijt aan de raad ter beoordeling was voorgelegd – wat goed mogelijk was nu het beroepschrift van 7 augustus 2024 dateert van voor de beslissing van de raad van 10 maart 2025 - zou dit in die klachtprocedure naar alle waarschijnlijkheid niet tot oplegging van een zwaardere maatregel hebben geleid. Om die reden ziet de raad in dezen af van het opleggen van een maatregel.

 

7 GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING

7.1 Omdat de raad de klacht deels gegrond verklaart,moet verweerster op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klager betaalde griffierecht van € 50,- aan hem vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk aan verweerster door.

 

BESLISSING

De raad van discipline:

25-334/DB/ZWB

-             verklaart klachtonderdeel 1, voor zover dit ziet op de randnummers 11, 17, 18 en 23 van het hoger beroepschrift van 7 augustus 2024, gegrond, en voor het overige ongegrond;

-             verklaart de klachtonderdelen 2, 3 en 4 ongegrond;

-             ziet af van het opleggen van een maatregel;

-             veroordeelt verweerster tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klager.

25-792/DB/ZWB

-             verklaart de klachtonderdelen 1, 2, 3 en 4 ongegrond;

-             verklaart klachtonderdeel 5 niet-ontvankelijk.

 

Aldus beslist door mr. R.A.J. van Leeuwen, voorzitter, mrs. H.C. Struijk, J.R.G. Smulders, leden, bijgestaan door mr. T.H.G. Huber-van de Langenberg als griffier, en uitgesproken op 12 januari 2026.

 

Griffier                                                                          Voorzitter

 

Verzonden op: 12 januari 2026