Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

15-12-2025

ECLI

ECLI:NL:TADRARL:2025:275

Zaaknummer

25-321/AL/OV

Inhoudsindicatie

Klacht gaat over de advocaat van de wederpartij van klager in een geschil over de omgangsregeling. Verweerder heeft als partijdige belangenbehartiger in twee opvolgende e-mails aan klager het standpunt van zijn cliënte over de omgangsregeling en de mogelijke eenzijdige stopzetting daarvan uiteengezet en klager gewezen op de mogelijkheid om naar de rechter te stappen. Dat klager deze e-mails van verweerder als dreigend en provocerend en escalerend heeft ervaren, begrijpt de raad, maar dat alleen is onvoldoende om verweerder daarvan tuchtrechtelijk een verwijt te maken, temeer daar de verhuizing van klager naar Spanje de onderliggende oorzaak van het nieuwe geschil over de omgang was. Het was beter geweest als verweerder zijn tweede e-mail niet op zondag aan klager had gestuurd maar een dag later, maar dat is niet dusdanig ernstig dat verweerder daarvan tuchtrechtelijk een verwijt kan worden gemaakt. Ongegrond.

Uitspraak

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem‑Leeuwarden

van 15 december 2025

in de zaak 25-321/AL/OV

naar aanleiding van de klacht van:

 

klager

 

over

 

verweerder

 

1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1 Op 5 maart 2025 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Overijssel (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.

1.2 Op 13 mei 2025 heeft de raad het klachtdossier van de deken ontvangen.

1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 20 oktober 2025. Daarbij was alleen verweerder aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier.

 

2 FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting door verweerder afgelegde verklaring, uit van de volgende feiten.

2.1 Klager en de cliënte van verweerder zijn jarenlang verwikkeld geweest in een vechtscheiding tot eind 2022. De ondertoezichtstelling van de dochter is eind 2024 opgeheven.

2.2 Op 3 maart 2025 heeft verweerder namens zijn cliënte aan klager onder meer geschreven:

Naar aanleiding van uw reactie op de e-mail van cliënte wil ik enkele zaken verduidelijken en afspraken maken over de uitvoering van de omgangsregeling met [dochter]. Cliënte heeft u benaderd om samen tot duidelijke afspraken te komen over de wijziging van de omgangsregeling. Dit is in het belang van [dochter] en om eventuele misverstanden te voorkomen. Uw reactie wijst erop dat u niet bereid bent om hierover in overleg te treden, terwijl een zorgvuldige afstemming noodzakelijk is. Ik wijs u erop dat een goed functionerende zorgregeling gebaseerd is op transparantie en duidelijke afspraken. Dat betekent concreet dat:

1. Duidelijkheid over het verblijfadres van [dochter] in [Z] en Spanje moet zijn (adressen moeten verifieerbaar zijn): Het is essentieel dat cliënte weet waar [dochter] tijdens de omgang en vakanties verblijft. Dit is niet alleen in het belang van [dochter], maar ook noodzakelijk voor calamiteiten.

2. Toestemmingsformulier voor vakanties duidelijk en verifieerbaar moet zijn: Net als vorig jaar dient er een toestemmingsformulier te worden ingevuld, waarop het adres vermeld staat. Het adres moet verifieerbaar zijn. Dit is een gebruikelijke en redelijke afspraak, die in het belang van [dochter] is.

3. Communicatie tijdens de omgang mogelijk moet zijn: [dochter] moet in de gelegenheid zijn om contact met haar moeder te onderhouden, zowel tijdens omgangsweekenden als vakanties. Dit kan eenvoudig worden opgelost door haar een telefoon mee te geven, zodat zij haar moeder kan bellen indien nodig.

Aangezien er op dit moment geen bereidheid tot overleg lijkt te zijn en u geen duidelijke afspraken wenst te maken, wil ik u erop wijzen dat dit consequenties zal hebben voor de zorgregeling. Ik verzoek u dan ook dringend om alsnog uw medewerking te verlenen, zodat [dochter] niet onnodig de dupe wordt van een gebrek aan heldere afspraken. Mocht u verdere vragen hebben of alsnog in overleg willen treden, dan sta ik daarvoor open. Indien u niet uiterlijk 10 maart 2025 instemt met een duidelijke en werkbare regeling, zal de omgang per 1 april 2025 worden stopgezet. Dit is niet wenselijk maar noodzakelijk. U dient dan zelf naar de rechter te stappen.

