Rechtspraak
Uitspraakdatum
29-12-2025
ECLI
ECLI:NL:TAHVD:2025:275
Zaaknummer
250163
Inhoudsindicatie
De deken verwijt verweerder in dit dekenbezwaar dat hij in strijd met de kernwaarden (financiële) integriteit en onafhankelijkheid heeft gehandeld. Met een beroep op zijn geheimhoudingsplicht heeft verweerder bij de Raad van Discipline in het ressort ’s-Hertogenbosch (hierna: de raad) geen inhoudelijk verweer gevoerd. De raad heeft geoordeeld dat er in strijd is gehandeld met de kernwaarde (financiële) integriteit en heeft aan verweerder de maatregel opgelegd van schorsing voor de duur van 26 weken. In hoger beroep heeft verweerder alleen inhoudelijk verweer gevoerd tegen het bezwaar dat hij financieel niet zorgvuldig (integer) heeft gehandeld. Het oordeel van de raad dat verweerder heeft gehandeld in strijd met de kernwaarde integriteit staat daarmee vast. Het hof komt tot het oordeel dat verweerder niet zorgvuldig heeft gedeclareerd en ziet (mede gelet op het feit dat het tot een deels andere beslissing dan de raad komt) aanleiding om de maatregel te matigen in die zin dat aan verweerder de maatregel zal worden opgelegd van een schorsing voor de duur van 12 weken waarvan 6 weken voorwaardelijk.
Uitspraak
van 29 december 2025 in de zaak 250163
naar aanleiding van het hoger beroep van:
verweerder
gemachtigde: mr. J.T.J. Gorissen advocaat te Heerlen
tegen:
de deken
1 INLEIDING
1.1 De deken verwijt verweerder in dit dekenbezwaar dat hij in strijd met de kernwaarden (financiële) integriteit en onafhankelijkheid heeft gehandeld. Met een beroep op zijn geheimhoudingsplicht heeft verweerder bij de Raad van Discipline in het ressort ’s-Hertogenbosch (hierna: de raad) geen inhoudelijk verweer gevoerd. De raad heeft geoordeeld dat er in strijd is gehandeld met de kernwaarde (financiële) integriteit en heeft aan verweerder de maatregel opgelegd van schorsing voor de duur van 26 weken. In hoger beroep heeft verweerder alleen inhoudelijk verweer gevoerd tegen het bezwaar dat hij financieel niet zorgvuldig (integer) heeft gehandeld. Het oordeel van de raad dat verweerder heeft gehandeld in strijd met de kernwaarde integriteit staat daarmee vast. Het hof komt tot het oordeel dat verweerder niet zorgvuldig heeft gedeclareerd en ziet (mede gelet op het feit dat het tot een deels andere beslissing dan de raad komt) aanleiding om de maatregel te matigen in die zin dat aan verweerder de maatregel zal worden opgelegd van een schorsing voor de duur van 12 weken waarvan 6 weken voorwaardelijk.
1.2 Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom verweerder in beroep is gekomen en hoe het hof daarover oordeelt.
2 DE PROCEDURE
Bij de raad van discipline
2.1 De raad heeft in de zaak tussen de deken en verweerder (zaaknummer: 24-924/DB/LI/D) op 7 april 2025 een beslissing gewezen. In deze beslissing zijn de klachtonderdelen a) en c) gegrond verklaard en is klachtonderdeel b) niet-ontvankelijk verklaard. Aan verweerder is de maatregel van schorsing voor de duur van 26 weken opgelegd. Verder is verweerder veroordeeld tot betaling van de proceskosten.
2.2 Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRSHE:2025:62 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.
Bij het hof van discipline
2.3 Het beroepschrift van verweerder tegen de beslissing is op 6 mei 2025 ontvangen door de griffie van het hof.
2.4 Verder bevat het dossier van het hof: - de stukken van de raad; - het verweerschrift van de deken; - de e-mail van verweerder van 21 oktober 2025 met bijlagen. 2.5 Het hof heeft de zaak mondeling behandeld op 31 oktober 2025. Een deel van de zitting heeft achter gesloten deuren plaatsgevonden. Daar zijn verweerder, bijgestaan door gemachtigde, en de deken verschenen. Zowel verweerder als de gemachtigde van verweerder hebben hun standpunt toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen, die onderdeel uitmaken van het dossier van het hof.
3 FEITEN
3.1 Het hof gaat uit van de feiten die door de raad zijn vastgesteld nu daartegen geen beroepsgrond is gericht en deze als onweersproken vaststaan. Het gaat - voor zover in hoger beroep nog van belang - om de volgende feiten.
Declaraties
3.2 Verweerder heeft vanaf begin 2022 werkzaamheden verricht voor een groepsmaatschappij van cliënte 1 [hierna: cliënte 2]. Verweerder heeft op dezelfde dag waarop hij de opdrachtbevestiging verzond aan cliënte 1 ook een opdrachtbevestiging verstuurd aan cliënte 2, waarin hij bevestigt ook op te treden voor cliënte 2 en twee andere groepsmaatschappijen van cliënten 1 en 2: A en B.
