Rechtspraak
Uitspraakdatum
01-12-2025
ECLI
ECLI:NL:TAHVD:2025:247
Zaaknummer
240356
Inhoudsindicatie
Klager heeft een klacht ingediend tegen zijn voormalig advocaat die hem heeft bijgestaan in een civielrechtelijke procedure. Klager verwijt verweerder (voor zover in hoger beroep van belang) dat hij onzorgvuldig heeft gehandeld door zich zes dagen voor de zitting bij het gerechtshof te onttrekken. De raad heeft deze klacht gegrond verklaard en aan verweerder de maatregel van waarschuwing opgelegd. Het hiertegen door verweerder ingestelde hoger beroep slaagt. De zitting bij het gerechtshof betrof een comparitie na aanbrengen met uitsluitend als doel het beproeven van een schikking. Omdat klager zelf te kennen had gegeven niet aanwezig te zullen zijn, was de kans dat de zitting doorgang zou vinden nihil, terwijl zelfs in het geval de zitting wel doorgang zou hebben gevonden er geen sprake kon zijn van procedureel nadeel voor klager. Het hof vernietigt de beslissing van de raad voor zover de klacht met betrekking tot de onttrekking door verweerder gegrond is verklaard en verklaart de klacht ongegrond.
Uitspraak
Beslissing van 1 december 2025 in de zaak 240356
naar aanleiding van het hoger beroep van:
verweerder
tegen:
klager
1 INLEIDING
1.1 Klager heeft een klacht ingediend tegen zijn voormalig advocaat die hem heeft bijgestaan in een civielrechtelijke procedure. Klager verwijt verweerder (voor zover in hoger beroep van belang) dat hij onzorgvuldig heeft gehandeld door zich zes dagen voor de zitting bij het gerechtshof te onttrekken. De raad heeft deze klacht gegrond verklaard en aan verweerder de maatregel van waarschuwing opgelegd. Het hiertegen door verweerder ingestelde hoger beroep slaagt. De zitting bij het gerechtshof betrof een comparitie na aanbrengen met uitsluitend als doel het beproeven van een schikking. Omdat klager zelf te kennen had gegeven niet aanwezig te zullen zijn, was de kans dat de zitting doorgang zou vinden nihil, terwijl zelfs in het geval de zitting wel doorgang zou hebben gevonden er geen sprake kon zijn van procedureel nadeel voor klager.
1.2 Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom verweerder in beroep is gekomen en hoe het hof daarover oordeelt.
2 DE PROCEDURE
Bij de raad van discipline
2.1 De Raad van Discipline in het ressort Den Haag (hierna: de raad) heeft in de zaak tussen klager en verweerder (zaaknummer: 24-231/DH/DH) een beslissing gewezen op 11 november 2024. In deze beslissing is de klacht van klager deels gegrond en deels ongegrond verklaard. Aan verweerder is de maatregel van waarschuwing opgelegd. Verder is verweerder veroordeeld tot betaling van het griffierecht en proceskosten.
2.2 Deze beslissing is onder ECLI:TADRSGR:2024:197 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.
Bij het hof van discipline
2.3 Het beroepschrift van verweerder tegen de beslissing is op 11 december 2024 ontvangen door de griffie van het hof.
2.4 Verder bevat het dossier van het hof: - de stukken van de raad, - de e-mail met bijlagen van klager van 30 september 2025. 2.5 Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 6 oktober 2025. Daar zijn klager en verweerder verschenen.
3 FEITEN
3.1 Het hof gaat uit van de feiten die door de raad zijn vastgesteld nu daartegen geen beroepsgrond is gericht. Het gaat voor zover in hoger beroep nog van belang om de volgende feiten.
3.2 Klager was eigenaar van een appartement in Den Haag dat hij verhuurde.
3.3 Op 7 februari 2020 hebben inspecteurs van de Gemeente Den Haag en de politie in het appartement van klager een hennepkwekerij ontdekt.
3.4 In november 2020 heeft klager het appartement te koop gezet en daarvoor een makelaar ingeschakeld. In juni 2021 is het appartement verkocht.
3.5 Klager heeft als gevolg van de illegale exploitatie van de hennepkwekerij door de huurders schade geleden, welke schade hij op hen wenste te verhalen. Hij heeft hen daartoe gedagvaard.
