Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

22-12-2025

ECLI

ECLI:NL:TADRARL:2025:278

Zaaknummer

25-320/AL/NN

Inhoudsindicatie

De raad heeft vastgesteld dat verweerder een belangrijk stuk niet bij de rechtbank heeft ingediend en een vonnis van de rechtbank niet onverwijld aan klager, zijn cliënt, heeft gestuurd. Terwijl dat vonnis al was gewezen, heeft hij nog dagenlang met klager gecommuniceerd over het indienen van stukken, alsof dat nog tot de mogelijkheden behoorde. Verweerder heeft hiermee gehandeld in strijd met artikel 46 en de kernwaarde deskundigheid. In het nadeel van verweerder wordt ook rekening gehouden met een tuchtrechtelijke uitspraak uit 2020 waarin een vergelijkbare klacht tegen verweerder over gebrekkige communicatie en schending van gedragsregel 16 gegrond is verklaard. De raad heeft in die beslissing overwogen dat gelet op de ernst van het handelen in beginsel de oplegging van een (voorwaardelijke) schorsing op zijn plaats is, maar vanwege een aantal (persoonlijke) omstandigheden een berisping wordt opgelegd. De raad constateert dat deze eerdere veroordeling er niet toe heeft geleid dat verweerder in de zaak van klager wel overeenkomstig de regels heeft gehandeld. Integendeel, verweerder heeft ook klager ernstig benadeeld door zijn nalaten. De raad is in deze zaak van oordeel dat gelet op aard en de ernst van het handelen van verweerder en de eerdere veroordeling, niet kan worden volstaan met een berisping. De raad is van oordeel dat de oplegging van een voorwaardelijke schorsing van acht weken passend en geboden is.

Uitspraak

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem Leeuwarden van 22 december 2025 in de zaak 25-320/AL/NN naar aanleiding van de klacht van:

klager  gemachtigde: mr. M.J.W. Hoek

over

verweerder 

 

 

 

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1    Op 23 februari 2024 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Noord-Nederland (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.

1.2    Op 12 mei 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk  2024 KNN026 / 2317825  van de deken ontvangen. 

1.3    De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 8 september 2025. Daarbij waren klager met zijn gemachtigde en verweerder aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

1.4    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier. 

 

2    FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.

2.1    Klager heeft begin 2017 400 melkschapen, afkomstig uit Frankrijk, verkocht en geleverd aan een koper. Sommige schapen bleken in september 2017 besmet te zijn met de CL-bacterie. De koper deelde dat mede aan klager en stelde klager op 12 maart 2018 aansprakelijk voor de schade. De koper is in deze procedure bijgestaan door de advocaat mr. H.

2.2    Klager is in deze procedure aanvankelijk bijgestaan door mr. B., de kantoorgenoot van verweerder. Vanaf 1 januari 2021 is hij bijgestaan door verweerder.  

2.3    Op verzoek van de koper is door de rechtbank – voorafgaand aan een eventuele dagvaardingsprocedure – een deskundige benoemd. Na twee conceptrapporten heeft de deskundige het definitieve rapport uitgebracht op 5 augustus 2019. De deskundige concludeerde dat met een redelijke mate van zekerheid uitgegaan kon worden van het bestaan van de besmetting ten tijde van de levering. 

2.4    Klager is inhoudelijk deskundig op het gebied van schapen en hun ziektes. Hij was het niet eens met de conclusie van de deskundige en hij heeft dit ook al door middel van een schriftelijke reactie te kennen gegeven naar aanleiding van een conceptversie van het rapport van de deskundige.

2.5    De koper heeft klager op 21 juli 2020 gedagvaard. 

2.6    Op 17 maart 2021 heeft de wederpartij stukken in het geding gebracht. Naar aanleiding daarvan heeft klager op 26 maart en 2 april 2021 het volgende aan verweerder geschreven: 

Ik heb de opsomming van H. gezien. Heb jij ook de verdere inhoud van de verschillende items gezien, oftewel, weet je zeker dat H. ook alle bijlagen aan T. doet toekomen? X maakte meestal een kort briefje/mailtje waarin hij zijn eigen punt maakte, en waar hij dan mijn document aan toevoegde. Ik wil zeker weten dat mijn documenten ook bij T. terechtkomen. 