3.3 Verweerder heeft al zijn werkzaamheden voor al deze cliënten gedeclareerd in één dossier met één nummer. In een periode van elf maanden heeft verweerder € 1.235.174,16 gefactureerd in dat dossier. Verweerder heeft daarvoor diverse facturen gestuurd aan weer een andere groepsmaatschappij van cliënten 1 en 2: C. De facturen zijn voorzien van een algemene omschrijving van werkzaamheden, waaronder niet limitatief: - Brief inkomend - Brief uitgaand - Telefoon inkomend - Bezoek Uit - Studie dossier - Diversen ongespecificeerd - Reistijd - Concipiëren processtukken - Jurisprudentie Niet is vermeld door wie de gedeclareerde werkzaamheden zijn verricht en welk uurtarief daarvoor is gerekend. De per dag gedeclareerde werkzaamheden overschrijden regelmatig de 24 uur. Niet limitatief weergegeven heeft verweerder per dag gedeclareerd: - Op 28 september 2022: 53,1 uur. - Op 11 oktober 2022: 33,3 uur. - Op 12 oktober 2022: 31,7 uur. - Op 19 oktober 2022: 39,4 uur. - Op 20 oktober 2022: 31,1 uur. - Op 24 oktober 2022: 32,0 uur. Eveneens niet limitatief weergegeven zijn de volgende aantallen minuten gedeclareerd met de navolgende omschrijvingen op dagen waarop daarnaast ook meerdere andere werkzaamheden zijn gedeclareerd: - 28 september 2022 1200 minuten (20 uur) Diversen ongespecificeerd - 29 september 2022 870 minuten (14,5 uur) Diversen ongespecificeerd - 24 oktober 2022 720 minuten (12 uur) Diversen ongespecificeerd - 29 oktober 2022 600 minuten (10 uur) Diversen ongespecificeerd - 30 oktober 2022 660 minuten (11 uur) Diversen ongespecificeerd - 30 oktober 2022 660 minuten (11 uur) Concipiëren processtukken
3.4 In juli 2022, augustus 2022, september 2022 en oktober 2022 zijn de volgende facturen verstuurd door verweerder aan groepsmaatschappij C:
Datum
Factuurnummer
Factuurhoogte
1 juli 2022
220590
€ 93.025,84
1 juli 2022
220575
€ 85.913,32
5 juli 2022
220600
€ 10.000,-
1 augustus 2022
220684
€ 90.274,60
6 september 2022
220734
€ 1.409,84
19 september 2022
220794
- € 1.409,84
4 oktober 2022
220795
€ 155.465,32
3.5 In juli 2022, augustus 2022, september 2022 en oktober 2022 zijn de volgende betalingen door groepsmaatschappij C aan verweerder gedaan:
Datum
Genoemd factuurnummer/ omschrijving
Hoogte betaling
1 juli 2022
22016
€ 80.000,-
1 juli 2022
220575
€ 85.913,32
5 juli 2022
220590
€ 13.025,84
5 juli 2022
8230
€ 10.000,-
27 juli 2022
Voorschot factuur juli 2022
€ 25.000,-
11 augustus 2022
220684
€ 160.000,-
19 september 2022
Niet gespecificeerd
€ 120.000,-
7 oktober 2022
220795 8230
€ 100.000,-
Vrijwaring
3.6 Op 29 april 2022 heeft de UBO van cliënten 1 en 2 en alle voornoemde groepsmaatschappijen (“UBO”) aan verweerder geschreven:“Alle partijen uit de (…) dagvaarding hebben van mij een garantie gehad voor alle schade en kosten met uitzondering van [naam]. (…) Indien nodig om de zaken voor komende week geregeld te krijgen kan namens mij, [de B.V. van de UBO], een garantie afgegeven worden.”
3.7 Op 2 juli 2022 heeft verweerder de UBO een vrijwaringsverklaring laten tekenen:“[Een B.V. van de UBO] vrijwaart hiermee uitdrukkelijk en onherroepelijk de maatschap [van verweerder], alsmede haar maatschapsleden, (overige) werknemers en door haar ingehuurde partijen alsmede de aan haar gerelateerde ondernemingen onvoorwaardelijk en integraal voor elke schade, aansprakelijkheidstelling of andersluidende verhaalspogingen door derden, zulks in de meest brede zin van het woord, welke ontstaat c.q. ontstaan als gevolg van de activiteiten welke [de maatschap] verricht voor [de cliënt] alsook, voor de aan hem gelieerde ondernemingen: (…) In de meest brede zin van het woord.
Voorts vrijwaart [een B.V. van de UBO] de maatschap [van verweerder] alsmede haar maatschapsleden, (overige) werknemers en door haar ingehuurde partijen alsmede de aan haar gerelateerde ondernemingen onvoorwaardelijk en integraal voor elke schade, aansprakelijkheidstelling of andersluidende verhaalspogingen door derden, zulks in de meest brede zin van het woord, welke ontstaat c.q. ontstaan als gevolg van de activiteiten die [de maatschap] verricht voor:
[Diverse aan de UBO gelieerde ondernemingen en bestuurders]
(…)
Het verleden leert dat in de betreffende kwestie regelmatig betrokken partijen in rechte worden betrokken, zowel zakelijk als privé, ook wanneer daar in redelijkheid geen aanleiding voor is. [De maatschap] wenst geen aansprakelijkheid te aanvaarden, zulks gelet op de mogelijke gevolgen voor haar onderneming.
Het staat [de maatschap] vrij om – in geval van enige aansprakelijkheidsstelling, schade of anderszins verhaalspogingen, in redelijk overleg met [een B.V. van de UBO] op diens kosten rechtsbijstand in te schakelen van een (onafhankelijke) derde.
[Een B.V. van de UBO] vrijwaart [de maatschap] en alle eerder genoemde partijen van alle juridische en financiële consequenties en indien nodig neemt zij deze voor haar rekening. Dit geldt uitdrukkelijk tevens voor consequenties welke het gevolg zijn van handelen daterende vóór ondertekening van deze vrijwaring.
Deze vrijwaring zal mede worden ondertekend door [de UBO] in privé. [De UBO] verklaart daarmee zich eveneens hoofdelijk te verbinden aan onderhavige door [de B.V. van verweerder] afgegeven vrijwaring, in die zin dat de verplichtingen welke hieruit voortvloeien voor [een B.V. van de UBO], tevens gelden als verplichtingen voor [de UBO].”
