Rechtspraak
Uitspraakdatum
22-12-2025
ECLI
ECLI:NL:TAHVD:2025:270
Zaaknummer
240380
Inhoudsindicatie
Klacht over het handelen van de advocaat van de wederpartij in een geschil over de beëindiging van het recht op bewoning van een appartement in een kasteel. De Raad van Discipline heeft de klacht, voor zover in hoger beroep nog aan de orde, ongegrond verklaard, omdat niet is gebleken dat verweerder onjuiste informatie heeft verstrekt en evenmin is gebleken dat verweerder klagers belangen onnodig of onevenredig heeft geschaad. Het hof onderschrijft het oordeel van de raad dat verweerder niet tuchtrechtelijk verantwoordelijk kan worden gehouden voor hetgeen door de vereniging tijdens de verschillende zittingen naar voren is gebracht. Van belang is ook dat verweerder zelf niet bij de zittingen aanwezig was. Met betrekking tot het klachtonderdeel dat verweerder (..) door te dreigen met executie van het uitzettingsvonnis en klager aldus te dwingen tot ondertekening van een VSO met de inhoud waarvan klager uit vrije wil niet zou hebben ingestemd, is het hof van oordeel dat het niet verweerder is die druk van het klager bedreigen met uithuiszetting heeft uitgeoefend. Al om deze reden kan verweerder hiervoor niet tuchtrechtelijk verantwoordelijk worden gehouden. Verder is het namens de vereniging gedane voorstel geen dreigement, maar een feitelijke mededeling naar aanleiding van de uitspraak van de kantonrechter waarin klager is veroordeeld het appartement binnen twee weken te ontruimen.
Uitspraak
Beslissing van 22 december 2025
in de zaak 240380
naar aanleiding van het hoger beroep van:
klager
tegen:
verweerder
1 INLEIDING
1.1 Klacht over het handelen van de advocaat van de wederpartij in een geschil over de beëindiging van het recht op bewoning van een appartement in een kasteel. De Raad van Discipline (hierna: de raad) heeft de klacht voor zover in hoger beroep nog aan de orde ongegrond verklaard, omdat niet is gebleken dat verweerder onjuiste informatie heeft verstrekt en evenmin is gebleken dat verweerder klagers belangen onnodig of onevenredig heeft geschaad.
1.2 Het Hof van Discipline (hierna het hof) zet eerst het verloop van de procedure bij de de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom klager in beroep is gekomen en hoe het hof daarover oordeelt.
2 DE PROCEDURE
Bij de Raad van Discipline
2.1 De raad Den Haag heeft in de zaak tussen klager en verweerder (zaaknummer: 24-368/DH/RO) een beslissing gewezen op 25 november 2024. In deze beslissing is de klacht van klager deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond verklaard.
2.2 Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRSGR:2024:210 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.
Bij het Hof van Discipline
2.3 Het beroepschrift van klager tegen de beslissing is op 23 december 2024 ontvangen door de griffie van het hof.
2.4 Verder bevat het dossier van het hof:
de stukken van de raad; het verweerschrift van verweerder.2.5 Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 27 oktober 2025. Daar zijn klager en verweerder -bijgestaan door mr. M. Boender-Radder- verschenen. Klager heeft zijn standpunt toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen, die onderdeel uitmaken van het dossier van het hof.
3 FEITEN
3.1 Het hof stelt de volgende feiten vast.
3.2 Klager heeft vanaf januari 2013 in een appartement gewoond op een kasteel op een landgoed. Het landgoed, met onder meer vijf appartementen in het kasteel en woningen in bijgebouwen, wordt gehuurd door een vereniging. De bewoners van de appartementen zijn lid van de vereniging. De vereniging geeft gedeelten van het landgoed in gebruik of medegebruik aan de leden van de vereniging.
3.3 Een van de bewoners van het landgoed is de vader van verweerder.
3.4 Aanvankelijk werden de energiekosten hoofdelijk verdeeld over de wooneenheden. Tijdens de ledenvergadering van 17 december 2016 is bij meerderheid van stemming besloten over te gaan tot individuele bemetering en afrekening van de stookkosten.
