Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

17-11-2025

ECLI

ECLI:NL:TADRARL:2025:247

Zaaknummer

25-446/AL/MN

Inhoudsindicatie

 Erfrechtelijk geschil. Gedragsregel 15 is naar het oordeel van de raad niet van toepassing omdat geen sprake is (geweest) van een advocaat-cliënt relatie tussen klager en verweerster. Klager is ook geen cliënt geworden doordat verweerster de broer van klager is gaan bijstaan die erfgenaam en vereffenaar was in de nalatenschap van hun moeder. Niet verweerster was de vereffenaar, zij stond haar cliënt in genoemde dubbele hoedanigheid bij. Uit de stukken is de raad gebleken dat verweerster bij haar optreden als advocaat van de broer van klager voldoende oog heeft gehad voor de belangen van klager als wederpartij/schuldeiser. Op grond van de wet moet een vereffening voltooid zijn voordat een nalatenschap kan worden verdeeld. Dat die vereffening van invloed is op de omvang van de nalatenschap is evident, maar niet is gebleken dat verweerster bij het doen van de voorstellen aan klager tot vereffening onvoldoende rekening heeft gehouden met de gerechtvaardigde belangen van klager. Haar cliënt en klager verschilden op een punt, de rente, van mening. Als advocaat verdedigde zij het belang van haar cliënt, maar zij probeerde ook een oplossing te zoeken en deed daartoe voorstellen. Daarbij heeft zij geen grenzen overschreden. Evenmin is gebleken dat verweerster zich anderszins onbetamelijk heeft gedragen richting klager. Verweerster heeft ook voldoende voortvarend en doelmatig opgetreden namens haar cliënt. Van het onredelijk uitoefenen van druk op klager door verweerster is geen sprake geweest. Haar e-mails zijn in neutrale bewoordingen opgesteld met daarin een feitelijk juiste weergave van het standpunt van haar cliënt. Klacht ongegrond.

Uitspraak

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem‑Leeuwarden

van 17 november 2025

in de zaak 25-446/AL/MN

naar aanleiding van de klacht van:

 

klager

 

over

 

verweerster

 

1 VERLOOP VAN PROCEDURE

1.1 Op 11 maart 2025 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Midden-Nederland (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster.

1.2 Op 7 juli 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2477881 van de deken ontvangen.

1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 22 september 2025. Daarbij waren klager en verweerster aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier.

 

2 FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.

2.1 De vader van klager en zijn broer (hierna verder: de broer) is in 2008 overleden waardoor zij beiden een niet-opeisbare vordering op hun moeder (hierna verder: de moeder) hebben gekregen.

2.2 De moeder is op 25 oktober 2024 overleden. De broer van klager is de enig erfgenaam in de nalatenschap van de moeder - klager is onterfd - en heeft deze nalatenschap beneficiair aanvaard. De broer heeft afgezien van zijn rol als executeur, waardoor hij automatisch vereffenaar is geworden in de afwikkeling van de nalatenschap van de moeder. Klager heeft een vordering op de nalatenschap van de moeder vanwege zijn aanspraak op een erfdeel in de nalatenschap van de vader. Verweerster staat de broer bij in deze erfrechtkwestie.

2.3 Klager heeft op 4 februari 2025 schriftelijk aan de broer verzocht om inzage in de boedelbeschrijving.

2.4 In haar e-mail van 5 februari 2025 heeft verweerster klager laten weten dat hij in de loop van die maand een overzicht van de samenstelling van de boedel en omvang van zijn vordering zou ontvangen.

2.5 Op 20 februari 2025 heeft verweerster klager aangeschreven over de vereffening van de nalatenschap, althans uitkering van zijn vordering op de nalatenschap. Daarbij heeft verweerster ook aangezegd dat bij gebreke van een reactie of opgave van zijn rekeningnummer op 21 februari 2025 de rente van 6% stopt.

2.6 In zijn e-mail van 20 februari 2025 heeft klager aan verweerster laten weten dat hij alleen met de vereffenaar zal communiceren en dat hij nog steeds in afwachting is van een boedelbeschrijving.

2.7 Verweerster heeft hierop op 24 februari 2025 via e-mail gereageerd. Zij heeft daarin toegelicht hoe zij de overbedelingsvorderingen heeft berekend en van welk bedrag dan ook voor de aangifte erfbelasting in de nalatenschap van de moeder moet worden uitgegaan. Tevens heeft zij namens haar cliënt een voorstel gedaan om het hogere door klager berekende bedrag aan klager uit te keren, mits hij ermee akkoord gaat dat dit bedrag dan ook aan haar cliënt toekomt en hij akkoord gaat met en medewerking verleent aan de aangifte voor dit bedrag. Verweerster heeft verder nog aan klager uitgelegd dat het beroep van klager op de legitieme in de nalatenschap van de moeder berekend wordt zodra duidelijkheid is over de twee kindsdelen.