Hiermee verleende een B.V. van de UBO en de UBO vrijwaring voor alle schade die op welke wijze ook zou voortvloeien uit de werkzaamheden die door verweerder, zijn kantoorgenoten en door hen ingeschakelde derden verricht waren en zouden worden voor cliënten 1 en 2, A, B en C alsook vele andere groepsmaatschappijen alsook de UBO en meerdere bestuurders van groepsmaatschappijen.
3.8 Op 28 november 2022 heeft verweerder zijn werkzaamheden voor de UBO en alle aan hem gerelateerde groepsmaatschappijen beëindigd.
3.9 Vanaf januari 2023 heeft verweerder € 116.125,- in rekening gebracht bij C.
3.10 Op 19 juli 2023 heeft verweerders kantoor C en de UBO gedagvaard. Daaruit volgt onder meer:
“(…) 3. Drie facturen over oktober, november en december 2022 zijn aanvankelijk geheel, thans gedeeltelijk onbetaald gebleven.
4. Op 28 november 2022 heeft de maatschap de behartiging van de belangen van gedaagden gestaakt.
5. Verder zijn de facturen vanaf januari 2023, waarmee werkzaamheden in rekening gebracht zijn die verband houden met de afwikkeling van de zaak en/of verband houden met opdrachten van gedaagden aan eisers, onbetaald gebleven. (…)
7. Gedaagden hebben alle eisers schriftelijk gevrijwaard van alle kosten en alle schade die eisers hebben c.q. lijden ten gevolge van de behandeling van de belangen van gedaagden.
8. Eisers doen een uitdrukkelijk beroep op de door gedaagden afgegeven vrijwaring. (…)
97. Vanaf 1 januari 2023 hebben eisers hun schade (op grond van de vrijwaring) dan wel de kosten van hun werkzaamheden (op grond van opdracht) in een aantal dossiers bijgehouden.
- (i) Werkzaamheden: dossier (…)
- (ii) Schade: dossier (…)
In dit dossier zijn alle werkzaamheden/kosten in verband met de klachtbehandeling en behandeling van de toezichtdossiers van de Deken opgenomen. (…)
- (iii) Kosten: de dossiers (…). Hierin zijn alle kosten opgenomen die zien op het incasseren van de openstaande facturen. Niet alleen voor de facturen, oktober, november en december 2022, maar ook de facturen vanaf januari 2023. De grondslag voor de facturen vanaf januari 2023 is hoofdzakelijk de door gedaagden afgegeven vrijwaring, welke thans door gedaagden wordt betwist. (…)
- (iv) Aansprakelijkstelling door [E]: dossier (…). Hierin zijn alle kosten opgenomen die voortvloeien uit de aansprakelijkstelling door [E]. (…)”
3.11 Verweerder heeft daarnaast vanaf februari 2023 nog declaraties gefactureerd op andere dossiernummers.
4 DEKENBEZWAAR
4.1 Het dekenbezwaar houdt, zakelijk weergegeven en voor zover in hoger beroep van belang, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat hij
a) zonder voorafgaande opdracht(bevestiging) en/of informatie over de (proces)kansen en risico’s een beslagprocedure op te starten waarmee hij heeft gehandeld in strijd met de kernwaarde integriteit;
b) …;
c) niet zorgvuldig heeft gehandeld in financiële aangelegenheden en daarmee in strijd heeft gehandeld met de kernwaarde (financiële) integriteit. Daaraan legt de deken het volgende ten grondslag:
i. Verweerder heeft zijn werkzaamheden gedeclareerd op één adviesdossier en heeft de werkzaamheden nauwelijks gespecifieerd naar dossier en/of handeling, vaak met een zeer algemene omschrijving; ii. Verweerder heeft bij zijn declaraties het uurtarief, de per verrichte handeling verschuldigde bedragen en de betrokken advocaat/medewerker niet vermeld; iii. Niet is gebleken of en op welke wijze alle in rekening gebrachte voorschotten zijn verrekend; iv. Er is een viertal betalingen overgeboekt, die niet (volledig) corresponderen met gezonden facturen en waarvan op de nadien gezonden facturen ook niet blijkt van volledige verrekening; v. Verweerder heeft de UBO een vrijwaringsverklaring laten ondertekenen. Niet gebleken is dat de verklaring op initiatief van de UBO is opgesteld. Verweerder heeft niet voldaan aan zijn informatieplicht jegens de UBO ten aanzien van de (financiële) gevolgen van de vrijwaringsverklaring; vi. Verweerder heeft, op basis van de vrijwaringsverklaring, facturen in rekening gebracht voor werkzaamheden van na beëindiging van de rechtsbijstand die niet ten voordele van de cliënt(en) zijn en zonder inzicht te geven in de verrichte werkzaamheden.
5 OMVANG HOGER BEROEP/ONTVANKELIJKHEIDSKWESTIES
Verweerder heeft in zijn beroepschrift aangegeven dat het hoger beroep enkel is gericht tegen de beslissing op het onderdeel c) van het dekenbezwaar en de opgelegde maatregel. Daarmee is de gegrondverklaring van onderdeel a) en de niet-ontvankelijkverklaring van onderdeel b) (wegens gebrek aan belang) door de raad onherroepelijk. Daarmee staat het oordeel van de raad vast dat verweerder heeft gehandeld in strijd met de kernwaarde integriteit door zonder opdracht(bevestiging) een procedure te starten met naar verwachting veel media-aandacht en een groot financieel belang.
