Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

20-02-2023

ECLI

ECLI:NL:TADRARL:2023:27

Zaaknummer

22-689/AL/NN/D

Inhoudsindicatie

Dekenbezwaar. De raad stelt vast dat verweerder blijkens twee uitspraken van het Hof van Discipline al eerder toezichtondermijnend heeft gehandeld jegens de deken door opgevraagde dossiers niet tijdig af te geven. Verweerder is met zijn toezichtondermijnende gedrag, weliswaar op een andere manier, doorgegaan. Hij heeft op drie momenten aan de deken gerichte e-mails met zeer grievende bewoordingen en aantijgingen (o.a. fraude, bedrog, manipulatie) over de (persoon van de) deken in steeds bredere kring verspreid en gedreigd met verdere verspreiding ook naar de pers. Naar het oordeel van de raad is dit een opstelling en wijze van handelen van verweerder zoals een behoorlijk advocaat absoluut niet betaamt. Met de door hem gekozen bewoordingen in bedoelde drie e-mails is hij naar het oordeel van de raad de grenzen van de hem toekomende vrijheid van meningsuiting ver te buiten gegaan, temeer daar de deken zich tegenover deze personen over de genoemde kwesties niet kon verdedigen vanwege haar geheimhoudingsplicht. Daarnaast heeft verweerder zich welbewust op de persoon van de deken gericht en heeft er, net als tegen de vorige deken, een persoonlijke vete van gemaakt met de intentie om haar te schaden. Zoals het hof al heeft overwogen in de beslissing van 7 november 2022 getuigt de houding van verweerder niet alleen van een gebrek van respect voor de onherroepelijke beslissingen van het hof, maar bovenal van gebrek aan respect voor het volstrekt gelegitimeerde toezicht van de deken waaraan ook verweerder zich dient te onderwerpen. Verweerder heeft in strijd met artikel 46 Aw en artikel 10a lid 1 sub d Aw volstrekt niet integer gehandeld. Gezien de uitlatingen van verweerder tijdens de zitting, dat hij zichzelf als klokkenluider ziet en niet zal stoppen tot de deken zijn waarheid zal vertellen, het niet inzien van het laakbare van zijn handelen, het niet willen toepassen van de regels die voor alle advocaten gelden en gezien zijn aanzienlijke tuchtrechtelijke verleden van recent een onvoorwaardelijke schorsing, is schrapping van verweerder noodzakelijk.

Uitspraak

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden van 20 februari 2023 in de zaak 22-689/AL/NN/D naar aanleiding van het dekenbezwaar van:

deken mr. E.A.C. van de Wiel, in haar hoedanigheid van deken van de Orde van Advocaten Noord-Nederland gevestigd te Groningen oververweerder

1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE 1.1 Bij brief van 31 augustus 2022, met bijlagen (producties 1-19), door de raad op dezelfde datum ontvangen, heeft de deken een dekenbezwaar ingediend jegens verweerder. 1.2 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.1 genoemde dekendossier. Ook heeft de raad kennisgenomen van het verweerschrift van verweerder van 26 oktober 2022, met bijlagen. Daarnaast heeft de raad kennisgenomen van de e-mail van de deken van 26 oktober 2022 (met producties 20-22). 1.3 Het dekenbezwaar is behandeld ter zitting van de raad van 11 november 2022 in aanwezigheid van de deken, ter zitting bijgestaan door mr. K.B. S (waarnemend deken) en verweerder. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt. 1.4 Op de e-mail van verweerder van 22 november 2022, met een verzoek tot heropening van de zaak en tot toepassing van artikel 46l Advocatenwet, heeft de raad op 24 november 2022 geantwoord dat de raad daarop nader in zal gaan in deze beslissing. Deze correspondentie is door de griffie van de raad in afschrift aan de deken gestuurd.

2 FEITEN Voor de beoordeling van het dekenbezwaar gaat de raad, gelet op het dekendossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten. Voor de overzichtelijkheid worden de feiten per onderwerp ingedeeld.

Klachten verweerder tegen deken:

2.1 In 2018 heeft verweerder viermaal een klacht tegen de toenmalige deken Noord-Nederland ingediend. 2.2 Per e-mail van 15 oktober 2018 heeft verweerder aan de toenmalige deken Amsterdam, die door het Hof van Discipline (hierna ook: het hof) was aangewezen om de klacht van verweerder tegen de toenmalige deken Noord-Nederland te onderzoeken, geschreven:

In reactie op uw schrijven d.d. 11 oktober in opgemeld dossier, kan ik u meedelen dat het niet mijn bedoeling was om wederom een klacht in te dienen met mijn e-mail van 10 oktober. De bedoeling van deze e-mail was om de gehele kwestie onder de aandacht te brengen van een toezichthoudend orgaan. Indien dit alleen mogelijk is als er een klacht wordt geformuleerd, stel ik mij op het standpunt dat het handelen van [naam toenmalige deken Noord-Nederland] in strijd is met art. 1 lid 4 van de gedragsregels. [Naam toenmalige deken] misbruikt zijn positie als deken om zijn persoonlijke vete met mij uit te vechten.