3.5 Tijdens de ledenvergadering van 21 juni 2018 is bij meerderheid van stemmen besloten voormeld besluit met terugwerkende kracht terug te draaien en de stookkosten evenredig onder de bewoners te verdelen.
3.6 Klager heeft de vereniging vervolgens gedagvaard in verband met het geschil over de verdeling van de energiekosten.
3.7 De vereniging is bijgestaan door mr. R, kantoorgenoot van verweerder. Op 6 mei 2019 heeft mr. R het bestuur van de vereniging geadviseerd over de vraag of er voldoende gronden zijn om het ligmaatschap van klager op te zeggen en/of in rechte ontruiming van zijn woning af te dwingen. In die e-mail heeft mr. R onder meer het volgende opgenomen:
“(…) De overeenkomst met [klager] kwalificeert als een huurovereenkomst, omdat er een onroerende zaak ter beschikking wordt gesteld tegen betaling. Dat de overeenkomst een ‘ingebruikgevingsovereenkomst’ wordt genoemd, is niet bepalend voor de kwalificatie van de overeenkomst. Bepalend is of er een vergoeding wordt betaald voor het gebruik van de onroerende zaak, hetgeen hier het geval is. Bovendien lijkt de Vereniging zelf ook te onderkennen dat sprake is van een huurovereenkomst, aangezien er in de ingebruikgevingsovereenkomst verwezen wordt naar een huurrechtbepaling, art. 7:274 lid 1 BW.
Op grond van de wet kan een huurovereenkomst slechts worden beëindigd, indien de huurovereenkomst door de rechter wordt ontbonden (art. 7:231 BW) of indien de huurovereenkomst rechtsgeldig is opgezegd en de rechter hierop heeft beslist. (…)
In dit geval kan naar mijn mening niet worden gezegd dat [klager] ernstig is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de huurovereenkomst. (…) Wel dient te worden meegewogen dat in het onderhavige geval sprake is van een bijzondere woonvorm, waarbij de leden van de Vereniging een ‘woongroep’ vormen en nauw met elkaar samenleven. Een goede verstandhouding is daardoor extra belangrijk. Een ernstige verstoring van de verstandhouding tussen partijen die is veroorzaakt door [klager], zou daarmee als tekortkoming kwalificeren. (…)
Ik vind dat er (vooralsnog) onvoldoende gronden zijn om de huurovereenkomst met [klager] te ontbinden. (…) Het enkele starten van een procedure tegen de Vereniging kan mijns inziens niet worden gekwalificeerd als een tekortkoming, ondanks dat duidelijk is dat de Vereniging hierdoor schade lijdt.
Hiervoor schreef ik al dat het advies is om een traject in te zetten met [klager] om tot verbetering van de relatie te komen en om nadere afspraken met hem te maken. [Verweerder] heeft hierover ook ideeën en zal hierover telefonisch contact opnemen.”
Verweerder heeft een kopie van dit bericht ontvangen.
3.8 Op 20 november 2019 heeft de kantonrechter vonnis gewezen en de vorderingen van klager afgewezen. Klager heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.
3.9 Op 16 juni 2020 heeft mr. R een e-mail aan klager gestuurd over een door klager afgewezen voorstel van de vereniging.
3.10 Op 25 juni 2020 is klager door de vereniging geschorst. Bij brief van 18 december 2020 heeft de vereniging het lidmaatschap van klager opgezegd.
3.11 Bij brief van 28 december 2020 heeft de vereniging klager verzocht het appartement uiterlijk op 17 maart 2021 te verlaten. Klager heeft geweigerd het appartement te verlaten.