6 BEOORDELING RAAD
Bezwaar onderdeel c)
6.1 De raad heeft vastgesteld dat verweerder facturen heeft verstuurd die slechts zijn voorzien van een zeer algemene omschrijving van de werkzaamheden (vaak luidt die: “Diversen ongespecificeerd”), waardoor het voor de cliënten niet mogelijk is om na te gaan welke werkzaamheden in die uren zijn verricht. Bovendien is ook niet gespecificeerd welke persoon de werkzaamheid heeft verricht en tegen welk uurtarief. Volgens de raad had verweerder dat wel moeten doen, temeer nu hij al zijn werkzaamheden in één dossier schreef en zijn declaraties zeer aanzienlijke bedragen beliepen. Ook de facturen die verweerder heeft verzonden na beëindiging van de bijstand aan deze cliënten onder verwijzing naar de vrijwaringsovereenkomst zijn niet deugdelijk gespecificeerd. Gelet op de hoogte van de gedeclareerde bedragen van in totaal ruim € 1,25 miljoen gedurende 11 maanden en het ontbreken van een gedegen specificatie, waarbij op meerdere dagen meer uren zijn gefactureerd dan er in een dag zitten en hele werkdagen worden besteed aan ‘diversen ongespecificeerd’, is naar het oordeel van de raad ook sprake van excessief declareren. Verweerder heeft geen enkele rechtvaardiging gegeven voor de buitensporige hoogte van die declaraties, zodat onderdelen c) i, ii en vi gegrond zijn.
6.2 Daarnaast heeft de raad uit de hiervoor weergegeven facturen en betalingen afgeleid dat verweerder betalingen heeft ontvangen die niet overeenkomen met de facturen. Nu niet is gebleken dat verweerder dat verschil nadien heeft rechtgezet, bijvoorbeeld door te veel ontvangen gelden te verrekenen of terug te betalen, en hij ook geen andere verklaring heeft gegeven, zijn onderdelen c) iii en iv gegrond.
6.3 Tot slot heeft de raad uit de e-mail van 29 april 2022 van de UBO van cliënten 1 en 2 aan verweerder afgeleid dat de vrijwaring op initiatief van die UBO tot stand is gekomen, maar dat verweerder hem expliciet en schriftelijk had moeten informeren over de gevolgen van de vrijwaring alvorens die te laten ondertekenen. Nu niet is gebleken dat verweerder aan die informatieplicht heeft voldaan, is onderdeel c) v gegrond.
6.4 De slotsom van de raad is dat onderdeel c) in zijn geheel gegrond is.
6.5 Nu verweerder niet heeft voldaan aan zijn plicht om de bevoegdheid van zijn opdrachtgever (cliënte 1) vast te stellen en de aan hem verstrekte opdracht, belangrijke afspraken en informatie schriftelijk vast te leggen en hij daarnaast financieel niet integer heeft gehandeld, is bij de raad het beeld ontstaan van een advocaat die zijn eigen belang extreem laat prevaleren boven dat van zijn cliënt. Datzelfde geldt voor de vrijwaring die hij onder meer zijn cliënten ten behoeve van zichzelf heeft laten tekenen. De raad heeft hier ook bij betrokken dat verweerder geen gehoor heeft gegeven aan het verzoek van de deken om de vier andere dossiers die hij had lopen voor cliënte 2 te verstrekken, zodat hij heeft gehandeld in strijd met de kernwaarde integriteit.
6.6 De raad heeft dit dusdanig ernstig geacht dat het zich de vraag heeft gesteld of verweerder (nog) geschikt is om het beroep van advocaat uit te oefenen, maar volgens de raad verdient hij het voordeel van de twijfel. Aan de ene kant heeft verweerder zich laten meeslepen in het omvangrijke conflict van zijn vermogende cliënten en diens UBO en heeft hij daarbij de normen en waarden die behoren bij het uitoefenen van het beroep van advocaat vergaand uit het oog verloren, maar anderzijds heeft de raad op dit moment geen reden om aan te nemen dat verweerder niet in staat zou zijn van zijn fouten te leren. De raad heeft volstaan met het opleggen van een stevige onvoorwaardelijke schorsing van 26 weken.
7 BEROEPSGRONDEN EN VERWEER
Beroepsgronden verweerder
7.1 Volgens verweerder dient de beslissing van de raad ten aanzien van onderdeel c) te worden vernietigd en alsnog ongegrond te worden verklaard en ten aanzien van de opgelegde maatregel te worden vernietigd, althans te worden herzien. Volgens verweerder dienen bij alle aangevoerde gronden de omstandigheden van het geval te worden meegewogen, zoals de uitzonderlijkheid van de casus, de omvang en complexiteit daarvan, de hoeveelheid (rechts)handelingen die is verricht, het aantal personen dat aan het dossier gewerkt heeft, het feit dat verweerder gedurende de betreffende periode (meer dan fulltime) enkel aan deze kwestie heeft gewerkt, alsook het feit dat dit alles bekend was bij zowel de cliënten als de debiteur. Verweerder is dan ook van mening dat er geen sprake is van excessief declareren en dat het gedeclareerde honorarium redelijk was.
7.2 In het kader van de marginale toets of er sprake is van excessief declareren stelt verweerder voorop dat daarbij alle omstandigheden meewegen, zoals de aard en complexiteit van de zaak, de (financiële) hoedanigheid van de cliënt, de met de zaak gepaarde (financiële) belangen en de verhouding tussen het in rekening gebrachte bedrag en de verrichte werkzaamheden. Verweerder wijst er daarbij op dat voor de werkzaamheden over de periode februari tot en met november 2022 (ongeveer 44 weken) inderdaad in totaal een bedrag ad € 1.235.174,16 is gedeclareerd. Daarbij bedroeg het netto honorarium, exclusief kantoorkosten, BTW en kosten van derden/verschotten € 811.200,22. Een bedrag ad € 375.301,93 betrof kosten derden/verschotten en BTW. Er zijn over deze periode afgerond 3.220,5 declarabele uren geschreven (niet alleen door verweerder maar ook door kantoorgenoten en derden). De werkzaamheden betroffen het optreden in ten minste 18 procedures, met omvangrijke processtukken, welke procedures elkaar in rap tempo opvolgden. Gedeeld door het totale honorarium ad € 811.200,22, komt dit neer op een uurtarief van € 251,89 per uur, terwijl voor verweerder een uurtarief van € 270,- was afgesproken, en is gemiddeld 73 uur per week gewerkt.