3.6 Bij vonnis van 6 oktober 2021 heeft de kantonrechter te Den Haag de vorderingen van klager afgewezen omdat hij de gevorderde schade onvoldoende had onderbouwd.
3.7 Klager kon zich met dit vonnis niet verenigen en wenste daartegen hoger beroep in te stellen. Daartoe heeft hij zich in november 2021 tot verweerder gewend.
3.8 Verweerder heeft klager op 17 november 2022 zijn opdrachtbevestiging gezonden met daarbij de factuur voor de door klager verschuldigde eigen bijdrage.
3.9 Per e-mail van 2 december 2021 heeft verweerder de verkoopmakelaar van het appartement gevraagd of hij nog over stukken beschikte waaruit de schade aan het appartement zou blijken en hem verzocht een verklaring op te stellen van wat hij zelf aan schade aan het appartement heeft waargenomen, wanneer dat was en wat hij daarover heeft besproken met klager en eventuele derden. De verkoopmakelaar heeft per e-mail van 12 januari 2022 op dit verzoek gereageerd.
3.10 Eveneens per e-mail van 2 december 2021 heeft verweerder bij het Informatiepunt Slachtoffers (IPS) van het Arrondissementsparket te Den Haag verzocht om hem een afschrift van het dossier van de inval op 7 februari 2020 en het daarmee samenhangende onderzoek toe te zenden.
3.11 Het IPS heeft verweerder in reactie op zijn verzoek laten weten een aangifte- of parketnummer nodig te hebben. Verweerder heeft daarvoor klager benaderd. Die heeft hem laten weten daarover niet te beschikken.
3.12 Verweerder heeft tijdig een pro forma appeldagvaarding laten uitbrengen en de zaak op de eerst dienende dag doen inschrijven op de rol.
3.13 Het hof heeft bij arrest van 24 februari 2022 vervolgens een comparitie na aanbrengen bepaald op 12 mei 2022. Verweerder heeft klager daarvan per e-mail van 24 februari 2022 te 9:32 uur op de hoogte gebracht.
3.14 In reactie op dit bericht heeft klager diezelfde dag telefonisch aan verweerder laten weten op 12 mei 2022 verhinderd te zijn wegens een verblijf in het buitenland. Verweerder heeft hem daarop per e-mail van diezelfde dag te 10.10 uur verzocht om zijn verhinderdata voor de maanden maart tot en met augustus per e-mail aan hem of zijn secretaresse door te geven.
3.15 Verweerder heeft het hof op 7 maart 2022 verzocht om wegens de verhindering van klager een nieuwe datum voor de zitting te bepalen en daarbij opgave gedaan van de door hem ontvangen verhinderingen van alle bij de zaak betrokken partijen.
3.16 Het hof heeft de nieuwe datum voor de zitting bepaald op 21 april 2022. Verweerder heeft klager daarvan per e-mail van 10 maart 2022 te 9.02 uur op de hoogte gebracht en hem gevraagd de zitting in zijn agenda te noteren.
3.17 Per e-mail van 4 april 2022 heeft verweerder aan klager het door hem van de rechtbank ontvangen proces-verbaal van de in eerste aanleg op 2 september 2021 gehouden mondelinge behandeling toegezonden.
3.18 Klager heeft verweerder per e-mail van 6 april 2022 laten weten op 4 april 2022 naar het buitenland te zijn vertrokken.
3.19 Per e-mail van 7 april 2022 heeft verweerder enkele stukken aan het hof gezonden en daarvan een kopie aan klager gezonden.
3.20 De wederpartij diende per e-mail van 8 april 2022 nog nadere stukken in. Verweerder heeft deze e-mail met bijlagen van 8 april 2022 op 11 april 2022 doorgestuurd aan klager met het verzoek daarop te reageren en hem met het oog op het voorbereiden van de zitting te laten weten wanneer hij terug zou zijn in Nederland.
3.21 Klager heeft diezelfde dag per e-mail gereageerd. In die mail heeft hij verweerder gevraagd of het juist is dat de zitting op 21 april 2022 plaatsvindt.