3.12 Op 1 juni 2021 heeft het gerechtshof het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd. In het arrest is onder meer overwogen:
“5.2 Uitgangspunt voor de beoordeling van deze zaak is de bijzondere situatie waarbinnen de Verenging de bewoning van haar leden – waaronder [klager] – en de daarmee gepaard gaande kosten heeft geregeld. Hoewel [klager] betwist dat de Vereniging als een woongroep kan worden beschouwd, beschouwen de andere leden zich volgens de Vereniging wel als onderdeel van een woongroep. Zij delen al tientallen jaren met elkaar diverse gemeenschappelijke ruimtes (zoals een biljartkamer, een gezamenlijke ontvangstkamer, logeervertrekken op zolder, een tuin en moestuin waarvoor zij gezamenlijk verantwoordelijk zijn) en kunnen ervoor kiezen om samen te dineren en te tuinieren. De Vereniging heeft diverse commissies, zoals een kunstcommissie en concertcommissie. Omdat het belangrijk wordt gevonden dat de leden van de Vereniging als bewoners onderling goed met elkaar overweg kunnen, worden nieuwe bewoners door middel van ballotage gekozen. (…) Gelet op deze context heeft de tussen de Vereniging en de leden gesloten ‘overeenkomst tot ingebruikgeving woonruimte’ volgens het hof dan ook het karakter van een ‘gemengde overeenkomst’ waar naast aspecten van een huurovereenkomst (de gebruiksvergoeding) de gelijke verdeling van de kosten bezien tegen de achtergrond van een verenigingsverband/woongroep een belangrijke rol speelt en de levering
5 .8 Zelfs met inachtneming/toepassing van de correctiefactoren kan de vordering van [klager] niet worden toegewezen omdat de manier waarop de Vereniging de warmtekosten over de bewoners van de vijf appartementen in het kasteel omslaat, onlosmakelijk verband houdt met de gehele specifieke set aan afspraken die de Vereniging met de gebruikers heeft gemaakt, zoals het hof in rov. 5.2 heeft geschetst. (…) In die constellatie past het niet om alleen de warmtekosten, zoals [klager[ voorstaat, op basis van individueel gebruik af te rekenen.”
3.13 Op 21 juni 2021 heeft de vereniging klager gedagvaard waarbij zij (primair) een verklaring voor recht heeft gevorderd dat klager vanwege de opzegging van zijn lidmaatschap verplicht is het appartement te verlaten.
3.14 Op 4 mei 2022 heeft de kantonrechter vonnis gewezen en voor recht verklaard dat klager vanwege de opzegging van zijn lidmaatschap verplicht is het appartement te verlaten en te ontruimen. De kantonrechter heeft geoordeeld dat de tussen klager en de vereniging geldende overeenkomst een gemengde overeenkomst is en dat de bepalingen van het verenigingsrecht dienen te prevaleren. De kantonrechter heeft in dat verband overwogen:
“Dat komt door de constructie waarin de verenigingsleden samenwonen. Zoals ook het Gerechtshof Arnhem-Leeuwaren al heeft overwogen in een andere zaak tussen deze partijen (…), is er sprake van een woongroep en/of een sterk verenigingsverband. Daarvan is ook gebleken in deze procedure.
Dit komt al tot uitdrukking in het gegeven dat leden alleen na ballotage lid kunnen worden van de vereniging. Ook blijkt dit door de huisregels. (…) Verder is van belang dat een substantieel deel van de ruimte gemeenschappelijk wordt gebruikt. (…) Een andere constructie voor bewoning was ook denkbaar geweest, namelijk individuele huurcontracten. Daarvoor is echter niet gekozen. Bij de toetreding tot de vereniging weten de leden waaraan zij zich binden: door het lidmaatschap van de vereniging is de bewoning van [kasteel] mogelijk.”
De kantonrechter heeft klager veroordeeld het appartement binnen twee weken na betekening van het vonnis te ontruimen. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
3.15 Kort daarna is het appartement van klager te huur aangeboden. In de advertentie is vermeld dat de bewoners geen woongroep vormen. De secretaris van het bestuur heeft de advertentie op 16 mei 2022 via Facebook gedeeld en – in reactie op een vraag of het een woongroep is – geantwoord dat geen sprake is van een woongroep, maar van een woongemeenschap.