2.3 Per e-mail van 5 mei 2022 heeft verweerder bij het hof een klacht ingediend over de deken wegens flagrante schending van de kernwaarde integriteit jegens verweerder en heeft hij het hof verzocht om zijn klacht te verwijzen naar een andere deken voor onderzoek en behandeling. Verweerder heeft verder nog geschreven:

Ondergetekende gaat er van uit dat e.e.a. voldoende zal zijn voor de maatregel ‘schrapping’. Indien dat niet het geval is, zal de klacht uitgebreid met hetgeen genoemd in bijlage V2 die onderdeel uitmaakt van voornoemd verweer. U zult ongetwijfeld een reden vinden hoe u oud-collega [de deken] buiten schot kunt houden (‘….. komt grote vrijheid toe bij het uitoefenen van haar bevoegdheden…..’, etc). Maar besef goed bedrog dat iets anders is dan het uitoefenen van bevoegdheden. U kunt naar de mening van ondergetekende niet langer wegkijken.

Ondergetekende verneemt graag binnen 2 weken na heden hoe u deze kwestie aan gaat pakken. Een te late of onbevredigende reactie zal de onherroepelijke overdracht van het gehele dossier naar een of meerdere onderzoeksjournalisten ten gevolge hebben. Wie boter op het hoofd heeft, kan beter niet in de zon gaan lopen. Neemt u goede nota! In afwachting van uw spoedige nadere berichten.

2.4 Bij beslissing van 13 juni 2022 (bekend onder zaaknummer 220120) heeft de voorzitter van het hof dit verzoek tot verwijzing buiten behandeling gesteld wegens misbruik van klachtrecht door verweerder tegen de deken.

Dekenbezwaar I tegen verweerder:

2.5 Bij beslissing van 30 november 2020 (bekend onder zaaknummer 20-645/AL/NN/D) heeft de raad het dekenbezwaar tegen verweerder gegrond verklaard wegens belemmering van de deken in het uitvoeren van haar toezichthoudende rol. De raad heeft daarbij als maatregel een onvoorwaardelijke geldboete van € 2.500,- en een voorwaardelijke schorsing in de uitoefening van de praktijk voor de duur van twaalf weken aan verweerder opgelegd, met een proeftijd van twee jaar. Daarnaast is als bijzondere voorwaarde gesteld dat verweerder in het toen lopende onderzoek van de deken zijn volledige medewerking aan de deken moet verlenen door 56 dossiers van met name genoemde cliënten aan haar ter beschikking te stellen, tenzij dat op goede gronden kon worden geweigerd. 2.6 Deze beslissing van de raad is bij beslissing van 21 mei 2021 (bekend onder zaaknummer 200291D) door het hof (alleen) vernietigd voor wat betreft de door de raad aan verweerder opgelegde maatregelen. Opnieuw rechtdoende heeft het hof aan verweerder de maatregel van voorwaardelijke schorsing in de uitoefening van de praktijk voor de duur van zes weken opgelegd met een proeftijd van twee jaar. Daarnaast is door het hof als bijzondere voorwaarde gesteld dat verweerder gehouden is om binnen twee weken aan de deken inzage te geven in de specifiek door haar verzochte dossiers. Het hof heeft ten aanzien van deze aan verweerder op te leggen maatregel onder meer overwogen:

5.15 (…) De houding van verweerder om niet te willen voldoen aan het verzoek van de deken vindt het hof zorgelijk. Vooral omdat ter zitting is gebleken dat verweerder het verzoek niet met voldoende professionele distantie heeft opgevat en het verzoek ‘persoonlijk’ maakt. Op suggesties van het hof dat een gesprek tussen verweerder en de deken de tussen hen ontstane verslechterde verstandhouding zou kunnen verbeteren, heeft verweerder laten weten daartoe niet bereid te zijn. Verweerder lijkt een persoonlijke rancune jegens de deken te hebben ontwikkeld. Verweerder ondermijnt met zijn gedrag effectief toezicht door de deken. Dergelijk toezicht is een van de kerntaken van de deken. Ook het hof acht het gedrag van verweerder dan ook zeer laakbaar en onbetamelijk tegenover de beroepsgroep. (…)

Dekenbezwaar II tegen verweerder en gelijktijdig verzoek deken ex artikel 48e Advocatenwet tot tenuitvoerlegging (TUL):

2.7 Op 27 september 2021 heeft de raad in dekenbezwaar II (bekend onder zaaknummer 21-532/AL/NN/D) het dekenbezwaar van 17 juni 2021 tegen verweerder gegrond verklaard, omdat verweerder opnieuw niet heeft voldaan aan het verzoek van de deken om de verzochte dossiers ter beschikking te stellen. De raad heeft aan verweerder de maatregel van onvoorwaardelijke schorsing in de praktijkuitoefening voor de duur van twaalf weken opgelegd. 2.8 Eveneens op 27 september 2021 heeft de raad in de TUL-zaak (bekend onder zaaknummer 21-531/AL/NN/D) op verzoek van de deken van 17 juni 2021 de tenuitvoerlegging gelast van de door het hof op 21 mei 2021 (in dekenbezwaar I) aan verweerder voorwaardelijk opgelegde schorsing voor de duur van zes weken. In de TUL-beslissing heeft de raad onder meer overwogen:

5.3  Met betrekking tot de andere door verweerder aangevoerde omstandigheid dat hij niet kan voldoen aan de opgelegde bijzondere voorwaarde, stelt de raad vast dat het bestuur van het advocatenkantoor - na de beslissing van het hof - maatregelen heeft getroffen ten gevolge waarvan hij de dossiers niet meer zou kunnen afgeven. De raad constateert dat die maatregelen bewust en op initiatief van verweerder zijn genomen om niet te hoeven voldoen aan het verzoek van de deken. Anders dan verweerder is de raad van oordeel dat verweerder met deze handelwijze, mede gelet op het feit dat verweerder nog steeds de feitelijke beschikking heeft over de dossiers, niet onder zijn verplichtingen uit kan komen. Verweerder heeft ten onrechte geen medewerking verleend aan het onderzoek van de deken.