7.3 Volgens verweerder is daarbij nimmer in strijd gehandeld met de afspraken die gemaakt zijn over de kosten en heeft verweerder nimmer de vermogende positie van de debiteur, noch de financiële belangen van de zaken, de hoogte van de gehanteerde uurtarieven laten beïnvloeden. Zo is het gehanteerde uurtarief zeer redelijk, zijn ook de werkzaamheden in alle redelijkheid doorberekend en is regelmatig tijd die besteed werd, niet één op één aan de debiteur doorberekend. Bovendien was de debiteur ervaren met juridische bijstand en de kosten daarvan en ook voldoende kritisch en heeft hij nooit vraagtekens geplaatst bij de declaraties en/of verstrekte urenspecificaties, waaruit de tijdsbesteding volgde, en heeft hij ook niet gesteld dat er sprake zou zijn van excessief declareren. De debiteur heeft de facturen, die maandelijks werden verstuurd, telkens gecontroleerd en zonder enig protest voldaan. Verweerder is dan ook van mening dat, gelet op al het vorenstaande en de criteria van de raad en het hof, er geen sprake is van excessief declareren.
7.4 Verweerder heeft begrip voor de opmerking dat de facturen onvoldoende gespecificeerd zijn. Het feit dat de specificaties zo waren ingericht heeft volgens verweerder te maken met de uitzonderlijkheid van de casus. Er was immers één debiteur, die alle kosten droeg en bij die debiteur was bekend dat er (meer dan) fulltime, door meerdere personen, aan de dossiers werd gewerkt. Deze debiteur kon echter niet worden voorzien van informatie die ging over de inhoudelijke behandeling van de dossiers van de diverse cliënten, ook niet door middel van uitgebreide urenspecificaties. Desalniettemin is het niet zo dat voor de debiteur twijfel bestond of hoefde te bestaan over de juistheid van de urenbesteding. De facturen werden na afloop van iedere maand gezonden, waardoor het voor de debiteur mogelijk was om kort na de verrichte werkzaamheden de tijdsbesteding te controleren en hier op te kunnen reageren. Bovendien zijn tijdens de behandeling van de dossiers geen vragen gesteld over de facturen of specificaties of heeft de debiteur gemeld dat de specificaties voor hem onvoldoende (duidelijk) waren, terwijl hij deze wel controleerde, en betaalde hij de facturen zonder protest. Ook is het volgens verweerder zo dat hij de debiteur duidelijk informeerde. Voor de debiteur was het ook volkomen duidelijk en zij stemde er ook mee in dat verweerder zijn tijd volledig besteedde aan de betreffende zaken en zij wist ook dat er méér dan fulltime door meerdere personen aan deze kwesties werd gewerkt. Hoewel verweerder normaliter zijn declaraties niet op deze wijze inricht en begrijpt waarom de raad opmerkingen heeft gemaakt ten aanzien van de specificaties bij de declaraties, meent verweerder dat met deze toelichting het oordeel van de raad ten aanzien van de specificaties niet in stand kan blijven.
7.5 Volgens verweerder is de overweging van de raad, dat hij betalingen heeft ontvangen, die niet overeenkomen met de facturen, en niet is gebleken dat hij dat verschil nadien heeft rechtgezet, feitelijk onjuist. Er heeft telkens zo spoedig mogelijk verrekening plaatsgevonden van alle betalingen die de debiteur op eigen initiatief heeft verricht en die niet gekoppeld waren aan een factuur. Die verrekeningen zijn ook schriftelijk toegelicht aan de debiteur en daarover is gecommuniceerd. Verweerder verwijst daarbij naar een overzicht en onderliggende stukken, waaruit zou blijken dat er tot en met 5 juli 2022 telkens betalingen zijn verricht volgens de facturen. Zo zijn bij factuur van 6 september 2022 de door de debiteur (op eigen initiatief) teveel betaalde bedragen van 28 juli 2022 (€ 25.000,-) en 11 augustus 2022 (€ 69.725,40) verrekend zodat het totale voorschot dat in depot werd gehouden € 100.000,- zou bedragen. De factuur van 6 september 2022 met de verrekening is bij schrijven van 19 september 2022 aan de debiteur toegezonden met een uitgebreide toelichting en daarbij is aan de debiteur schriftelijk bevestigd dat er niet meer dan € 100.000,- in depot zou worden gehouden en dat overige betalingen telkens met declaraties zouden worden verrekend, hetgeen de debiteur akkoord heeft bevonden. Daarnaast heeft verweerder een betaling van 19 september 2022 (€ 120.000,-) verrekend met de factuur van 4 oktober 2022, waarna een openstaand bedrag van € 35.465,32 resteerde. De betaling van 7 oktober 2022 (€ 100.000,-) door de debiteur, die evenals de betaling op 19 september 2022 op eigen initiatief van de debiteur plaatsvond, heeft verweerder verrekend met het resterende openstaande bedrag van € 35.465,32, zodat een bedrag van € 64.534,68 nog verrekend moest worden. Op 13 oktober 2022 werden de verrekeningen van deze betalingen schriftelijk aan de debiteur bevestigd en daarbij werd vermeld dat het resterende ‘overschot’ bedrag van € 64.534.68 begin november 2022 zou worden verrekend met de factuur voor de werkzaamheden over oktober 2022, hetgeen op 3 november 2022 ook is gebeurd en schriftelijk aan de debiteur is bevestigd. Daarbij werd ook medegedeeld dat nog een bedrag van € 138.984,09 ter betaling door de debiteur resteerde. Hierna is op 6 en 31 december 2022 nog een factuur aan de debiteur verzonden, waardoor op 31 december 2022 een bedrag van € 294.460,80 openstond. Een bedrag van € 36.300,- werd daarna door een derde gecrediteerd, waarna een bedrag van € 258.160,80 resteerde. Daarna is het in depot gehouden voorschot van € 100.000,- verrekend met de openstaande facturen en vonden er nog twee betalingen plaats door de debiteur van in totaal € 140.000,-. Een bedrag van € 18.160,80 is door de debiteur onbetaald gelaten. Volgens verweerder zijn alle betaalde bedragen dan ook volledig verrekend c.q. toegerekend aan facturen en is dit voldoende met de debiteur gecommuniceerd.