3.16 Op/rond 18 juni 2022 heeft klager via WhatsApp contact gehad met de secretaris van het bestuur over de tussen klager en de vereniging te sluiten vaststellingsovereenkomst (VSO). De secretaris heeft zijn bericht afgesloten met ‘mede namens het bestuur en [mr. R]’. Na een reactie van klager heeft de secretaris voorgesteld dat klagers zaakwaarnemer er met mr. R over belt.
3.17 Op 20 juni 2022 hebben klager en de vereniging een vaststellingsovereenkomst (VSO) gesloten, waarbij onder meer is overeengekomen dat klager tot 30 september 2022 in het appartement mag blijven, dat hij berust in het vonnis van 4 mei 2022 en afstand doet van zijn recht om in hoger beroep te gaan en/of in kort geding schorsing van de executie te vorderen.
3.18 Klager heeft bij brief van 6 sept 2023 de nietigheid c.q. vernietigbaarheid van de VSO ingeroepen en de vereniging aansprakelijk gesteld.
4 KLACHT
De klacht voor zover in hoger beroep nog aan de orde houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat:
a) verweerder in drie afzonderlijke procedures telkens opnieuw en jaren achtereen in rechte feiten en omstandigheden onjuist heeft voorgesteld en heeft belet dat feiten aan het licht zouden komen die tot een voor de tegenpartij gunstige afloop van die procedure zouden hebben kunnen leiden. Verweerder heeft gehandeld in strijd met art. 21 Rv en gedragsregel 8 door voor de beslissing van belang zijnde feiten niet volledig en naar waarheid aan te voeren;
b) (..)
c) (..)
d) (..)
e) verweerder actief heeft meegewerkt aan de onrechtmatige wijze waarop de mede door zijn optreden ontstane noodtoestand waarin klager was komen te verkeren ernstig is misbruikt door te dreigen met executie van het uitzettingsvonnis en klager aldus te dwingen tot ondertekening van een VSO met de inhoud waarvan klager uit vrije wil niet zou hebben ingestemd. Verweerders optreden was er (mede) op gericht zeker te stellen dat het gepleegde bedrog niet meer in rechte aan de oppervlakte kon komen.
5 BEOORDELING RAAD
5.1 De raad heeft vastgesteld dat de klacht dateert van 8 januari 2024 en ziet op het handelen en nalaten van verweerder in het geschil tussen klager en de vereniging. De raad heeft geoordeeld dat voor zover de klachtonderdelen a t/m d zich richten tegen gedragingen van verweerder in de periode voor 8 januari 2021, waaronder in de eerste procedure bij de kantonrechter, de klacht hierover buiten de termijn van drie jaar is ingediend en daarmee te laat is ingediend. Dat sprake is van een uitzondering zoals genoemd in lid 2 van artikel 46g Advocatenwet is de raad niet gebleken. De raad verklaart de klachtonderdelen a t/m d dan ook niet-ontvankelijk voor zover die zien op de periode voor 8 januari 2021.
toetsingskader
5.2 Op grond van het voorgaande heeft de raad verweerder in deze klachtprocedure aangemerkt als advocaat van de wederpartij van klager. Aan de advocaat van de wederpartij komt een grote mate van vrijheid toe om de belangen van zijn cliënt te behartigen op een wijze die hem goeddunkt. Die vrijheid is niet onbeperkt; deze kan onder meer ingeperkt worden indien de advocaat (1) zich onnodig grievend uitlaat over de wederpartij, (2) feiten poneert waarvan hij weet of redelijkerwijs kan weten dat zij in strijd met de waarheid zijn, of indien (3) de advocaat (anderszins) bij de behartiging van de belangen van zijn cliënt de belangen van de wederpartij onnodig of onevenredig schaadt, zonder dat daarmee een redelijk doel wordt gediend. Met betrekking tot de onder (2) genoemde beperking moet voorts in het oog worden gehouden dat de advocaat de belangen van zijn cliënt dient te behartigen aan de hand van het feitenmateriaal dat zijn cliënt hem verschaft en dat hij in het algemeen mag afgaan op de juistheid van dat feitenmateriaal en slechts in uitzonderingsgevallen gehouden is de juistheid daarvan te verifiëren.