2.3 Op zondag 30 maart 2025 om 12:17 uur heeft verweerder namens zijn cliënte via e-mail aan klager bericht dat een procedure zal worden gestart tot beëindiging van de omgangsregeling.  

2.4 Op 8 april 2025 heeft klager van verweerder het verzoekschrift met producties ontvangen. Verweerder heeft daarin namens zijn cliënte eenhoofdig gezag verzocht, voorlopige schorsing en stopzetting van de omgangsregeling van klager met de dochter.

 

3 KLACHT

De klacht houdt in, zakelijk weergegeven, dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:

escalerend en vertragend op te treden door op de stoel van de rechter te gaan zitten door, ondanks de beschikking met waarin een omgangsregeling is bepaald, aan klager mee te delen dat de omgang met zijn dochter per 1 april 2025 wordt stopgezet, wat schadelijk is voor klager en voor zijn dochter.

Toelichting: Verweerder heeft drie jaar lang elk verzoek van klager voor erkenning, gezag en omgang aangevochten, hoger beroep aangetekend en heeft ook een strafzaak tegen klager gestart. Klager is van alle valse beschuldigingen vrijgesproken. Dankzij de hulp van de bij zijn dochter betrokken instanties heeft klager erkenning, gezag en omgang met zijn dochter gekregen. Verweerder legt de beschikking over de omgangsregeling naast zich neer door te dreigen dat de omgang per 1 april 2025 stopt. Volgens klager zijn de e-mails van verweerder dreigend en provocerend en zeker niet in het belang van de dochter. Met goedkeuring van de betrokken instanties en de rechtbank mocht klager weigeren om zijn adres aan zijn ex-partner en dus ook verweerder te geven. Dit is nodig om een rustig en veilig thuis voor zijn dochter te kunnen garanderen tijdens de omgang. Zijn ex-partner heeft verschillende dreigende personen in het verleden bij hem thuis langs gestuurd. Tegen een van die personen loopt nu een strafzaak waarbij klager als getuige optreedt. Verweerder weet dat klager een goede reden heeft om zijn adres geheim te houden. Toch dreigde verweerder daarom met stopzetting van de omgangsregeling en met het starten van een procedure in zijn e-mail die hij nota bene op een zondagmiddag, tijdens de omgang met zijn dochter, aan klager zond. Bij het verzoekschrift heeft verweerder oude uitspraken en beschuldigingen gevoegd, wat alleen maar onnodig en escalerend is.  

 

4 VERWEER

4.1 In februari 2025 heeft verweerder een gesprek gehad met zijn cliënte, die werd vergezeld door een wijkcoach. Zijn cliënte wilde opnieuw rechtsbijstand omdat de omgang tussen klager en de dochter dreigde vast te lopen. De dochter had op school verteld dat haar vader naar Spanje zou verhuizen en elke twee weken naar Nederland zou komen voor de omgangsregeling. Zijn cliënte vond dit vreemd omdat eerder was afgesproken dat klager zijn huis in Nederland zou aanhouden voor de omgang. Zijn cliënte heeft toen ook gehoord dat klager mogelijk ook wilde dat de dochter naar Spanje zou verhuizen.  

4.2 Er was in de periode daarvóór volgens zijn cliënte uitvoerig overleg geweest over de omgangsregeling tussen partijen en de wederzijdse wijkcoaches. Klager bleef vasthouden aan zijn standpunt dat hij van de rechter zijn adresgegevens niet aan zijn ex-partner hoefde te verstrekken in het kader van de omgangsregeling. De voorwaarden die zijn cliënte aan de omgang stelde, zoals het delen van verblijfadressen en het beschikbaar stellen van een telefoon voor contact, waren volgens verweerder redelijk en gebruikelijk. Zijn cliënte had na de beëindiging van de ondertoezichtstelling eind 2024 immers geen inzicht meer in waar de dochter zich tijdens de omgang met klager bevond en of dat veilig was. Namens zijn cliënte heeft hij klager daarover op 3 maart 2025 bericht en is hij, door de weigering tot medewerking van klager, een procedure gestart.