2.9 Met ingang van 11 oktober 2021 is verweerder voor de duur van zes weken geschorst. 2.10 Verweerder heeft op 27 oktober 2021 een beroepschrift bij het hof ingediend tegen zowel de beslissing van de raad in dekenbezwaar II als in de TUL-zaak. Het hof heeft deze zaken gezamenlijk behandeld tijdens de zitting op 16 september 2022 en heeft in beide zaken op 7 november 2022 tegelijk beslist. 2.11 In dekenbezwaar II heeft het hof de door de raad opgelegde schorsing voor de duur van twaalf weken verhoogd naar 26 weken met ingang van 12 december 2022 en onder meer daarover overwogen:

5.16 Tijdens de zitting in hoger beroep heeft verweerder verklaard dat hij - toen hij werd geconfronteerd met het herhaalde verzoek van de deken om de dossiers ter beschikking te stellen - bewust de hakken in het zand heeft gezet en naar eigen zeggen zand in de machine van de deken heeft willen strooien. Verweerder heeft met deze uitlatingen bevestigd dat hij het onderzoek van de deken opzettelijk en doelbewust heeft gefrustreerd. Verweerder heeft daarbij aangegeven dat de deken er volgens hem op uit is hem te laten schrappen van het tableau. Verweerder meent daarnaast dat de verzoeken van de deken gebaseerd zijn op list en bedrog. Hij heeft in dit verband opgemerkt dat hij van mening is dat deze deken niet in de advocatuur thuishoort en dat hij doorgaat tot dat zij van het tableau is geschrapt.

5.17 Het hof acht deze opstelling van verweerder een behoorlijk advocaat volstrekt onwaardig. Verweerder heeft immers bewust ervoor gekozen om ondanks de onherroepelijke beslissing van dit hof de gevraagde dossiers niet af te geven, zoals hiervoor in r.o. 5.13 reeds is overwogen. Deze werkwijze en opstelling van verweerder (ook ter zitting) getuigen niet alleen van gebrek aan respect voor beslissingen van dit hof, maar bovenal van gebrek aan respect voor het volstrekt gelegitimeerde toezicht van de deken waaraan verweerder zich dient te onderwerpen. Dat wordt verweerder hoogst kwalijk genomen.

5.18 Het hof concludeert uit het voorgaande dat verweerder door zich te onttrekken aan het toezicht van de deken en met de wijze waarop hij die weigering vorm heeft gegeven de kernwaarde integriteit heeft geschonden. Uit het optreden van verweerder blijkt herhaald onvoldoende inzicht in de bijzondere positie die hij als advocaat vervult en de verplichtingen die in het kader van het toezicht op de advocatuur op hem rusten. De ernst van de gedragingen van verweerder, de opstelling van verweerder, mede ter zitting, in combinatie met zijn tuchtrechtelijk verleden brengen het hof ertoe aan verweerder de maatregel van schorsing in de uitvoering van de praktijk voor de duur van zesentwintig weken op te leggen.

2.12 In de TUL-zaak heeft het hof verweerder ontvankelijk geacht in het door hem tegen de beslissing van de raad tot tenuitvoerlegging ingestelde hoger beroep. Het hof heeft in deze zaak de beslissing van de raad tot tenuitvoerlegging bekrachtigd en daarover onder meer overwogen:

(…) Het hof zal zoals hiervoor is vermeld in de zaak 210328D (het dekenbezwaar) de beslissing van de raad bekrachtigen, met uitzondering van de op te leggen maatregel. Met deze onherroepelijke beslissing staat vast dat verweerder binnen de voor hem op grond van de bij beslissing van 21 mei 2021 door het hof bepaalde proeftijd zich andermaal tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gedragen. Dit is een schending van de door het hof gestelde algemene voorwaarde. Verweerder heeft hierbij verzuimd binnen twee weken na de beslissing van het hof de deken inzage gegeven in de door haar verzochte dossiers. Dit betreft daarmee tevens een schending van de door het hof gestelde bijzondere voorwaarde. Het hof zal daarom de beslissing van de raad bekrachtigen, waarbij de tenuitvoerlegging van de door het hof bij deze beslissing aan verweerder voorwaardelijk opgelegde schorsing in de uitoefening van de praktijk voor de duur van zes weken is gelast.

Dekenbezwaar III:

2.13 Bij beslissing van 27 juni 2022 heeft de raad het dekenbezwaar van 20 januari 2022 met zaaknummer 22-044/AL/NN/D, tegen verweerder en tegen het advocatenkantoor, ongegrond verklaard. 2.14 Tegen deze beslissing is hoger beroep ingesteld. Op het moment van deze beslissing is daarop door het hof nog niet beslist.

Dekenbezwaar IV:

2.15 Per e-mail van 31 mei 2022 heeft de deken onder meer het volgende aan de raad en verweerder bericht:

Op 25 april 2022 heb ik een dekenbezwaar [bekend onder zaaknummer 22-347/AL/NN/D; raad] tegen [verweerder] ingediend omdat hij - kort gezegd - een verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor had ingediend, naar aanleiding van het feit dat mr [S] zich had uitgesproken tegenover (medewerkers van) de deken. Ik had [verweerder] gevraagd zijn verzoek in te trekken en hem voorgehouden dat hij anders een dekenbezwaar tegemoet kon zien. [Verweerder] volhardde (toen) echter in zijn voornemen.