2.8 In zijn e-mail van 27 februari 2025 heeft klager zijn verzoek aan verweerster herhaald om toezending van de boedelbeschrijving. Diezelfde dag heeft hij ook zijn verzoek om opheldering over de discrepantie in zijn en haar berekening van het erfdeel van de vader herhaald.

2.9 Op 4 maart 2025 heeft verweerster via e-mail een nieuw voorstel aan klager gedaan tot directe uitkering van het bedrag waar partijen het wel over eens zijn omdat er voldoende geld op de rekening stond. Ook heeft zij daarin gemeld dat haar cliënt dit bedrag reeds aan zichzelf had uitgekeerd. Verder heeft verweerster klager meegedeeld dat zij verwacht de boedelbeschrijving in de loop van de komende week bij de griffie van de rechtbank te deponeren en dat in de lijst van vorderingen wordt meegenomen het verschil tussen het bedrag dat klager opeist en het bedrag dat aan hem is aangeboden.

2.10 Op 4 maart 2025 heeft klager in zijn e-mail aan verweerster aangegeven dat hij er vanuit gaat dat de vereffenaar het bedrag zoals door klager is berekend aan hem zal uitkeren.

2.11 Verweerster heeft klager in haar e-mail van 6 maart 2025 gevraagd om zijn rekeningnummer door te geven zodat het niet ter discussie staande bedrag aan hem kan worden overgemaakt.

2.12 In zijn e-mail van 7 maart 2025 heeft klager het vervullen van beide rollen door verweerster als advocaat van de erfgenaam en de vereffenaar ter discussie gesteld. Ook heeft klager verweerster nogmaals om de boedelbeschrijving gevraagd en een toelichting op de discrepantie tussen zijn en haar berekening.

2.13 Op 14 maart 2025 heeft klager van verweerster de boedelbeschrijving ontvangen.

2.14 Verweerster heeft in haar e-mail van 8 april 2025 aan klager gevraagd om zijn BSN nummer aan haar te sturen ten behoeve van de aangifte erfbelasting die zij namens de vereffenaar zal verzorgen.

2.15 Op 9 april 2025 heeft verweerster een e-mail van de advocaat van klager ontvangen waarin zij aangeeft dat geen sprake is van een zware vereffening en klager daardoor zelf verantwoordelijk is voor het doen van de aangifte erfbelasting.

 

3 KLACHT

De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:

a) als advocaat op te treden voor zijn broer in diens hoedanigheid van erfgenaam en in diens hoedanigheid van vereffenaar van de nalatenschap van de moeder (belangenverstrengeling);

b) de nalatenschap onvoldoende voortvarend en doelmatig af te wikkelen waardoor de belangen van klager zijn geschaad.

Toelichting: Verweerster had toegezegd dat de boedelbeschrijving in februari 2025 zou worden toegezonden maar heeft dat, ondanks herhaaldelijk aandringen, niet met de in de Richtlijnen Vereffening nalatenschappen vereiste voortvarendheid gedaan. Pas op 14 maart 2025 ontving klager een voorlopige boedelbeschrijving van verweerster waarin een verschil in de legitieme portie van 1 cent zit en de boedel ontbreekt. Voor klager is daardoor duidelijk dat verweerster haar rol als vereffenaar zeer partijdig uitvoert. Het behartigen van de belangen van de erfgenaam is niet de taak van de vereffenaar. Verweerster heeft ook nagelaten om vragen van klager te beantwoorden over onder andere de opgaaf en onderbouwing van de vordering van klager uit hoofde van de nalatenschap van zijn vader en de discrepantie in het door klager en verweerster berekende bedrag van deze vordering. Ook dit is in strijd met de Richtlijnen Vereffening nalatenschappen. Het is immers niet de taak van de vereffenaar om een eigen berekening van de vordering van de schuldeisers te maken;

c) onredelijke druk op klager uit te oefenen;

Toelichting: Verweerster heeft klager meermaals onredelijk onder druk gezet. Ter onderbouwing verwijst hij naar de in de feiten hiervoor deels opgenomen e-mails van 20 en 24 februari 2025 en 8 april 2025;

d) bewust onjuiste informatie te verschaffen;