 

5 BEOORDELING

5.1 Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij van klager. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren.  Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen.

5.2 Verder geldt dat in familierechtkwesties de advocaat ervoor moet waken dat de verhoudingen tussen partijen niet v. Van de advocaat mag een zekere terughoudendheid worden verwacht in het doen van uitlatingen over de wederpartij die deze naar verwachting als kwetsend zal ervaren, en in het starten van procedures. De advocaat moet daarbij in iedere zaak afwegen:

- het belang van zijn cliënt bij het voeren van de procedure,

- het belang van de wederpartij én dat van de kinderen bij het voorkomen daarvan,

- het verloop van het geschil tot dan toe en

- de kans op succes van de procedure.

5.3 De raad is uit de stukken en het verhandelde ter zitting gebleken dat de cliënte van verweerder duidelijkheid wilde hebben over de wijze van uitvoering van de door de rechter tussen klager en de dochter vastgestelde omgangsregeling na de aangekondigde verhuizing van klager naar Spanje. De betrokkenheid van hun wederzijdse wijkcoaches heeft niet tot een oplossing geleid, waarna de cliënte van verweerder zich begin februari 2025 opnieuw tot verweerder heeft gewend. Het stond verweerder daarna als partijdige belangenbehartiger vrij om namens zijn cliënte in zijn e-mail van 3 maart 2025 de eerder door een rechter vastgestelde omgangsregeling tussen klager en de dochter ter discussie te stellen en klager in zijn e-mail van 30 maart 2025 te berichten dat hij namens zijn cliënte een procedure zou gaan starten. Dat heeft verweerder op 8 april 2025 ook gedaan door indiening van een verzoekschrift met producties bij de rechtbank, waartegen klager verweer kon voeren.

5.4 Verweerder heeft tijdens de zitting van de raad verklaard dat hij achteraf bezien andere bewoordingen had kunnen gebruiken in zijn e-mail van 3 maart 2025 aan klager en daarin beter had moeten uitleggen waarom 1 april 2025 voor zijn cliënte een ultimatum was. Die datum was in de gesprekken met de wijkcoaches tussen partijen besproken en kwam volgens verweerder voor klager echter niet als een verrassing. Alhoewel deze e-mail van verweerder qua toonzetting naar het oordeel van de raad kort door de bocht is geweest en daarmee niet helpend, heeft verweerder daarmee niet de grenzen van het betamelijke overschreden. Hij heeft als partijdige belangenbehartiger in zijn e-mails van 3 maart 2025, als ook daarna in de e-mail van 30 maart 2025, het standpunt van zijn cliënte over de omgangsregeling en de mogelijke eenzijdige stopzetting daarvan uiteengezet en klager gewezen op de mogelijkheid om naar de rechter te stappen. Dat klager deze e-mails van verweerder als dreigend en provocerend en escalerend heeft ervaren, begrijpt de raad, maar dat alleen is onvoldoende om verweerder daarvan tuchtrechtelijk een verwijt te maken, temeer daar de verhuizing van klager naar Spanje de onderliggende oorzaak van het nieuwe geschil over de omgang was. Het was beter geweest als verweerder zijn e-mail van 30 maart 2025, met daarin de aankondiging van een procedure, niet op die zondag maar een dag later aan klager had gestuurd, maar dat is niet dusdanig ernstig dat verweerder daarvan tuchtrechtelijk een verwijt kan worden gemaakt.

5.5 Op grond van het voorgaande is de raad van oordeel dat verweerder in de specifieke omstandigheden van dit geval niet de grenzen heeft overtreden van de hem toekomende vrijheid als advocaat van de wederpartij van klager. De raad zal de klacht dan ook ongegrond verklaren.

 

BESLISSING

De raad van discipline:

-    verklaart de klacht ongegrond.

 

Aldus beslist door mr. G.F. van den Berg, voorzitter, mrs. H.K. Scholtens en M. Lont, leden, bijgestaan door mr. M.M. Goldhoorn als griffier en uitgesproken in het openbaar op 15 december 2025.

Griffier                                                                             Voorzitter

 

Verzonden op: 15 december 2025