Inmiddels ontving ik het bericht van mr [S] dat [verweerder] (dus kennelijk nadat ik het dekenbezwaar had ingediend) het verzoek voorlopig getuigenverhoor wel heeft ingetrokken. Ik zou het reeds ingediende dekenbezwaar kunnen handhaven om principiële redenen, maar ik geef er in deze omstandigheden de voorkeur aan mijn dekenbezwaar in te trekken.

2.16 Per e-mail van 2 juni 2022 heeft verweerder de raad verzocht om het ingetrokken dekenbezwaar voort te zetten op grond van het bepaalde in artikel 47a lid 2 onder a of b van de Advocatenwet wegens bedrog van de deken. De deken heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de raad. 2.17 Per e-mail van 20 juni 2022 heeft de raad het verzoek van verweerder tot voortzetting van het dekenbezwaar afgewezen omdat artikel 47a Advocatenwet alleen op ingetrokken klachtzaken van toepassing ziet.

Correspondentie van verweerder aan de deken en aan derden:

2.18 Op 19 juli 2022 heeft verweerder de volgende e-mail, met bijlagen, aan de deken, de landelijke dekens en ordebureaus en raden van de ordes gestuurd:

"Geachte [naam deken] en collega's,

Bijgaande treft u een klacht (met bijlagen) aan die ik heb ingediend tegen [naam deken]. Ik ben van mening dat u als bestuursorganen van de NOVA en directe collega's op de hoogte moeten zijn.

Korte toelichting:

[Naam deken] is in 2020 een onderzoek gestart naar mijn praktijkvoering en heeft naar aanleiding van haar bevindingen een dekenbezwaar ingediend. Dit dekenbezwaar is overigens op alle 6 onderdelen ongegrond verklaard. U zult nu wellicht denken 'eind goed, al goed’, maar naar mijn mening heeft mevrouw [naam deken] zich in het hele proces schuldig gemaakt aan fraude, bedrog, manipulatie en misbruik van bevoegdheid en zal ze zich hiervoor moeten verantwoorden. Ik verwijs u hierbij naar de bijlagen. Indien u geïnteresseerd bent in alle details van het handelen van mevr. [naam deken], kunt u mij verzoeken om bewijsstukken van de beweringen die ik doe.

Uiteraard heb ik [naam deken] (meerdere keren) gevraagd om mij haar handelen uit te leggen. Mijn verzoeken worden echter slechts beantwoord met het autoriteitsargument.

Ook heb ik geprobeerd om de kwestie voor te leggen aan CvT, RvO en HvD. De reacties waren respectievelijk:

- Wij gaan niet over individuele kwesties, maar over het systeem van toezicht.

- Een dekenbezwaar is geen klacht, dus hebt u geen recht op een inhoudelijke behandeling van uw zaak.

- U hebt uw klachtrecht verspeeld omdat u 3,5 jaar geleden een klacht hebt ingediend tegen een andere deken.

Zoals u zich kunt voorstellen beschouw ik deze reacties allemaal als gecreëerde argumenten om [naam deken] de hand boven het hoofd te houden.

U bent nu dus op de hoogte van het handelen van mevr. [naam deken] en ook hoe andere organen van de NOVA met deze kwestie omgaan. Ik hoop dat u wel op een objectieve en integere manier dit signaal gaat behandelen. Gezien mijn ervaringen met de organen van de NOVA zult u zich kunnen voorstellen dat ik echter weinig vertrouwen heb in deze uitgesproken hoop. Vermoedelijk zult u mij als 'gekkie' beschouwen en verder negeren.

Dat is dan ook de reden dat ik ook een andere strategie volg om een inhoudelijke beoordeling van het handelen van mevr. [naam deken] af te dwingen; Ik gebruik in het voorgaande namelijk bewust zware termen als fraude, bedrog etc. Er zijn dan naar mijn mening maar 2 smaken: Ofwel mevr. [naam deken] gaat mij aanklagen vanwege laster, ofwel doet ze dat niet en geeft ze daarmee impliciet toe dat mijn beschuldigingen juist zijn. Ik laat u over 4 weken weten of mevr. [naam deken] een klacht tegen mij heeft ingediend.

@ mevr. [naam deken]: Bij dezen dus de uitnodiging om een klacht tegen mij in te dienen. Doet u dat niet, dan zal volgende week een met deze email vergelijkbare email naar uw collega's bij [naam advocatenkantoor] gaan en de week erop naar alle advocaten in Noord­Nederland.

In afwachting van uw reactie en met vriendelijke groet,"

2.19 Nadat het ordebureau aan verweerder had laten weten dat de deken door vakantie niet op zijn e-mail kon reageren, heeft verweerder op 20 juli 2022 daarop als volgt gereageerd:

Als mevr. [naam deken] haar vakantie belangrijker vindt, dan is dat uiteraard haar goed recht.

Het zal mij echter niet weerhouden van het doorzetten van de aangekondigde vervolgstappen.

2.20 Op 25 juli 2022 heeft verweerder de volgende aan de deken gerichte e-mail, met bijlagen, onder meer aan haar collega’s (ruim 50 advocaten) gestuurd van het advocatenkantoor waaraan de deken als advocaat is verbonden: 

Vanuit de media heb ik vernomen dat u zich (als voorzitter van het landelijk dekenberaad) in het debat over de toekomst van het toezicht op de advocatuur, op het standpunt stelt dat het toezicht op individuele advocaten in handen van lokale dekens dient te blijven.