3.22 Verweerder heeft klager in reactie daarop per e-mail van 12 april 2022 laten weten dat de nieuwe zittingsdatum inderdaad 21 april 2022 is, dat hij hem dat reeds op 10 maart 2022 heeft gemaild en in zijn e-mail van 7 april 2022 nog eens heeft herhaald. In deze mail heeft hij klager nogmaals gevraagd wanneer hij weer in Nederland zou zijn en het belang van diens persoonlijke aanwezigheid ter zitting nog eens benadrukt.
3.23 Omdat klager in zijn mail van 13 april 2022 te 15.22 uur wederom geen antwoord gaf op die vraag heeft verweerder hem diezelfde dag om 19:41 uur het volgende bericht:
“U antwoordt helaas weer niet op mijn vraag. Ik vraag u daarom nogmaals om te bevestigen dat u op tijd terug zult zijn in Nederland om volgende week donderdag samen de zitting bij te wonen. Het heeft geen zin een bespreking te houden als u de zitting niet zult bijwonen. Ook als u de zitting niet kan bijwonen, verneem ik dat graag per omgaande. In dat geval zal ik het Hof immers tijdig moeten berichten dat u wegens een verblijf in het buitenland niet in staat bent om erbij te zijn en dat het om die reden niet zinvol is om de zitting doorgang te laten vinden. Bovendien zal ik mij in dat geval beraden op mijn positie. Ik zie uw antwoord tegemoet.”
3.24 Per e-mail van 13 april 2022 te 22:21 uur heeft klager - zakelijk weergegeven - aan verweerder bericht dat hij al in februari 2022 aan hem en zijn secretaresse heeft laten weten dat hij vanaf eind maart of april 2022 naar het buitenland zou moeten wegens familieomstandigheden, dat daarom de zitting van 12 mei 2022 is verplaatst en dat hij dus ook niet aanwezig kan zijn bij de zitting op 21 april 2022.
3.25 Per e-mail van 14 april 2022 te 9:38 uur heeft verweerder aan klager - voor zover van belang - het volgende bericht:
“In het arrest van 24 februari 2022 is aanvankelijk een mondelinge behandeling bepaald op 12 mei 2022. Zoals u in het arrest heeft gelezen en zoals ik u ook heb toegelicht, is het beproeven van een minnelijke regeling met afstand het voornaamste doel van de zitting. Daarom heb ik herhaaldelijk benadrukt dat het essentieel is dat u in persoon aanwezig bent. (…) Op 10 maart 2022 heb ik u schriftelijk bevestigd dat de nieuwe datum is bepaald op 21 april 2022 en u gevraagd om dat in uw agenda te noteren. U heeft daarop niets laten weten. Pas op 6 april jl. laat u mij doodleuk weten dat u op 4 april naar het buitenland bent vertrokken en alleen na herhaaldelijk aandringen mailt u mij nu dat u toch niet op de zitting aanwezig zult zijn. Daarmee is bij mij het vertrouwen in een vruchtbare samenwerking verdwenen; ik heb niet meer de overtuiging dat ik van u op aan kan. Ik heb daarom besloten dat ik mij als uw advocaat zal onttrekken. Daarvan zal ik vandaag het Hof op de hoogte stellen. Tevens zal ik het Hof erop wijzen dat u in het buitenland bent en daarom ook zelf niet aanwezig kunt zijn. (…) De zitting van volgende week donderdag zal daardoor niet doorgaan. Na mijn onttrekking zal de zaak verwezen worden naar de roldatum gelegen op een termijn van twee weken voor het stellen van een nieuwe advocaat. Voor de volledigheid zal ik ook van die datum nog op de hoogte stellen. Ik raad u aan om vanaf nu direct een nieuwe advocaat te zoeken en daar niet mee te wachten. U kunt daarvoor gebruik maken van de volgende website van de Nederlandse Orde van Advocaten: https://zoekeenadvocaat.advocatenorde.nl/. Daar kunt u ook advocaten selecteren die u kunnen bijstaan op basis van een toevoeging. Uw nieuwe advocaat kan contact met mij opnemen voor de overdracht van het dossier.” 3.26 Op 15 april 2022 heeft verweerder zich als advocaat onttrokken en klager daarvan op de hoogte gebracht. In de begeleidende mail aan het Hof heeft verweerder melding gemaakt van het feit dat klager vanwege een verblijf in het buitenland niet ter zitting van 21 april 2022 aanwezig zou kunnen zijn zodat het niet zinvol was de zitting doorgang te laten vinden.
