Naar boven ↑

Rechtspraak

De raad heeft vastgesteld dat verweerder een belangrijk stuk niet bij de rechtbank heeft ingediend en een vonnis van de rechtbank niet onverwijld aan klager, zijn cliƫnt, heeft gestuurd. Terwijl dat vonnis al was gewezen, heeft hij nog dagenlang met klager gecommuniceerd over het indienen van stukken, alsof dat nog tot de mogelijkheden behoorde. Verweerder heeft hiermee gehandeld in strijd met artikel 46 en de kernwaarde deskundigheid.
In het nadeel van verweerder wordt ook rekening gehouden met een tuchtrechtelijke uitspraak uit 2020 waarin een vergelijkbare klacht tegen verweerder over gebrekkige communicatie en schending van gedragsregel 16 gegrond is verklaard. De raad heeft in die beslissing overwogen dat gelet op de ernst van het handelen in beginsel de oplegging van een (voorwaardelijke) schorsing op zijn plaats is, maar vanwege een aantal (persoonlijke) omstandigheden een berisping wordt opgelegd. De raad constateert dat deze eerdere veroordeling er niet toe heeft geleid dat verweerder in de zaak van klager wel overeenkomstig de regels heeft gehandeld. Integendeel, verweerder heeft ook klager ernstig benadeeld door zijn nalaten.
De raad is in deze zaak van oordeel dat gelet op aard en de ernst van het handelen van verweerder en de eerdere veroordeling, niet kan worden volstaan met een berisping. De raad is van oordeel dat de oplegging van een voorwaardelijke schorsing van acht weken passend en geboden is.