Klachtonderdeel a)
5.3 Gedragsregel 8 bepaalt dat de advocaat zich zowel in als buiten rechte dient te onthouden van het verstrekken van feitelijke informatie waarvan hij weet, althans behoort te weten, dat die onjuist is. De klacht ziet in de kern op de namens de vereniging gevoerde strategie en ingenomen stellingen, met name op het punt van het ‘woongroep-frame’. Klager stelt dat wat in de procedures is aangevoerd over de manier van samenwonen/-leven binnen de vereniging (het zogenaamde woongroep-frame) onjuist is. Het is de raad echter niet duidelijk geworden op welke feitelijk onjuiste informatie klager doelt. De raad constateert weliswaar dat de vereniging in haar processtukken het -door klager betwiste- standpunt inneemt dat er sprake is van een ‘’woongroep’’, maar dat ter onderbouwing hiervan onjuiste feiten zijn weergegeven, kan de raad op grond van de processtukken in het klachtdossier niet vaststellen.
5.4 Voor zover het klachtonderdeel ziet op wat er namens de vereniging naar voren is gebracht tijdens de verschillende zittingen, heeft de raad geoordeeld dat verweerder hiervoor niet tuchtrechtelijk verantwoordelijk kan worden gehouden. Verweerder was niet bij deze zitting en heeft onweersproken gesteld dat hij niet weet wat zijn kantoorgenoot tijdens de zitting allemaal naar voren heeft gebracht nu hij daar geen bemoeienis mee had. Dat de vereniging kort na afloop van het ontruimingsvonnis in een advertentie expliciet heeft vermeld dat geen sprake is van een woongroep, maakt het voorgaande niet anders. Immers ook dát leidt er niet toe dat er onjuiste feiten zijn voorgespiegeld aan de rechter.
5.5 Ook het advies van mr. R van 6 mei 2019 maakt niet dat vervolgens in een later stadium sprake is van het verstrekken van onjuiste informatie. Mr. R heeft de vereniging in 2019, ver voor de start van de ontruimingszaak, geadviseerd. Kennelijk is later, door ontwikkelingen in de situatie en/of gewijzigd inzicht, toch gekozen om ontruiming te vorderen. Dat is naar het oordeel van de raad niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. Dit klachtonderdeel is daarom ongegrond.
Klachtonderdeel e)
5.6 De raad heeft met betrekking tot dit klachtonderdeel overwogen dat dit verwijt ziet op de uitkomst van de ontruimingsprocedure en de daaropvolgende tussen de vereniging en klager gesloten VSO. De vereniging heeft kennelijk voorgesteld dat klager toch langer in zijn appartement kon blijven, in ruil voor onder meer het afzien van hoger beroep door klager. Hoewel klager in een benarde situatie zat, gezien de uitkomst van de ontruimingsprocedure, maakt dat naar het oordeel van de raad niet dat sprake is van onaanvaardbare druk op hem. Een voorstel, zoals door de vereniging aan klager gedaan, is in lopende geschillen waarbij ook gerechtelijke procedures spelen niet ongebruikelijk tussen procespartijen. Het door of namens de vereniging gedane voorstel is niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. Het verwijt is alleen daarom al ongegrond, nog los van de vraag of/in welke mate verweerder hierbij betrokken is geweest. Ook dit klachtonderdeel is daarom ongegrond.
6 BEROEPSGRONDEN EN VERWEER
Beroepsgronden klager
Klager heeft zijn hoger beroep gericht tegen de klachtonderdelen a) en e).