3.27 Per e-mail van 19 april 2022 heeft verweerder aan klager laten weten dat het Hof heeft bevestigd dat de zitting op 21 april 2022 niet zal doorgaan en dat de zaak is aangehouden tot de rolzitting van 31 mei 2022 voor het stellen van een nieuwe advocaat voor klager. Daarbij heeft hij klager er op gewezen dat het van belang is dat tijdig te doen, omdat wanneer geen nieuwe advocaat zich stelt, het hoger beroep zal eindigen en hij in de proceskosten van de wederpartij wordt veroordeeld.
3.28 Per e-mail van 25 april 2022 heeft klager aan verweerder laten weten dat de zaak zou worden overgenomen door mr. De B. en hem verzocht hem het dossier toe te zenden.
3.29 Mr. De B. heeft verweerder per e-mail d.d. 26 april 2022 in gelijke zin bericht, verzocht om toezending van de urenspecificatie en bevestigd zich te zullen stellen op de rol van 31 mei 2022.
3.30 Op 2 augustus 2022 heeft klager onderhavige klacht ingediend.
4 KLACHT
4.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven – en voor zover in hoger beroep van belang - in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder dat hij hem in de steek heeft gelaten door zich te onttrekken op een moment waarop klager in het buitenland verbleef wegens familieomstandigheden. Als gevolg daarvan moest klager een andere advocaat zoeken en stelt hij daarvoor kosten te hebben gemaakt die hij vergoed wenst te krijgen.
5 BEOORDELING RAAD
5.1 De raad heeft de klacht die ziet op de onttrekking door verweerder gegrond verklaard. Verweerder heeft zich slechts zes dagen voor de zitting onttrokken. Daarmee heeft de onttrekking naar het oordeel van de raad plaatsgevonden op een ongelegen en ontijdig moment. Met deze abrupte onttrekking heeft verweerder klager gelet op artikel 7.6 van het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven blootgesteld aan het risico dat de zitting doorgang zou vinden zonder dat klager daarbij aanwezig of deugdelijk vertegenwoordigd zou zijn. Hiermee is verweerder naar het oordeel van de raad tekortgeschoten in de zorgvuldigheid die hij als advocaat jegens klager dient te betrachten. Dat het hof heeft beslist dat vanwege de onttrekking de zitting geen doorgang zou vinden, de zaak naar de rol heeft verwezen en zich tijdig een opvolgend advocaat heeft gesteld, maakt dat niet anders.
5.2 De raad heeft de maatregel van waarschuwing passend en geboden geacht. De raad heeft daarbij in aanmerking genomen dat verweerder geen tuchtrechtelijk verleden heeft en dat klager door de tuchtrechtelijk verwijtbare gedraging van verweerder niet is benadeeld in zijn processuele positie.
6 BEROEPSGRONDEN EN VERWEER
Beroepsgronden verweerder
6.1 Verweerder voert in hoger beroep aan dat de raad voorbij is gegaan aan het feit dat de zitting een mondelinge behandeling na aanbrengen betrof. Het procesdossier bestond uitsluitend uit het dossier in eerste aanleg en een appeldagvaarding op nader aan te voeren gronden. Het enige doel van de mondelinge behandeling was het beproeven van een minnelijke regeling. Het was dus vrijwel zeker dat de zitting geen doorgang zou vinden, gelet op de onttrekking van verweerder en het verblijf van klager in het buitenland. Het risico dat de zitting doorgang zou vinden zonder dat klager daarbij aanwezig of deugdelijk vertegenwoordigd zou zijn, was volgens verweerder louter academisch. In het hypothetische geval dat de zitting toch doorgang zou hebben gevonden, had het hof slechts kunnen vaststellen dat van de zijde van klager niemand was verschenen, moeten concluderen dat partijen niet tot een minnelijke regeling waren gekomen en had het de zaak moeten verwijzen naar een rolzitting voor het stellen van een nieuwe advocaat, waarna een aanhouding voor grieven zou hebben gevolgd. Ook in dat geval zou klager geen processuele schade hebben geleden. Verweerder meent daarom dat hij zich niet op een ongelegen en ontijdig moment heeft onttrokken en niet onzorgvuldig heeft gehandeld.