7.6 Voor wat betreft de vrijwaringsverklaring betwist verweerder niet dat hij de verstrekker van de vrijwaring niet expliciet en schriftelijk heeft geïnformeerd over de gevolgen van de vrijwaring. Maar verweerder acht daarbij van belang dat het doel van de vrijwaring was/is verweerder c.q. de maatschap te vrijwaren voor eigen schade en/of kosten. De vrijwaring ziet uitdrukkelijk niet op schade van derden. Bovendien is vanaf 29 april 2022 met de verstrekker van de vrijwaring over de inhoud hiervan gesproken en had deze verstrekker zelf al (veel) eerder op eigen initiatief het aanbod gedaan een/deze vrijwaring te verstrekken en was de betekenis, van een vrijwaring (algemeen), en de gevolgen van het afgeven daarvan bij de verstrekker bekend. Daarbij was de tekst van de vrijwaring niet dusdanig (juridisch) gecompliceerd, zeker niet voor de verstrekker van de vrijwaring, die geen leek was als het ging om overeenkomsten en ruime ervaring had met het verstrekken van vrijwaringen, de inhoud daarvan, en de mogelijke gevolgen daarvan. Verweerder verwijst daarbij naar de conclusie van de procureur-generaal bij de Hoge Raad van 4 oktober 2024, waarin de procureur-generaal overweegt dat het hof terecht heeft geoordeeld dat de inhoud van de vrijwaring moet worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van het geval, waaronder de maatschappelijke positie van partijen en de rechtskennis die bij hen bekend mag worden verondersteld. Tot slot heeft de verstrekker van de vrijwaring nog om aanpassingen gevraagd, waaruit blijkt dat hij de vrijwaring voor ondertekening voldoende aandachtig gelezen heeft. Gelet op al het vorenstaande, is de verstrekker van de vrijwaring niet meer schriftelijk geïnformeerd over de gevolgen van de vrijwaring.
7.7 Ten aanzien van het verwijt van de raad dat verweerder de vier andere dossiers niet aan de deken heeft verstrekt, stelt verweerder zich op het standpunt dat alle facturen die in/over 2022 (ter zake de dienstverlening) zijn gezonden in kopie aan de deken zijn verstrekt. Verweerder merkt daarbij ten aanzien van de facturen over 2023 op dat de facturen die na beëindiging van de opdracht zijn verzonden aan de verstrekker van de vrijwaring niet verzonden hadden dienen te worden en dat deze zijn gecrediteerd en dat de deken ervan op de hoogte was dat dit geen facturen ter zake dienstverlening betroffen en deze ook niet opgemaakt hadden moeten worden in de vorm van een factuur. Deze uitleg is (nog eens) aan de deken verstrekt bij schrijven van 15 juli 2024 en verweerder had de declaraties aan de deken verstrekt als de deken naar aanleiding van die uitleg daarom had verzocht. Verweerder heeft ook in elk contact met de deken kenbaar gemaakt (aanvullende) vragen te willen beantwoorden en informatie te willen verstrekken en heeft de deken aangeboden dat het de dossiers op het kantoor van verweerder kon beoordelen.
7.8 Voor wat betreft de opgelegde maatregel is verweerder van mening dat deze bij een gedeeltelijke of gehele gegrondverklaring van het ingestelde beroep, niet, althans niet in dezelfde omvang, in stand kan blijven, zelfs niet bij het in stand laten van klachtonderdeel c). De (hoogte van de) opgelegde maatregel zou dan herzien moeten worden. Volgens verweerder dienen naast de inhoudelijke gronden immers ook andere relevante omstandigheden te worden meegewogen bij het opleggen van een maatregel. Verweerder wijst daarbij op zijn (nagenoeg) schoon tuchtrechtelijk verleden en het feit dat hem nooit verwijten van gelijke strekking zijn gemaakt, het feit dat hij telkens volledige medewerking heeft verleend aan verzoeken van de deken, de deken zelfs heeft voorgesteld uitvoeriger onderzoek te verrichten, uit eigen beweging stukken aan te leveren en een nadere toelichting aangeboden. Bovendien heeft verweerder zich de verwijten ter harte genomen en van de situatie veel geleerd. Daarbij heeft verweerder geen kantoorgenoten die zijn praktijk gedurende 26 weken kunnen waarnemen en zou een schorsing leiden tot verlies van de opgebouwde praktijk en een dusdanige financiële impact op het kantoor dat het voortbestaan in het gedrang komt. Tot slot heeft verweerder gewezen op het tijdsverloop sinds het openen van de toezichtdossiers door de deken en op het feit dat de onduidelijkheid en onzekerheid een zware wissel op hem hebben getrokken. Verweerder zijn verzoek is om de opgelegde maatregel te herzien, hoewel hij zich terdege bewust is van het feit dat hij op bepaalde punten anders had dienen te handelen.