Zoals u zult begrijpen uit hetgeen zich tussen ons heeft afgespeeld, verbaas ik mij er over dat u het lef hebt om zich in dit debat te mengen en juist dit standpunt in te nemen. U hebt er immers blijk van gegeven zelf totaal niet in staat te zijn om dergelijk toezicht uit te oefenen. (Voor de meelezers verwijs ik naar het bijgevoegd dekenbezwaar, mijn verweerschrift en de beslissing van de Raad van Discipline waarin al uw 6 klachtonderdelen ongegrond zijn verklaard. In de tuchtrechtelijke jurisprudentie kon ik geen voorbeelden ontdekken waarin een deken zo 'nat ging'.)

Het is verdrietig om te moeten constateren dat mensen met uw gebrek aan kunde in staat zijn om posities te bekleden zoals u doet. Integriteit is naar mijn mening voor dekens echter een nog veel belangrijkere eigenschap dan kunde. In dat licht is het totale gebrek aan integriteit dat u aan de dag hebt gelegd voor en tijdens uw onderzoek naar mijn praktijkvoering, nog veel schrijnender.

U hebt vanaf het begin af aan immers misbruik gemaakt van uw bevoegdheid en zich ontpopt als een fraudeur en bedrieger:

Onder verwijzing naar voor mij volkomen onbekende (en achteraf gezien onjuiste en niet bestaande) signalen kondigt u een onderzoek aan naar mijn praktijkvoering en vraagt daarbij 56 dossiers op die voor het merendeel helemaal niet door mij zijn behandeld. Op mijn vragen hierover en mijn verzoek om in gesprek te gaan, reageert u arrogant en verwijst u naar uw bestuursrechtelijke bevoegdheid. De 56 dossiers voor uw (onrechtmatige) fishing expedition hebt u samen met een medewerker van de Raad voor Rechtsbijstand geselecteerd op basis van 'verloren zaak' zodat de kans voor u groter zou zijn om te kunnen scoren.

Vervolgens doet u zelf een inhoudelijke onderzoek terwijl op geen enkele wijze blijkt dat u daar de expertise voor hebt. Dit blijkt ook wel uit de door u geformuleerde klachtonderdelen en de beoordeling daarvan. In uw dekenbezwaar uit u verder allerlei beschuldigingen waarvan u op dat moment al wist dat ze niet klopten, houdt u ontlastend bewijs achter en voegt u achteraf gecreëerde signalen toe om uw onderzoek te rechtvaardigen. Als klap op de vuurpijl intimideert u een ex-collega van mij met uw bevoegdheden om een negatieve verklaring over mij af te dwingen. (Voor de meelezers verwijs ik naar de ingediende klacht met een nog uitgebreidere omschrijving van het handelen van mevr. [naam deken])

Zoals ik al heb aangekondigd, zal ik uw bedrog bij een steeds grotere kring bekend maken (deze email gaat in bcc naar al uw collega's bij [naam advocatenkantoor]. Doel hiervan is enerzijds een waarschuwing aan de betreffende personen over de kennelijke wijze waarop u met uw bevoegdheden om gaat. Anderzijds is het doel van deze emails om u uit te lokken om een klacht tegen mij in te dienen. Als mijn beschuldigingen immers niet waar zijn, is een deken klacht op zijn plaats. Nu u daar nog steeds geen initiatief toe neemt, kan dat beschouwd worden als het toegeven aan hetgeen waarvan ik u van beschuldig.

U zult zich wellicht afvragen waarom ik de behandeling van de klacht niet afwacht. Het antwoord is simpel; de voorzitter van het Hof van Discipline heeft het verzoek om verwijzing voor onderzoek afgewezen omdat de klacht niet voldoende concreet zou zijn (!) en omdat ik mijn klachtrecht zou hebben verspeeld omdat ik 3,5 jaar geleden een klacht tegen de vorige deken heb ingediend(!). De absurditeit van deze argumenten laat mijns inziens zien hoe ver gegaan wordt om u de hand boven het hoofd te houden. Kennelijk reiken uw tentakels inmiddels zo ver.

Bij dezen nogmaals het dringende verzoek om een klacht tegen mij in te dienen. Dergelijke laster als bovenstaande kunt u toch niet over uw kant laten gaan?

Indien u wederom geen actie onderneemt, zal volgende week een met deze email vergelijkbare naar alle advocaten in Noord-Nederland gaan. Tevens een kopie naar het DVHN.

2.21 Op 19 september 2022 heeft verweerder, na de zitting op 16 september 2022 van het hof in het hoger beroep van verweerder tegen de beslissingen van de raad op dekenbezwaar II en in de TUL (bij het hof bekend onder de zaaknummers 210328D en 210327 (TUL), onder meer het volgende aan de deken, in cc aan het hof en in bcc naar alle eerder door hem aangeschreven personen, geschreven:

(… ) De tendens van wat u doet is typerend. Zo hebt u het immers ook in uw dekenbezwaar gedaan. U liegt een heleboel dingen die afzonderlijk misschien niet zo belangrijk lijken, maar uiteindelijk is mijn hele betoog gebagatelliseerd en lijkt het alsof juist ik de boel bij elkaar verzin. De tuchtrechters gaan helemaal niet in op het overweldigende bewijs dat u een bedrieger bent omdat het zo onwaarschijnlijk is.