Verweer klager
6.2 Klager heeft ter zitting van het hof gemotiveerd verweer gevoerd in beroep. Waar dat relevant is, bespreekt het hof dit bij de beoordeling van het beroep.
7 BEOORDELING HOF
Maatstaf
7.1 De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn, gezien ook het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.
7.2 Bij de beantwoording van de vraag of een advocaat zich betamelijk heeft gedragen als bedoeld in artikel 46 van de Advocatenwet hanteert het hof als uitgangspunt dat de tuchtrechter mede tot taak heeft de kwaliteit van de dienstverlening te beoordelen als daarover wordt geklaagd. Bij deze beoordeling geldt dat de tuchtrechter rekening houdt met de vrijheid die de advocaat heeft met betrekking tot de wijze waarop hij een zaak behandelt en met keuzes waar de advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door de eisen die aan de advocaat als opdrachtnemer in de uitvoering van die opdracht mogen worden gesteld en die met zich brengen dat zijn werk dient te voldoen aan datgene wat binnen de beroepsgroep als professionele standaard geldt. Het hof toetst of verweerder heeft gehandeld met de zorgvuldigheid die van een redelijke bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht. Deze toets geldt omdat er binnen de beroepsgroep wat betreft de vaktechnische kwaliteit geen sprake is van breed gedragen, schriftelijk vastgelegde professionele standaarden.
Overwegingen hof
7.3 Het hof is, anders dan de raad, van oordeel dat verweerder in dit geval niet onzorgvuldig heeft gehandeld door zich zes dagen voorafgaand aan de zitting bij het gerechtshof te onttrekken. Het hof overweegt daartoe het volgende. De zitting die bepaald was op 21 april 2022 betrof een comparitie na aanbrengen. Een comparitie na aanbrengen is een zitting die zo snel mogelijk na het aanbrengen van de appeldagvaarding, nog voordat van grieven en van antwoord is gediend, wordt bepaald en heeft als doel het beproeven van een schikking. In dit geval had klager in zijn e-mail van 13 april 2022 aan verweerder bericht dat hij niet aanwezig kon zijn bij de zitting op 21 april 2022. Verweerder heeft daarop op 14 april 2022 aan klager geschreven dat hij zich zal onttrekken en heeft het gerechtshof in kennis gesteld van deze onttrekking en de afwezigheid van klager. Het risico dat het gerechtshof onder die omstandigheden zou hebben beslist dat de zitting desalniettemin doorgang zou vinden, was gelet op het doel van die zitting nihil. Daarbij geldt - zoals verweerder terecht heeft aangevoerd - dat zelfs indien de zitting wel doorgang zou hebben gevonden, het gerechtshof slechts zou hebben kunnen vaststellen dat van de zijde van klager niemand was verschenen, moeten concluderen dat partijen niet tot een schikking waren gekomen en de zaak moeten verwijzen naar de rol voor het vervolg van de procedure. Ook in dat geval had klager geen processuele schade geleden. Het hof is daarom van oordeel dat verweerder zich in dit geval niet op een ongelegen en ontijdig moment heeft onttrokken en derhalve niet onzorgvuldig heeft gehandeld.
7.4 Dit betekent dat de beslissing van de raad om de klacht voor zover die ziet op de onttrekking door verweerder gegrond te verklaren, niet in stand kan blijven. De klacht zal in zoverre door het hof ongegrond worden verklaard. Omdat de klacht van klager daarmee in zijn geheel ongegrond is, zal het hof ook de veroordeling tot betaling van het griffierecht en de proceskosten vernietigen.
8 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
8.1 vernietigt de beslissing van 11 november 2024 van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag, gewezen onder nummer 24-231/DH/DH, voor zover de klacht met betrekking tot de onttrekking door verweerder gegrond is verklaard, aan verweerder de maatregel van waarschuwing is opgelegd en verweerder is veroordeeld tot betaling van het griffierecht en de proceskosten,
en doet opnieuw recht:
8.2 verklaart de klacht ongegrond.
Deze beslissing is gewezen door mr. C.H. van Breevoort-de Bruin, voorzitter, mrs. K.H.A. Heenk en H.H. Tan, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.R. Sijses, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 1 december 2025.
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 1 december 2025.