Het gaat om de volgende documenten: 

bij productie 28 gaat het om de bijlage '190626 reactie op deskundigenbericht' 

bij productie 35 gaat het om de bijlage '190722 reactie op deskundigenbericht v2' 

bij productie 36 gaat het om de bijlage '190802 reactie op deskundigenbericht v2' 

Verder is er iets raars aan de hand met productie 36. Hij zegt dat dit een email van mr De B is van 13.51 uur. Echter, X was toen met vakantie, en hij had geregeld dat ik zelf dit document aan J. en H. zou versturen. Dus het is een mail van C. de J., die verzonden is om 14:42. Wil je zorgen dat hij de omschrijving corrigeert, en wil je nagaan dat de goede mail wordt weergegeven (incl. bijlage)?  Voor de zekerheid stuur ik je zometeen de mail waarop ik doel.  Tot slot mis ik een productie. Toen op 5-8-19 het bizarre commentaar van V.  binnenkwam, die zelfs mijn certificaat ter discussie stelde, heb ik (omdat X met  vakantie was en had geregeld dat ik direct met H en J zou communiceren) direct een mail aan J gestuurd (cc H en De B) met in de bijlage mijn certificaten. Ik wil dat H nu deze mail (incl. bijlagen) ook als productie opneemt. Ook deze mail stuur ik je toe.

2.7    Op 6 april 2021 heeft klager het volgende aan verweerder geschreven: 

Heb je al een cc van wat H uiteindelijk naar de rechtbank stuurt / heeft gestuurd?  Wil je die aan mij doorzenden?”

2.8    Op 21 april 2021 heeft verweerder twee stukken aan het procesdossier toegevoegd.

2.9    Vervolgens heeft er tot en met 9 mei 2021 WhatsApp-contact plaatsgevonden tussen klager en verweerder.

2.10    Op 29 april 2021 heeft klager het volgende aan verweerder gestuurd: 

helaas moet ik constateren dat je me nog steeds niet een kopie hebt gestuurd van de informatie die H naar de rechtbank heeft gestuurd, en ik dus nog steeds niet weet of alle drie mijn reacties daar terecht zijn gekomen. Ik vraag je nog één keer of je die informatie aan mij wilt doorzenden, en dan nu per omgaande.  Daarnaast wordt mij nu duidelijk dat H zijn documentatie precies op tijd bij de rechtbank heeft aangeleverd, itt wat jij eerder zei, en dat jij vervolgens pas meer dan een maand later mijn aanvullingen hebt opgestuurd, terwijl je die aanvullingen allang tot je beschikking had. Dit, en de hele gang van zaken bij DBE het laatste half jaar, geeft mij het gevoel dat mijn belangen uitermate slecht behartigd worden.

2.11    Op 9 mei 2021 heeft klager het volgende aan verweerder via WhatsApp gestuurd: 

Dag B, zojuist heb ik het dossier doorgenomen en nu blijkt dat je op 21 april een doc naar T hebt gestuurd dat wel al in het dossier zat, terwijl een ander doc ontbreekt! Ik heb je hierover een mail gestuurd. Wil je er iig voor zorgen dat het ontbrekende doc uiterlijk morgen bij T terechtkomt? Groet, Ch

2.12    Op 9 of 10 mei 2021 heeft verweerder telefonisch aan klager doorgegeven dat het opsturen van documenten geen zin heeft omdat hij het vonnis al heeft ontvangen. 

2.13    De rechtbank heeft in dit vonnis van 28 april 2021 – kort gezegd – geoordeeld dat klager toerekenbaar tekort was geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de koopovereenkomst door één of meer schapen die met CL besmet waren te leveren en veroordeelde klager tot het vergoeden van de schade. 

2.14    Twee dagen na 9 mei 2021 heeft verweerder een afschrift van het vonnis van 28 april 2021 aan klager gestuurd. 

2.15    Klager heeft zich vervolgens tot een andere advocaat gewend in is in hoger beroep gegaan. Het hof heeft in zijn arrest overwogen dat het deskundigenbericht met toelichting te weinig basis bood om aan de kritiek van klager op de conclusie van het bestaan van de besmetting ten tijde van de aflevering voorbij te gaan, heeft het vonnis vernietigd en de vorderingen van de koper afgewezen. 