Klachtonderdeel a)
6.1 Met betrekking tot klachtonderdeel a) heeft klager aangevoerd dat verweerder heeft gehandeld in strijd met regel 8 van de Gedragsregels voor de Advocatuur en art. 46 Advocatenwet door voor de beslissing van belang zijnde feiten aan te voeren waarvan hij wist, althans behoorde te weten, dat die onjuist zijn. De raad heeft de feiten onjuist en/of onvoldoende weergegeven en geïnterpreteerd, haar oordeel onvoldoende gemotiveerd en rechtsregels onjuist geïnterpreteerd. Klager stelt dat de raad met dit onbegrijpelijke oordeel voorbijgaat aan het meest wezenlijke punt van zijn klacht. De raad miskent dat de kwalificatie ‘woongroep’ binnen de gevoerde procedures op zichzelf de belangrijkste en meest ernstige onwaarheid was. De stelling dat de vereniging een woongroep is, wordt niet alleen “door klager betwist”, zoals de raad onder 5.9 stelt. De vereniging betwist deze zelf óók, bevestigt de raad onder 5.11. De raad verzuimt hier bovendien te melden dat de rechter de leugens over een woongroep overnam.
6.2 Dat de wet het begrip ‘woongroep’ niet omschrijft, betekent volgens klager niet dat het betekenisloos is. Binnen de gevoerde procedures was voor alle betrokkenen van meet af aan duidelijk wat de advocaten ermee bedoelden: een groep mensen die op een bijzondere en op solidariteit gebaseerde manier samenwoont, samen eet, samen tuiniert en samenleeft.
6.3 De discussie tussen partijen draaide steeds om de vraag of de Vereniging wel of niet een woongroep is; niét om de vraag wat een woongroep precies is. Het was ook steeds duidelijk waarom de advocaten zo graag wilden dat de rechter dit verhaal zou geloven; dan was namelijk de bescherming van Warmtewet en Huurwet van tafel. Door deze kwalificatie in drie vonnissen over te nemen en als basis van haar oordelen te gebruiken, bevestigden de rechters deze inhoud en gaven ze het begrip steeds meer gewicht.
Klachtonderdeel e)
6.4 Klager heeft aangevoerd dat verweerder hem op oneigenlijke wijze en misbruik makend van de noodsituatie heeft bedreigd (laten bedreigen) met directe huisuitzetting als hij de vaststellingsovereenkomst niet zou tekenen. Verweerder heeft klager tegen zijn wil afgehouden van een gang naar de (beroeps)rechter en aldus niet de zorgvuldigheid betracht die van een redelijk handelend advocaat mag worden verwacht.
6.5 Klager erkent dat de vereniging na het vonnis van de kantonrechter het recht had om hem – ter uitvoering van een gerechtelijke beslissing - binnen 14 dagen op straat te zetten. Klager heeft erop gewezen dat de advocaten hem een overeenkomst hebben voorgelegd die een clausule bevatte dat hij zou afzien van hoger beroep. Daarbij kreeg klager via een Whatsapp-bericht te horen: “Teken je niet, dan komt helaas de deurwaarder. Mede namens het bestuur en Iris, Wim.” Toen klager bezwaar maakte tegen deze onverwachte voorwaarde, werd dat afgedaan als “onzin” en kreeg hij te horen dat de clausule “niet onderhandelbaar” was.
6.6 Klager is van mening dat de advocaten doelbewust misbruik hebben gemaakt van de noodsituatie waarin klager – juist door hun bedrieglijke handelwijze – terecht was gekomen. Zo hebben zij bewerkstelligd dat klager tegen zijn zin heeft moeten afzien van zijn recht op hoger beroep.