Van meerdere van deze punten (1,2, 4) is het overigens makkelijk voor het HvD om te controleren of uw standpunten wel in overstemming zijn met de waarheid omdat het bewijs blijkt uit de stukken die ze al in bezit hebben. Het punt hiervan is echter dat uit de vraagstellingen van de tuchtrechters bleek dat ze het dossier niet volledig of correct hebben gelezen (zie bijvoorbeeld bovengenoemd punt 4). Daarnaast heeft het er alle schijn van dat ze dit ook niet gaan doen bij het maken van een uitspraak. De tuchtrechters konden zich immers niet voorstellen waarom een deken zo te werk zou gaan als u doet en vroegen mij daarvoor een verklaring, in plaats van aan u. Kennelijk was hen ontgaan dat u zelf het antwoord al eerder gegeven had; op de vraag of u een oplossing zag voor onze escalerende vete, antwoordde u dat u mij een deskundige advocaat vindt, maar dat het probleem is dat gezag op mij werkt als een rode lap. Het gaat u dus helemaal niet om de kwaliteit van mijn praktijkvoering, maar u hebt een missie om mij te disciplineren. U weet toch zelf ook wel dat u uw bevoegdheden niet met dat doel hebt gekregen?

Het heeft er alle schijn van dat ik ook in hoger beroep veroordeeld zal worden op basis van uw leugens. U zult inmiddels begrijpen dat ik hier geen genoegen mee neem.

Deze email gaat in cc ook naar de griffie van het HvD. Niet om na te pleiten, maar met het verzoek om de onderstreepte passages op te nemen in het proces-verbaal. Of u de leugens waar op betrapt bent zelf ook doorstuurt naar het HvD met het verzoek om het onderzoek ter zitting te heropenen, laat ik aan u. Ik kan me voorstellen dat u dit even met uw aansprakelijkheidsverzekeraar wilt bespreken. Dat deze kwestie ook civielrechtelijk een staartje zal krijgen, spreekt vanzelf.

Deze email gaat in bcc ook naar alle personen aan wie ik al eerder een kopie zond van andere dossierstukken (misschien dat iemand eens ingrijpt, vooral ook in uw bestwil). In het kader van fair-play, zal ik uw eventuele betwisting van mijn herinnering ook naar hen doorsturen. Ditzelfde geldt voor een inhoudelijk verweer op de door mij tegen u ingediende klacht.

3 DEKENBEZWAAR Het dekenbezwaar houdt, zoals ter zitting door de deken bevestigd, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:

niet professioneel, niet zakelijk en als advocaat volstrekt ontoelaatbaar te handelen met de door hem gekozen grievende bewoordingen in verschillende e-mails aan de deken en die e-mails ook in brede kring van geadresseerden te verspreiden, met als doel om het dekenaal toezicht c.q. het tuchtrechtelijk onderzoek te bemoeilijken, te vertragen en te dwarsbomen en de deken daarmee (persoonlijk) te schaden. 

4 VERWEER

Formeel verweer:

4.1 Volgens verweerder is de raad niet bevoegd om te oordelen over het onderhavige dekenbezwaar, omdat daarvoor geen wettelijke grondslag bestaat. 4.2 In zijn e-mail van 24 november 2022, genoemd onder 1.4 hiervoor, heeft verweerder de (voorzitter van de) raad verzocht om de zaak te heropenen en alsnog een onderzoek te gelasten ex artikel 46l Advocatenwet zodat alle feiten boven water komen waarna de raad pas een beslissing kan nemen. 4.3 De inventarislijst, zoals gevoegd bij het dekenbezwaar, is onvolledig. Volgens verweerder dienen ook alle processtukken uit het door de deken ingetrokken dekenbezwaar (bekend onder zaaknummer 22-044/AL/NN/D), zijn (door de raad gehonoreerde) verweerschrift in zaak 22-044/AL/OV/D, als ook zijn aan de deken en haar collega’s op 19 september 2022 verstuurde e-mail deel uit te maken van het onderhavige dossier. 4.4 Daarnaast gaat verweerder er vanuit dat zijn correspondentie, die hij met de griffie van de raad heeft gevoerd in onderhavige kwestie over het juridisch kader, ook deel uitmaakt van het dossier. 4.5 Tot slot heeft verweerder verzocht om de beslissing van de raad ook onder de aandacht van het College van Toezicht te brengen. 4.6 De raad zal in de beoordeling op deze punten ingaan.

Inhoudelijk verweer:

4.7 Voor zover de deken heeft bedoeld dat hij het dekenale toezicht heeft gefrustreerd door aanvankelijk te weigeren om 56 dossiers ter beschikking te stellen, erkent verweerder in zijn verweerschrift van 26 oktober 2022 dat hij daarmee inderdaad haar toezicht heeft gefrustreerd. Echter met goede reden, nu hij er niet van gediend was om door de deken als een schooljongen te worden behandeld. Dat hij voor die weigering om mee te werken een goede reden had, zal volgens verweerder blijken uit de uitspraak van het hof, (naar de raad begrijpt: ) in dekenbezwaar III. Dat verwijt van de deken stuit in deze procedure in elk geval af op het ne bis in idem-beginsel, aldus verweerder. 4.8 Verweerder kan verder niet plaatsen waarom de deken jegens hem termen als zwartmaken, onbehoorlijk, ontoelaatbaar, toezicht ontmoedigen, niet professioneel, niet zakelijk, brede kring, bemoeilijken, vertragen en dwarsbomen gebruikt in haar dekenbezwaar. 4.9 In ieder geval ziet hij niet in waarom hij met zijn (inmiddels) drie e-mails aan de collega’s van de deken haar toezicht heeft vertraagd of gedwarsboomd. Omdat hij die e-mails aan de deken niet naar betrekkelijk willekeurige derden heeft gestuurd maar louter naar haar collega’s is, zoals geldt volgens rechtspraak bij laster of smaad, geen sprake geweest van een ontoelaatbare verspreiding van informatie in brede kring. Wat de overige in 6.8 genoemde termen betreft is verweerder van mening dat hij de volgende goede redenen heeft gehad om die e-mails ook aan derden te versturen zonder dat hij daarbij de betamelijkheidsgrenzen is over gegaan. 4.10 In zijn e-mail van 25 juli 2022, én in zijn klacht tegen de deken van 6 juli 2022 bij het hof, heeft hij aan de deken en haar directe collega’s gemeld wat hij de deken kwalijk nam. In plaats van dat die geadresseerden contact hebben opgenomen met het College van Toezicht om samen met het hof de deken lopende een onderzoek naar haar handelen op non-actief te stellen, werd de deken juist de hand boven het hoofd gehouden. De bevoegde organen gaven na zijn e-mail van 25 juli 2022 niet thuis. 4.11 Omdat hij geen openbare behandeling ter toetsing van het handelen van de deken zou krijgen - het hof weigerde ten onrechte om zijn klacht tegen de deken te verwijzen en de raad had al eerder geweigerd om een door de deken ingetrokken bezwaar in het algemeen belang voort te zetten - was het zijn recht en plicht om deze ontoelaatbare kwestie met de deken onder de aandacht van vele anderen te brengen. Dit alles met de intentie om de deken uit te lokken dat zij alsnog een dekenbezwaar tegen hem zou indienen. Omdat niets gebeurde heeft hij in zijn volgende aan de deken gerichte e-mails van 25 juli 2022 en 19 september 2022, die hij heeft verspreid onder een grotere groep collega’s en het hof, stevige bewoordingen over de deken gebruikt, zoals fraudeur en bedrieger. 4.12 Zelfs zonder goede reden waren volgens verweerder de door hem gebruikte bewoordingen, waaronder list, bedrog en fraude, volgens vaste rechtspraak van het hof toelaatbaar (ECLI:NL:TAHVD:2015:133). Daarnaast was geen sprake van een bedoeling van zijn kant om de deken te beledigen of misbruik te maken. Hij heeft juist bewust in de e-mails voor de door hem gekozen bewoordingen gekozen om een reactie van de deken uit te lokken zodat zij haar handelen kon rechtvaardigen. 4.13 Tijdens de zitting van de raad heeft verweerder aangevoerd dat de deken in zijn optiek het grootste bedrog heeft gepleegd doordat zij een koppeling heeft gecreëerd tussen hem en de vermeend gemaakte fouten door ex-collega mr. S. Dat blijkt uit het ten onrechte doro de raad gesloten dossier 22-347/AL/NN/D na intrekking van dat dekenbezwaar. 4.14 Als zijn aantijgingen aan het adres van de deken waar zijn, wat in de lopende procedure in dekenbezwaar III bij het hof zal blijken, ziet verweerder zichzelf als een klokkenluider die een fraudeur heeft ontmaskerd. Tuchtrechtelijk treft hem geen enkel verwijt, aldus verweerder.

5 BEOORDELING

Ten aanzien van de formele verweren:

5.1 Op grond van artikel 46f Advocatenwet  kan de deken, ongeacht de manier waarop de deken kennis neemt van een optreden van een advocaat dat in strijd is met de normen van artikel 46 Advocatenwet, via een klacht dan wel via signalering door een derde, zelfstandig een dekenbezwaar indienen tegen die advocaat. De raad is dan ook bevoegd om te oordelen over het onderhavige dekenbezwaar. 5.2 Zoals zal volgen uit de inhoudelijke beoordeling, ziet de raad geen aanleiding om de zaak te heropenen en een nader onderzoek ex artikel 46l Advocatenwet te gelasten. De raad acht zich op basis van de stukken en het verhandelde ter zitting voldoende geïnformeerd om een eindbeslissing te nemen. 5.3 Voor zover relevant bij de beoordeling van het dekenbezwaar heeft de raad op verzoek van verweerder - waartegen de deken geen bezwaar heeft gemaakt - kennis genomen van de onderliggende (proces)stukken in de verschillende procedures, als genoemd onder de feiten, zo ook van de gevoerde correspondentie. 5.4 Volgens vaste procedure wordt een uitspraak van de raad ter kennisgeving aan het College van Toezicht gestuurd, zodat daarmee aan dat verzoek van verweerder wordt voldaan. 5.5 Nu de formele verweren niet slagen, zal de raad het dekenbezwaar inhoudelijk beoordelen als volgt.