Toelichting: Verweerster heeft meerdere malen herhaald dat de vordering van klager op de nalatenschap van zijn vader niet ter discussie staat, terwijl dat aantoonbaar wel het geval is. Verweerster negeert bewust het feit dat klager zijn opeisbare vordering in een eerder stadium heeft opgeëist, terwijl zijn broer dat niet heeft gedaan. Daardoor is er een aantoonbaar verschil tussen de vordering van klager en die van zijn broer als schuldeiser en kunnen deze dus per definitie niet hetzelfde zijn. Zijn broer heeft hierdoor immers geen recht op dezelfde verzuimrentevergoeding. De rol van advocaat van de vereffenaar is bovendien niet om de hoogte van de vordering te berekenen. Verder heeft klager verweerster op 3 maart 2025 al laten weten dat hij zelf aangifte erfbelasting zal doen en desondanks schrijft verweerster op 8 april 2025 dat zij dit zal doen.

 

4 VERWEER

Verweerster heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de haar gemaakte verwijten. Op dit verweer zal de raad hierna, waar nodig, ingaan.

 

5 BEOORDELING

Klachtonderdeel a)

Toelichting klager

5.1 Volgens klager vallen de belangen van een erfgenaam en die van een vereffenaar niet altijd volledig samen, zeker niet in de situatie van een onterving zoals het geval is bij klager in de nalatenschap van zijn moeder. Een vereffenaar moet handelen in het belang van alle schuldeisers van de nalatenschap, terwijl een erfgenaam primair een eigen financieel belang heeft. Klager en zijn broer hebben beiden een vordering op de nalatenschap van hun moeder uit hoofde van de nalatenschap van hun vader. Alles wat er na uitbetaling van deze vorderingen overblijft zal te boek gaan als omvang van de nalatenschap van hun moeder en zal, na aftrek van de legitieme portie van klager, naar de enige erfgenaam, de broer van klager gaan. Het is dus in het belang van de erfgenaam om de schulden zo laag mogelijk te houden. Volgens klager heeft verweerster in haar rol als advocaat van de vereffenaar verzuimd om de belangen van de schuldeisers evenwichtig mee te wegen. De voorstellen die zij namens haar cliënt als vereffenaar doet zijn volgens klager evident in het financieel belang van haar cliënt als erfgenaam. Klager meent immers een hogere vordering te hebben dan verweerster als advocaat van vereffenaar heeft berekend. De door verweerster namens haar cliënt als vereffenaar in haar e-mail van 24 februari 2025 aan klager gegeven keuzes pakken uitsluitend in het voordeel van de erfgenaam uit. Wanneer klager afziet van de hogere vordering geeft hij 75% van deze vordering aan de erfgenaam en wanneer hij accepteert dat aan de andere schuldeiser (zijn broer) -zonder juridische grondslag- ook de hogere vordering toekomt, geeft klager 25% van zijn vordering aan de erfgenaam.

5.2 Dit handelen is volgens klager in strijd met de onpartijdigheid die van de advocaat van de vereffenaar verwacht mag worden. Verweerster vertegenwoordigt door het doen van genoemde voorstellen dus meerdere partijen (klager als schuldeiser en haar cliënt als enige erfgenaam) met tegengestelde belangen, waarmee zij klachtwaardig handelt doordat zij zich schuldig maakt aan belangenverstrengeling als bedoeld in gedragsregel 15.

Verweer verweerster

5.3 Verweerster voert hiertegen het volgende verweer. Haar cliënt, de broer van klager, is enig erfgenaam in de nalatenschap van hun moeder. Als gevolg van het beneficiair aanvaarden van die nalatenschap is haar cliënt vereffenaar geworden op grond van de wet. Als erfgenaam en wettelijk vereffenaar tegelijk is het de taak van haar cliënt om de nalatenschap van de moeder af te wikkelen. Klager had als schuldeiser in de nalatenschap van de moeder de rechtbank kunnen verzoeken om een andere vereffenaar te benoemen, maar heeft dat niet gedaan.

5.4 Verweerster betwist dat sprake is van een belangenconflict. Haar cliënt heeft zowel als erfgenaam op grond van het testament en als vereffenaar op grond van de wet de taak om ervoor te zorgen dat klager krijgt waar hij recht op heeft. Verweerster staat haar cliënt in die beide hoedanigheden bij.

Maatstaf

5.5 De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn, gezien ook het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.

