Rechtspraak
Uitspraakdatum
30-12-2025
ECLI
ECLI:NL:TADRSHE:2025:174
Zaaknummer
25-811/DB/LI
Inhoudsindicatie
Voorzittersbeslissing. Klacht van een derde. Niet gebleken dat verweerster haar cliënte heeft geadviseerd om een privédetective in te schakelen. Verweerster heeft niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld door het rapport in het geding te brengen. Kennelijk ongegrond.
Uitspraak
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort ’s-Hertogenbosch van 30 december 2025
in de zaak 25-811/DB/LI
klaagster
over:
verweerster
De voorzitter van de raad van discipline heeft kennisgenomen van het e-mailbericht van 7 november 2025 van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Limburg (hierna: de deken) en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 10 en de e-mailberichten van klaagster met bijlagen van 21 november 2025.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.
1.1 Klaagster heeft een affectieve relatie met de heer L. De heer L is met mevrouw T verwikkeld in een echtscheidingsprocedure. Mevrouw T wordt bijgestaan door verweerster.
1.2 Tussen de heer L en mevrouw T bestond onder andere een geschil over de omvang van zorgregeling, het niet nakomen (door de heer L) van de op hem rustende alimentatieverplichting en door de heer L gewenste verkoop van de echtelijke woning.
1.3 De heer L heeft in een door hem jegens mevrouw T aanhangig gemaakt kort geding een machtiging tot verkoop van de echtelijke woning gevorderd. De heer L heeft ter onderbouwing van zijn standpunten stellingen geponeerd over zijn financiële situatie.
1.4 Bij e-mail van 24 februari 2025 heeft mevrouw T aan verweerster gevraagd of het mogelijk is om een recherchebureau onderzoek te laten doen naar de vraag of de heer L werkzaamheden verricht, inkomsten genereert en over vermogen beschikt. In reactie op deze vraag heeft verweerster mevrouw T bij e-mail van 24 februari 2025 bericht dat het inschakelen van een recherchebureau mogelijk is en dat mevrouw T, indien zij van de diensten van een recherchebureau gebruik wenst te maken, daartoe zelf een opdracht aan een recherchebureau dient te verstrekken.
1.5 Op 27 februari 2025 heeft mevrouw T aan recherchebureau DPR de opdracht verstrekt om een verhaalsonderzoek te doen naar de heer L. De resultaten van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 24 maart 2025. In de onderzoeksresultaten is ook informatie over klaagster vermeld.
1.6 Op 27 maart 2025 heeft verweerster het onderzoeksrapport van 24 maart 2025 in de kort geding procedure in het geding gebracht ter onderbouwing van het standpunt van mevrouw T dat de heer L onjuiste en onvolledige informatie heeft verstrekt omtrent zijn draagkracht, zijn verdiencapaciteit en de (rest)waarde van zijn eenmanszaak.
1.7 Op 30 maart 2025 heeft klaagster tegen verweerster een klacht ingediend bij de deken.
2 KLACHT
2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerster het volgende:
Verweerster heeft haar cliënte geadviseerd om een privédetective in te schakelen en heeft de door de detective aangedragen informatie over klaagster en klaagsters onderneming vervolgens gebruikt in het verweer. Hierdoor is klaagster geschonden in haar privacy en voelt zij zich geïntimideerd. Verweerster heeft haar cliënte onvoldoende begeleid, waardoor onder andere klaagster is benadeeld door het gedrag van verweersters cliënte.
3 VERWEER
3.1 Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
4.1 Ontvankelijkheid
Het meest verstrekkende verweer van verweerster is dat klaagster niet in de klacht kan worden ontvangen omdat zij niet in enig belang is geraakt. De voorzitter overweegt als volgt. Alleen de persoon of de rechtspersoon die door het handelen of nalaten van een advocaat direct in zijn belang wordt of kan worden getroffen, heeft het recht om hierover een klacht in te dienen. Als het in het algemeen belang is dat er een tuchtprocedure komt, dan heeft de deken het recht om te klagen. De klacht van klaagster heeft betrekking op een door een recherchebureau verricht onderzoek, in het kader waarvan klaagsters partner en partner zijn geobserveerd. Klaagster stelt dat hierdoor haar privacy is geschonden en dat zij zich geïntimideerd voelt. Naar het oordeel van de voorzitter heeft klaagster genoegzaam aannemelijk gemaakt dat zij in haar belang is of kon worden getroffen. Klaagster kan dan ook de klacht worden ontvangen.
4.2Toetsingskader
De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter toetst daarbij of de advocaat heeft gehandeld met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwame en redelijke handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht.
4.3 Beoordeling
Klaagster verwijt verweerster dat zij haar cliënte heeft geadviseerd om een privédetective in te schakelen. Verweerster heeft betwist dat zij cliënte daartoe heeft geadviseerd. De voorzitter overweegt als volgt. Uit de overgelegde stukken blijkt dat verweerster op klaagsters vraag, of het mogelijk was om een recherchebureau een onderzoek te laten doen, een bevestigend antwoord heeft gegeven. Verweerster heeft daarbij aangegeven dat, als klaagster van de diensten van een recherchebureau gebruik wilde maken, zij daartoe zelf aan een recherchebureau een opdracht moest verstrekken. De voorzitter is van oordeel dat verweerster van dat antwoord geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt omdat verweerster daarmee niet heeft gehandeld in strijd met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwame en redelijke handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht. In zoverre is de klacht kennelijk ongegrond.
4.4 De voorzitter overweegt voorts dat het de taak was van verweerster om de belangen van mevrouw T te behartigen. In het kader van de behartiging van die belangen heeft zij van haar cliënte verkregen informatie in het geding gebracht. Naar het oordeel van de voorzitter heeft verweerster genoegzaam gemotiveerd toegelicht dat en waarom de belangen van haar cliënte werden gediend met het in het geding brengen van het rapport. Niet is gebleken dat klaagsters belangen door het in het geding brengen van het rapport zijn geschaad. Verweerster kan dan ook niet tuchtrechtelijk worden verweten dat zij het rapport van het onderzoeksbureau in het geding heeft gebracht. Ook op dit punt is de klacht kennelijk ongegrond.
4.5 Verweerster was niet de opdrachtgever van het onderzoek en was ook niet bij de uitvoering van het onderzoek betrokken. Verweerster kan dan ook niet tuchtrechtelijk verantwoordelijk worden gehouden voor het feit dat klaagster zich in haar privacy aangetast en geïntimideerd voelt.
4.6 Voor zover klaagster zich heeft beklaagd over een gebrekkige begeleiding van verweerster overweegt de voorzitter als volgt. Verweerster kan niet tuchtrechtelijk verantwoordelijk worden gehouden voor feitelijke gedragingen van haar cliënte. Het verwijt dat verweerster haar cliënte onvoldoende heeft begeleid, waardoor onder andere klaagster is benadeeld, kan bij gebreke van een onderbouwing met concrete feiten en omstandigheden, die niet is gegeven, niet gegrond worden verklaard.
4.7 De voorzitter komt op grond van het voorgaande tot de slotsom dat verweerster van haar optreden geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. De voorzitter zal de klacht derhalve kennelijk ongegrond verklaren.
BESLISSING
De voorzitter verklaart:
de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.
Aldus beslist door mr. E. Loesberg, voorzitter, bijgestaan door mr. T.H.G. Huber- van de Langenberg, als griffier en uitgesproken in het openbaar op 30 december 2025.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 30 december 2025