Verweer deken
7.9 De deken heeft gemotiveerd verweer gevoerd in beroep. Waar dat relevant is, bespreekt het hof dit bij de beoordeling van het beroep.
8 BEOORDELING HOF
Maatstaf
8.1 De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn, gezien ook het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld. In deze zaak dient het handelen en nalaten van verweerder ook getoetst te worden aan de kernwaarden, met name de kernwaarde (financiële) integriteit. De deken vertegenwoordigt met het dekenbezwaar een algemener belang, waaronder het belang van bewaking en bevordering van de kwaliteit van de dienstverlening van de advocatuur. Voor de beoordeling van het dekenbezwaar wordt bij de hiervoor weergeven maatstaf aansluiting gezocht.
onderdeel c) onder i. en ii.: wijze van declareren en inrichting van de declaraties
8.2 Het onderdeel c) onder i. en ii. heeft betrekking op de wijze waarop verweerder zijn werkzaamheden heeft gedeclareerd en gespecificeerd. Anders dan de raad heeft overwogen ziet het bezwaar van de deken niet op de vraag of verweerder excessief heeft gedeclareerd. Het hof zal de gronden van verweerder voor zover zij daarop betrekking hebben buiten behandeling laten.
8.3 Het hof stelt vast dat verweerder gedurende elf maanden werkzaamheden heeft verricht voor cliënten 1 en 2 en twee andere groepsmaatschappijen van cliënten 1 en 2 en daarbij zijn werkzaamheden heeft gedeclareerd in één dossier. Op de facturen die verweerder heeft verstuurd staat enkel een zeer algemene omschrijving van de werkzaamheden, zoals ‘Diversen ongespecificeerd’. Verweerder heeft daarbij geen enkel onderscheid gemaakt tussen de werkzaamheden die door hemzelf zijn verricht en die door een juridisch medewerker of derden (met een ander uurtarief) zijn verricht. Ook als het zo is dat verweerder te maken had met een uitzonderlijke casus, zijn cliënten geen vragen heeft gesteld over de declaraties of om een specificatie heeft gevraagd en in het door zijn kantoor gebruikte programma wel inzichtelijk was welke declarant voor welk uurtarief heeft gewerkt, rustte op verweerder een eigen verplichting om de declaraties die hij aan zijn cliënten stuurde deugdelijk te specificeren. Op verweerder rust de plicht om vooraf transparant te zijn over zijn honorarium, de kosten en wijze van declareren. Door dat na te laten en de declaraties niet te specificeren onder opgave van tarief en tijdsbesteding of een andere overeengekomen grondslag heeft verweerder gehandeld in strijd met de kernwaarde (financiële) integriteit. Dat is onbetamelijk. Dat zijn cliënten de declaraties hebben geaccepteerd en zonder protest hebben betaald en geen nadere toelichting hebben gevraagd, zoals verweerder heeft aangevoerd, leidt er niet tot dat verweerder als advocaat niet uit zichzelf gehouden is om zorgvuldig te declareren. De deken heeft dan ook terecht dit bezwaar opgeworpen. Onderdeel c) onder i. en ii. is dan ook gegrond.
Onderdeel c) onder iii. en iv.: verrekening van betaalde voorschotten
8.4 In onderdeel c) onder iii. en iv. wordt verweerder verweten dat hij niet inzichtelijk heeft gemaakt of en op welke wijze de in rekening gebrachte voorschotten en betalingen, die niet (volledig) corresponderen met verzonden facturen, zijn verrekend. Verweerder heeft in hoger beroep verweer gevoerd tegen dit klachtonderdeel en gesteld dat de overweging van de raad op dit punt feitelijk onjuist is. Volgens verweerder heeft telkens zo spoedig mogelijk verrekening plaatsgevonden, welke verrekeningen schriftelijk zijn toegelicht aan de debiteur. Verweerder heeft ter onderbouwing van zijn standpunt een overzicht ingebracht met onderliggende stukken. De deken heeft op dat overzicht geen inhoudelijk verweer gevoerd. Naar het oordeel van het hof heeft verweerder met de door hem gegeven toelichting die wordt onderbouwd met overzichten, facturen en bankafschriften voldoende aangetoond dat de betalingen die verweerder heeft ontvangen zijn verrekend of te koppelen zijn aan verstuurde facturen. Het hof heeft geen reden te twijfelen aan de juistheid van het door verweerder verstrekte gedetailleerde overzicht. Het hof komt dan ook tot de conclusie dat onderdeel c) onder iii. en iv. ongegrond is.
Onderdeel c) onder v.: de vrijwaringsverklaring
8.5 Verweerder heeft erkend dat hij de verstrekker van de vrijwaring niet expliciet en schriftelijk heeft geïnformeerd over de gevolgen daarvan. Maar de UBO van de cliënten van verweerder had echter ruime ervaring met het verstrekken van een vrijwaring en de mogelijke gevolgen daarvan en heeft zelf het initiatief genomen tot het aanbod aan verweerder van een vrijwaring.
8.6 Het hof stelt voorop dat het uitgangspunt is dat op verweerder een informatieplicht rust tegenover zijn cliënten ten aanzien van de (financiële) gevolgen van de vrijwaringsverklaring. Echter gezien de specifieke omstandigheden van dit geval, de kennis bij de UBO van zijn cliënten en het eigen initiatief van voormelde UBO client heeft verweerder niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld door deze cliënten niet op voorhand expliciet te informeren over de gevolgen van de vrijwaringsverklaring.