5.6 Gedragsregel 15, die onder meer bepaalt dat het een advocaat in beginsel niet is toegestaan tegen een (voormalige) cliënt op te treden, kan een nadere invulling geven aan de betamelijkheidsnorm van artikel 46 Advocatenwet. Deze regel strekt ertoe de cliënt te beschermen tegen de advocaat die beschikt over vertrouwelijke informatie van de cliënt, ten aanzien waarvan de advocaat verplicht is tot geheimhouding. De vertrouwensband tussen de advocaat en zijn cliënt, en daarmee het vertrouwen in de advocatuur in het algemeen, zou geschaad kunnen worden als de advocaat later tegen die cliënt zou kunnen gaan optreden met gebruikmaking van vertrouwelijke informatie uit die eerdere zaak. Of in een concrete situatie tuchtrechtelijk verwijtbaar wordt gehandeld moet worden beoordeeld aan de hand van alle concrete omstandigheden van het geval. Dat kan met zich meebrengen dat een situatie die (net) buiten de reikwijdte van het verbod van gedragsregel 15 valt, toch tuchtrechtelijk verwijtbaar is (HvD 13 juni 2013, ECLI:NL:TAHVD:2013:106). 

5.7 In dit verband verwijst de raad tevens naar de kernwaarde partijdigheid. Deze kernwaarde brengt voor een advocaat mee dat de gerechtvaardigde belangen van zijn cliënt bepalend zijn bij de uitvoering van een opdracht en dat de advocaat uitsluitend instructies ontvangt van zijn cliënt. Dat betekent niet dat hij zonder meer gehouden is om al hetgeen te doen dat hem door zijn cliënt wordt opgedragen. De advocaat behoort zich, gelet op het vereiste van onafhankelijkheid, niet met zijn cliënt te vereenzelvigen. De op grond van artikel 3, tweede lid, van de Advocatenwet afgelegde eed of belofte stelt duidelijke grenzen aan de uitvoering van opdrachten van een cliënt. Een partijdige belangenbehartiging brengt bovendien niet mee dat de advocaat bewust onwaarheden zou mogen spreken of in strijd met een goede procesorde of rechtsbedeling zou mogen handelen. Belangenbehartiging van cliënten mag alleen met rechtmatige middelen worden nagestreefd. De advocaat behoudt zijn eigen verantwoordelijkheden ten aanzien van het handelen overeenkomstig de wet en het recht.

Overwegingen raad

5.8 Naar het oordeel van de raad is gedragsregel 15 niet van toepassing omdat geen sprake is (geweest) van een advocaat-cliënt relatie tussen klager en verweerster. Uit de stukken is de raad niet gebleken dat klager eerder cliënt van (het kantoor van) verweerster is geweest. Anders dan klager betoogt, is hij niet een cliënt van verweerster geworden doordat verweerster de broer van klager is gaan bijstaan die erfgenaam en vereffenaar was in de nalatenschap van de moeder. Van belang is dat verweerster niet de vereffenaar was, maar zij stond haar cliënt in genoemde dubbele hoedanigheid bij. Feitelijke handelingen van haar cliënt in zijn hoedanigheid van vereffenaar zijn dan ook niet aan verweerster toe te rekenen. Bij onvrede over de gang van zaken van zijn broer als vereffenaar had klager in rechte om een nieuwe vereffenaar kunnen verzoeken. Daarvan is uit de stukken niet gebleken.

5.9 Zoals hierboven in de maatstaf genoemd, is een advocaat niet zonder meer gehouden om al hetgeen te doen dat hem door zijn cliënt wordt opgedragen en houdt deze daarin ook een eigen verantwoordelijkheid. Een advocaat moet als partijdige belangenbehartiger bovendien ook rekening houden met de gerechtvaardigde belangen van bij de kwestie betrokken derden. Uit de stukken is de raad gebleken dat verweerster bij haar optreden als advocaat van de broer van klager voldoende oog heeft gehad voor de belangen van klager als wederpartij/schuldeiser. Op grond van de wet moet een vereffening voltooid zijn voordat een nalatenschap kan worden verdeeld. Verweerster heeft in dat kader namens haar cliënt aan klager voorstellen gedaan om zijn vordering op de nalatenschap van de moeder uit hoofde van de nalatenschap van de vader aan hem uit te keren. Verweerster heeft klager daarbij ook helder geïnformeerd dat haar cliënt zijn vordering uit hoofde van de nalatenschap van de vader al had uitgekeerd en dat er voldoende vermogen in de nalatenschap van de moeder was om ook de vordering van klager te voldoen. Dat die vereffening van invloed is op de omvang van de nalatenschap is evident, maar niet is gebleken dat verweerster bij het doen van de voorstellen tot  vereffening onvoldoende rekening heeft gehouden met de gerechtvaardigde belangen van klager. Haar cliënt en klager verschilden op een punt, de rente, van mening. Als advocaat verdedigde zij het belang van haar cliënt, maar zij probeerde ook een oplossing te zoeken en deed daartoe voorstellen. Daarbij heeft zij geen grenzen overschreden. Evenmin is gebleken dat verweerster zich anderszins onbetamelijk heeft gedragen richting klager.