3    KLACHT

3.1    De klachten van klager tegen verweerder en tegen de voormalige kantoorgenoot van verweerder zijn door de deken in één aanbiedingsbrief opgenomen en onderverdeeld in vier klachtonderdelen. Op de zitting van de raad heeft klager aangegeven dat alleen de klachtonderdelen a) en b) tegen verweerder zijn gericht. De raad zal daarom alleen op die klachtonderdelen een beslissing geven. 

3.2    De klacht, voor zover nog aan de orde in deze klachtzaak houdt - zakelijk weergegeven - in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:

a)    klager niet op de hoogte te brengen van belangrijke informatie, zoals de gewezen uitspraak, niet te controleren welke stukken in het geding waren gebracht en de nadrukkelijke instructie van klager te negeren om bepaalde stukken in de procedure in te brengen; 

b)    zijn fout niet aan klager mee te delen, laat staan schriftelijk aan hem te bevestigen. 

 

4    VERWEER 

4.1    Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.  

5    BEOORDELING

Maatstaf 

5.1    De raad neemt bij de beoordeling van de klacht tot uitgangspunt dat, gezien het bepaalde in artikel 46 Advocatenwet, de tuchtrechter mede tot taak heeft de kwaliteit van de dienstverlening te beoordelen indien daarover wordt geklaagd. Bij de beoordeling van de kwaliteit geldt dat de tuchtrechter rekening houdt met de vrijheid die de advocaat heeft met betrekking tot de wijze waarop hij een zaak behandelt en met de keuzes waar de advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. De vrijheid die de advocaat heeft met betrekking tot de wijze waarop hij een zaak behandelt en de keuzes waar hij voor kan komen te staan is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door de eisen die aan de advocaat als opdrachtnemer in de uitvoering van die opdracht mogen worden gesteld en die met zich brengen dat zijn werk dient te voldoen aan datgene wat binnen de beroepsgroep als professionele standaard geldt. Die professionele standaard veronderstelt een handelen met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht. Daarbij wordt opgemerkt dat binnen de beroepsgroep wat betreft de vaktechnische kwaliteit geen sprake is van breed gedragen, schriftelijk vastgelegde professionele standaarden. De raad toetst daarom of verweerder heeft gehandeld met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht.

5.2    Bij deze toetsing is de tuchtrechter niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen, gezien ook het open karakter van de wettelijke norm, daarbij wel van belang zijn (direct of analoog). Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld. Bij deze klacht is (onder meer) gedragsregel 16 van belang. Uit die gedragsregel 16 volgt dat het tot de taak van de advocaat behoort om belangrijke informatie en afspraken schriftelijk aan zijn cliënt te bevestigen. Zo nodig moet hij belangrijke informatie en afspraken schriftelijk aan zijn cliënt bevestigen. 

Klachtonderdeel a)

5.3    De raad stelt op grond van het klachtdossier en het verhandelde ter zitting van de raad het volgende vast. Voor klager was het van groot belang dat de rechtbank kennis zou nemen van zijn reactie op het deskundigenbericht. Daaruit bleek immers dat  - volgens klager - dit (voor hem nadelige) deskundigenbericht niet juist was en dat deze deskundige onvoldoende kennis had. Klager heeft verweerder uitgelegd waarom dit stuk van belang was en hem meermaals verzocht om in de gaten te houden dat dit document bij de rechtbank zou worden ingediend. Verweerder heeft aan dit verzoek - ondanks de stellige wens van klager - niet voldaan. En evenmin heeft verweerder antwoord gegeven op de vraag van klager welke stukken door de wederpartij aan de rechtbank waren gestuurd.  

5.4    Klager en verweerder hebben tot omstreeks 9 mei 2021 gecommuniceerd over de nog in te brengen stukken. De rechtbank had echter al op 28 april 2021 een uitspraak in deze zaak gedaan. Pas op 9 of 10 mei 2021 heeft verweerder klager daarvan op de hoogte gesteld en weer twee dagen later heeft hij het vonnis aan klager gestuurd. 

5.5    De raad is van oordeel dat verweerder door zo slecht te communiceren en te handelen zoals hierboven uiteen is gezet, niet heeft gehandeld met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht. Verweerder had klager op de hoogte moeten brengen welke stukken bij de rechtbank al waren ingediend en had er vooral voor moeten zorgen dat de reactie van klager op het deskundigenrapport bij de rechtbank zou worden ingediend, zoals expliciet door klager aan verweerder was verzocht. Verder had verweerder het vonnis onverwijld aan klager moeten sturen. De raad acht het hierbij laakbaar dat verweerder nog dagenlang met klager heeft gecommuniceerd over het indienen van stukken terwijl dat niet meer mogelijk was omdat het vonnis toen al was gewezen. 