8.7 Dat brengt het hof tot de conclusie dat onderdeel c) onder v. ongegrond is. Het hof tekent daarbij wel aan dat in zijn algemeenheid het aanvaarden van een vrijwaring zoals de onderhavige als onwenselijk wordt aangemerkt omdat de advocaat die zich laat vrijwaren mogelijk daardoor de kernwaarde integriteit zal raken.
Onderdeel c) onder vi.: facturen naar aanleiding van de vrijwaringsverklaring
8.8 Onderdeel c) onder vi. ligt in het verlengde van onderdeel c) onder i. en ii. en ziet op facturen die verweerder in rekening heeft gebracht na beëindiging van de rechtsbijstand die niet ten voordele van de client(en) zijn. Verweerder heeft ook die facturen onvoldoende gespecificeerd, zodat het voor zijn voormalige cliënten niet inzichtelijk is geweest wie welke werkzaamheden heeft verricht en tegen welk uurtarief. Dat klemt te meer nu de rechtsbijstand van verweerder was beëindigd en de cliënten van verweerder geen zicht hadden op de werkzaamheden die verweerder heeft verricht en in rekening bracht. Het hof komt dan ook tot de conclusie dat onderdeel c) onder vi. gegrond is.
Slotsom
8.9 Het hof verklaart van het dekenbezwaar ten aanzien van onderdeel c) de subonderdelen iii, iv en v. ongegrond en i., ii. en vi. gegrond.
9 MAATREGEL
9.1 Verweerder heeft niet voldaan aan zijn plicht om de bevoegdheid van zijn opdrachtgever (cliënte 1) vast te stellen en de aan hem verstrekte opdracht, belangrijke afspraken en informatie schriftelijk vast te leggen. Gelet op al hetgeen publiekelijk bekend was met betrekking tot de opdrachtgevers in kwestie lag het naleven van die verplichting nadrukkelijk op zijn weg. Het is voor het hof niet navolgbaar waarom verweerder dit achterwege heeft gelaten. Pas nadat hij diverse werkzaamheden had verricht, zoals het leggen van beslag en het voeren van verweer in een opheffingskort geding, heeft hij een opdrachtbevestiging verstuurd en zich vergewist van de bevoegdheid van zijn opdrachtgever (cliënte 1). Daarnaast was er geen schriftelijke vastlegging van een juridische analyse en een kostenbateninschatting. Verweerder heeft daardoor in strijd gehandeld met de kernwaarde integriteit. Het vertrouwen in de advocatuur is hierdoor ernstig geschaad. Naar het oordeel van het hof rechtvaardigt dit handelen een onvoorwaardelijke schorsing. Daarbij heeft verweerder onzorgvuldig en niet transparant gedeclareerd (niet in lijn met gedragsregel 17 lid 4). Dat raakt de kernwaarde financiële integriteit.
9.2 Daar staat tegenover dat verweerder inzicht heeft getoond in de ernst van zijn handelen en ook blijk heeft gegeven van zelfreflectie. Daarnaast heeft hij een aanpassing van het systeem waar de facturen uit gegenereerd worden in gang gezet. Het hof ziet hierin en in de ongegrondverklaring van twee door de raad gegrond verklaarde subonderdelen van onderdeel c van het dekenbezwaar aanleiding de door de raad opgelegde maatregel van schorsing voor de duur van 26 weken te matigen.
9.3 Het hof acht een schorsing van twaalf weken, waarvan zes weken voorwaardelijk passend en geboden.
10 PROCESKOSTEN
10.1 Omdat het hof een maatregel oplegt, zal het hof verweerder op grond van artikel 48ac, eerste lid, Advocatenwet veroordelen in de kosten voor de procedure bij het hof conform de Richtlijn kostenveroordeling Hof van Discipline 2021: a) € 1.000,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten; b) € 1.000,- kosten van de Staat.
10.2 Verweerder moet op grond van artikel 48ac lid 4 Advocatenwet het bedrag van € 2.000,- binnen vier weken na deze uitspraak overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling hof van discipline" en het zaaknummer.
11 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
11.1 vernietigt de beslissing van 7 april 2025 van de Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch, gewezen onder nummer 24-924/DB/LI/D, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en aan verweerder de maatregel van (onvoorwaardelijke) schorsing voor de duur van zesentwintig weken is opgelegd;
en doet opnieuw recht:
11.2 verklaart onderdeel c) van het dekenbezwaar onder iii., iv. en v. ongegrond;
11.3 verklaart onderdeel c) van het dekenbezwaar onder i., ii. en vi. gegrond;
11.4 legt aan verweerder de maatregel op van schorsing in de uitoefening van de praktijk voor de duur van twaalf weken, waarvan zes weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren met ingang van de datum van deze beslissing;
11.5 stelt als algemene voorwaarde dat verweerder zich binnen de proeftijd niet opnieuw schuldig maakt aan een gedraging als bedoeld in artikel 46 van de Advocatenwet; 11.6 bepaalt dat het voorwaardelijke gedeelte van de maatregel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de Raad van Discipline later anders mocht bepalen op de grond dat verweerder de voorwaarde niet heeft nageleefd;
11.7 bepaalt dat de schorsing in de uitoefening van de praktijk ingaat op 26 januari 2026;
11.8 veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten in de procedure bij het hof van € 2.000,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn zoals hiervóór bepaald.
Deze beslissing is genomen door mr. J. Blokland, voorzitter, mrs. M.S.A. van Dam, D. Wachter, J.H. Brouwer en G.J.K. Elsen, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.J. Rosmalen-Jansen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 29 december 2025.
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 29 december 2025.