5.10 Op grond van het voorgaande is de raad dan ook van oordeel dat verweerster niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Klachtonderdeel a) zal ongegrond worden verklaard. 

Maatstaf klachtonderdelen b) tot en met d)

5.11 Klager beklaagt zich in deze verwijten over verweerster als de advocaat van zijn wederpartij. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren.  Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen.

Klachtonderdeel b)

5.12 Verweerster heeft in haar verweer toegelicht dat zij weliswaar in februari 2025 had toegezegd dat zij de voorlopige boedelbeschrijving in de loop van de maand zou toesturen maar dat is pas op 14 maart 2025 gelukt. Dat is volgens haar geen onredelijke vertraging geweest. Op 24 april 2025 heeft zij een aangepaste voorlopige boedelbeschrijving ingediend bij de advocaat van klager. Daarin is het verschil van 1 cent rechtgezet en andere punten zijn nog aangevuld. Klager heeft om hem moverende redenen geweigerd om zijn rekeningnummer aan verweerster door te geven wat tot vertraging in de afwikkeling heeft geleid.

5.13 Naar het oordeel van de raad heeft verweerster voldoende voortvarend en doelmatig opgetreden namens haar cliënt. Het was de taak van haar cliënt om als vereffenaar dat te doen wat wettelijk nodig was. Niet valt in te zien waarom verweerster, die in opdracht van haar cliënt optrad, daarvan tuchtrechtelijk een verwijt kan worden gemaakt. De raad zal klachtonderdeel b) dan ook ongegrond verklaren.

Klachtonderdeel c)

5.14 Naar het oordeel van de raad is van het onredelijk uitoefenen van druk op klager door verweerster geen sprake geweest. Haar e-mails aan klager zijn in neutrale bewoordingen opgesteld met daarin een feitelijk juiste weergave van het standpunt van haar cliënt. Dat klager een ander standpunt had en door de e-mails van verweerster druk heeft ervaren, is onvoldoende om verweerster daarvan tuchtrechtelijk een verwijt te maken. Verweerster heeft naar het oordeel van de raad binnen de grenzen van de haar toekomende vrijheid als advocaat van de wederpartij gehandeld en in dat kader ook voorstellen namens haar cliënt aan klager gedaan met redelijke termijnen. Uit de stukken is de raad ook verder niet gebleken dat verweerster daarbij de belangen van klager onnodig of onevenredig zonder doel heeft geschaad. De raad zal ook klachtonderdeel c) ongegrond verklaren.

Klachtonderdeel d)

5.15 Verweerster stelt in haar verweer dat zij aan klager heeft bericht dat haar cliënt bereid is om het bedrag dat klager vordert aan hem uit te keren los van de vraag of hij daarop recht heeft. Haar cliënt wilde daar de discussie niet over aangaan. Wel wilde haar cliënt, omdat hij die verantwoordelijkheid als vereffenaar heeft, voor het bedrag dat door hem was berekend aangifte voor de erfbelasting doen. Klager wordt hierdoor niet benadeeld, aldus verweerster.

5.16 De juistheid van het verwijt dat verweerster volgens klager onjuiste informatie heeft verschaft kan de raad, tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door verweerster, niet vaststellen. Dat partijen het niet eens waren over alle aspecten van de vordering van klager was onderdeel van de discussie tussen hen. Het is niet aan de tuchtrechter om daarover te oordelen, dat is voorbehouden aan de civiele rechter. Nu uit de stukken niet is gebleken dat verweerster met haar handelen de grenzen van de haar toekomende vrijheid als advocaat van de wederpartij heeft overtreden, zal de raad ook klachtonderdeel d) ongegrond verklaren.

 

BESLISSING

De raad van discipline:

-    verklaart de klacht in alle onderdelen ongegrond.

 

Aldus beslist door mr. S.C. Hagedoorn, voorzitter, mrs. J.G. Molenaar en E.M.G. Pouls, leden, bijgestaan door mr. M.M. Goldhoorn als griffier en uitgesproken in het openbaar op 17 november 2025.

 

Griffier                                                                            Voorzitter

 

Verzonden: 17 november 2025