5.6    De raad is gelet op het voorgaande van oordeel dat verweerder heeft gehandeld in strijd met artikel 46, zoals onder meer uitgewerkt in de gedragsregels 16 en de kernwaarde deskundigheid. Dit klachtonderdeel wordt daarom gegrond verklaard.

Klachtonderdeel b)

5.7    De raad is van oordeel dat uit het klachtdossier en de onderbouwing van dit klachtonderdeel niet is gebleken dat verweerder - op een tuchtrechtelijk verwijtbare wijze -heeft nagelaten om een gemaakte fout te erkennen of aan klager te bevestigen. Dit klachtonderdeel wordt daarom ongegrond verklaard. 

6    MAATREGEL 

6.1    De raad heeft vastgesteld dat verweerder een belangrijk stuk niet bij de rechtbank heeft ingediend en een vonnis van de rechtbank niet onverwijld aan klager, zijn cliënt, heeft gestuurd. Terwijl dat vonnis al was gewezen, heeft hij nog dagenlang met klager gecommuniceerd over het indienen van stukken, alsof dat nog tot de mogelijkheden behoorde. Verweerder heeft hiermee  gehandeld in strijd met artikel 46 en de kernwaarde deskundigheid. 

6.2    In het nadeel van verweerder wordt ook rekening gehouden met een tuchtrechtelijke uitspraak uit 2020 waarin een vergelijkbare klacht tegen verweerder over gebrekkige communicatie en schending van gedragsregel 16 gegrond is verklaard. De raad heeft in die beslissing overwogen dat gelet op de ernst van het handelen in beginsel de oplegging van een (voorwaardelijke) schorsing op zijn plaats is, maar vanwege een aantal (persoonlijke) omstandigheden een berisping wordt opgelegd. De raad constateert dat deze eerdere veroordeling er niet toe heeft geleid dat verweerder in de zaak van klager wel overeenkomstig de regels heeft gehandeld. Integendeel, verweerder heeft ook klager ernstig benadeeld door zijn nalaten. 

6.3    De raad is in deze zaak van oordeel dat gelet op aard en de ernst van het handelen van verweerder en de eerdere veroordeling, niet kan worden volstaan met een berisping. De raad is van oordeel dat de oplegging van een voorwaardelijke schorsing van acht weken passend en geboden is. 

 

7    GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING 

7.1    Omdat de raad de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart, moet verweerder op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klager betaalde griffierecht van € 50,- aan hem vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.

7.2    Omdat de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder daarnaast op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten: a)    € 50,- aan forfaitaire reiskosten van klager, b)    € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en c)    € 500,- kosten van de Staat.

7.3    Verweerder moet het bedrag van € 50,- aan forfaitaire reiskosten binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, betalen aan klager. Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door. 

7.4    Verweerder moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder b en c genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.

 

BESLISSING

De raad van discipline: -    verklaart klachtonderdeel a) gegrond; -    verklaart klachtonderdeel b) ongegrond; -    legt aan verweerder de maatregel van schorsing in de praktijkuitoefening voor de duur van acht weken op; -    bepaalt dat deze maatregel niet ten uitvoer zal worden gelegd tenzij de raad van discipline later anders mocht bepalen op de grond dat verweerder de volgende algemene voorwaarde niet heeft nageleefd; -    stelt als algemene voorwaarde dat verweerder zich binnen de hierna te melden proeftijd niet opnieuw schuldig maakt aan een in artikel 46 Advocatenwet bedoelde gedraging; -    stelt de proeftijd op een periode van twee jaren, ingaande op de dag dat deze beslissing onherroepelijk wordt. -    veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klager; -    veroordeelt verweerder tot betaling van de reiskosten van € 50,- aan klager, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3;  -    veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.4

Aldus beslist door mr. O.P. van Tricht, voorzitter, mrs. A.E. Mulder, E.J.C. de Jong,  M.M. Kuyp en A.W. Siebenga, leden, bijgestaan door mr. W.B. Kok als griffier en uitgesproken in het openbaar op 22 december 2025.

Griffier    Voorzitter

 

Verzonden op : 22 december 2025