Verweer verweerder
6.7 Verweerder heeft met betrekking tot klachtonderdeel a) gewezen op een recente beslissing van de Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden waarin een klacht van klager tegen de andere advocaat, mr. R, ongegrond is verklaard. Die klacht zag op dezelfde verwijten als klager hem nu maakt. In de beslissing van de raad is als volgt overwogen:
“Bovendien heeft klager in die procedures tegen de vermeende onjuiste feiten of onjuiste standpunten verweer kunnen voeren. Het behoort verder niet tot de taak van de tuchtrechter om over de juistheid van standpunten in een civielrechtelijk geschil een oordeel te geven. Dat is voorbehouden aan de civiele rechter, tenzij duidelijk is dat de verwerende advocaat de hierboven genoemde maatstaf heeft overtreden.”
6.8 Verweerder stelt dat dit ook voor hem geldt. Klager kan wel blijven herhalen dat de bewoners van het kasteel geen “woongroep” vormden. De rechter heeft echter geoordeeld dat dat wel het geval is. Daarmee is die discussie gesloten.
6.9 Waarom een aankondiging tot de tenuitvoerlegging van een gerechtelijk vonnis “misbruik” oplevert, is verweerder niet duidelijk. De ontruimingsprocedure tegen klager had meer dan een jaar
geduurd. De rechtbank had geoordeeld dat de klager de ruimte die bij hem in gebruik was, binnen veertien dagen moest ontruimen. Het vonnis was uitvoerbaar bij voorraad en kon dus ten uitvoer worden gelegd.
6.10 Klager heeft er zelf voor gekozen om geen hoger beroep tegen het ontruimingsvonnis in te stellen, maar een vaststellingsovereenkomst te tekenen op basis waarvan hij nog een aantal maanden op het kasteel mocht blijven wonen. Verweerder heeft erop gewezen dat daar uitgebreide besprekingen aan vooraf zijn gegaan.
7 BEOORDELING HOF
Maatstaf
7.1 De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn, gezien ook het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.
Overwegingen hof
Klachtonderdeel a)
7.2 Het hof onderschrijft het oordeel van de raad dat verweerder niet tuchtrechtelijk verantwoordelijk kan worden gehouden voor hetgeen door de vereniging tijdens de verschillende zittingen naar voren is gebracht. Van belang is ook dat verweerder zelf niet bij de zittingen aanwezig was. Voorzover klager betoogt dat verweerder heeft gehandeld in strijd met Gedragsregel 8, overweegt het hof dat van een advocaat verwacht mag worden dat hij geen onjuiste of misleidende informatie aan de aan de rechter verstrekt. Daarvan is in dit geval echter geen sprake, reeds omdat verweerder in rechte de stelling dat de vereniging een woongroep is niet heeft ingenomen. Het is zijn kantoorgenoot mr. R geweest die de vereniging ter zitting en daarbuiten heeft vertegenwoordigd, en de tuchtklacht aan haar adres over dit punt is inmiddels ongegrond verklaard. Verweerder heeft hooguit meegedacht over de procestrategie.
Klachtonderdeel e)
7.3 Met betrekking tot klachtonderdeel e) overweegt het hof dat het niet verweerder is die druk van het klager bedreigen met uithuiszetting heeft uitgeoefend. Al om deze reden kan verweerder hiervoor niet tuchtrechtelijk verantwoordelijk worden gehouden.
7.4 Verder is het namens de vereniging gedane voorstel geen dreigement, maar een feitelijke mededeling naar aanleiding van de uitspraak van de kantonrechter waarin klager is veroordeeld het appartement binnen twee weken te ontruimen. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Kennelijk heeft de vereniging voorgesteld dat klager langer in zijn appartement kon blijven, in ruil voor onder meer het afzien van hoger beroep door klager. Ook het hof is van oordeel dat hiermee geen onaanvaardbare druk op klager is uitgeoefend.
Slotsom
7.5 Op grond van het voorgaande zal het hof de beslissing van de raad bekrachtigen.
8 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
Bekrachtigt de beslissing van 25 november 2024 van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag, gewezen onder nummer 24-368/DH/RO;
Deze beslissing is genomen door mr. J.D. Streefkerk, voorzitter, mrs. A.R. Creutzberg en M. van Roosmalen, leden, in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 22 december 2025.
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 22 december 2025 .