Inhoudelijke beoordeling:

5.6 Een advocaat dient zich te onthouden van handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt en van handelingen waardoor het vertrouwen in de advocatuur wordt geschaad. Bij zijn handelen moet een advocaat zich houden aan de vijf kernwaarden die in artikel 10a, lid 1 Advocatenwet zijn vastgelegd. De raad zal de betamelijkheid van het handelen van verweerder dan ook mede aan de hand van de kernwaarden beoordelen. Bij deze toetsing is de tuchtrechter niet gebonden aan de gedragsregels maar die regels kunnen, gezien het open karakter van de wettelijke normen, ter invulling van deze normen wel van belang zijn. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen, hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld. 5.7 Blijkens de - in de feiten deels opgenomen - uitspraken van het hof van 21 mei 2021 en 7 november 2022 staat vast dat verweerder in strijd met artikel 46 Advocatenwet, gedragsregel 29 en artikel 5:20 Awb heeft gehandeld door niet mee te werken aan de toezichthoudende taak van de deken door de opgevraagde dossiers niet tijdig aan haar te verstrekken. Deze tuchtrechtelijk ontoelaatbare handelwijze van verweerder heeft ertoe geleid dat hij eerst vanaf 11 oktober 2021 voor de duur van zes weken is geschorst en vervolgens, wegens zijn voortdurende weigering tot medewerking, vanaf 12 december 2022 voor een half jaar is geschorst als advocaat. 5.8 De raad is uit de stukken en het verhandelde ter zitting gebleken dat verweerder, weliswaar op een andere manier, is doorgegaan met toezichtondermijnend handelen jegens de deken, ook nog nadat onderhavig dekenbezwaar bij de raad was ingediend. Dat heeft hij gedaan door zijn aan de deken gerichte e-mails van 19 en 25 juli 2022 en van 19 september 2022 met zeer grievende bewoordingen over de (persoon van de) deken in steeds bredere kring te verspreiden. Verweerder heeft de deken in die correspondentie onder meer verweten dat zij zich vanaf haar onderzoek naar zijn praktijkvoering vanaf 2020 en het opvragen van 56 dossiers schuldig heeft gemaakt aan fraude, bedrog, manipulatie en misbruik van bevoegdheid en dat zij een bedrieger is. Dit alles met de intentie, zoals verweerder tijdens de zitting van de raad heeft bevestigd, om derden te waarschuwen voor deze deken. Daarnaast had verweerder met zijn handelen tot doel om bij de deken, of enig ander bevoegd orgaan, uit te lokken dat zij een klacht tegen hem in zouden dienen om de waarheid boven tafel te krijgen. 5.9 Naar het oordeel van de raad is dit een opstelling en wijze van handelen van verweerder zoals een behoorlijk advocaat absoluut niet betaamt. Met de door hem gekozen bewoordingen in bedoelde drie e-mails is hij naar het oordeel van de raad de grenzen van de hem toekomende vrijheid van meningsuiting ver te buiten gegaan, temeer daar de deken zich tegenover deze personen over de genoemde kwesties niet kon verdedigen vanwege haar geheimhoudingsplicht. Door die aan de deken gerichte e mails in een steeds ruimere kring van onder meer landelijke dekens, ordebureaus en collega’s van het advocatenkantoor waaraan de deken is verbonden, te versturen en te dreigen met verspreiding aan de pers, heeft verweerder zich bovendien welbewust gericht op de persoon van de deken en daarvan, net als bij de voorgaande deken in 2018, een persoonlijke vete gemaakt met de intentie om haar te schaden. 5.10 Zoals het hof al heeft overwogen in de beslissing van 7 november 2022 getuigt de houding van verweerder niet alleen van een gebrek van respect voor de onherroepelijke beslissingen van het hof, maar bovenal van gebrek aan respect voor het volstrekt gelegitimeerde toezicht van de deken waaraan ook verweerder zich dient te onderwerpen. 5.11 Op grond van het voorgaande, in samenhang beschouwd, is de raad van oordeel dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar jegens de deken heeft gehandeld. Het dekenbezwaar wordt dan ook gegrond verklaard.

6 MAATREGEL 6.1 De raad acht dit gegrond verklaarde dekenbezwaar zeer ernstig en het handelen van verweerder een advocaat onwaardig. Verweerder heeft niet gehandeld zoals een behoorlijk betaamt in de zin van artikel 46 Advocatenwet. Daarnaast heeft verweerder in strijd met de kernwaarde integriteit gehandeld (artikel 10a lid 1 sub d Advocatenwet) en naar derden het aanzien van de beroepsgroep geschaad. 6.2 Daar komt nog bij dat verweerder tijdens de zitting op 11 november 2022 van de raad heeft verklaard dat hij zichzelf als klokkenluider ziet die de misstanden van de deken aan de orde moet stellen en dat hij niet zal stoppen totdat de deken de waarheid volgens verweerder vertelt. Zeer zorgelijk is dat verweerder dit heeft verklaard kort nadat het hof op 7 november 2022 in niet mis te verstane bewoordingen én met oplegging van een schorsing voor een half jaar, heeft geoordeeld over verweerders toezichtondermijnende opstelling jegens de deken. Hieruit leidt de raad af dat verweerder het laakbare van zijn handelen niet inziet en ook niet bereid is om zijn tuchtrechtelijk verwijtbare gedrag aan de regels, die voor alle advocaten gelden, aan te passen. 6.3 Bij het bepalen van de maatregel houdt de raad rekening met de ernst van het onderhavige verwijt, het aanzienlijke tuchtrechtelijk verleden van verweerder oplopend in ernst van opgelegde maatregel en het feit dat verweerder geen inzicht heeft getoond in het laakbare van zijn eigen handelen. Daarnaast neemt de raad in overweging dat eerder aan verweerder opgelegde maatregelen niet tot resultaat hebben gehad dat verweerder zijn handelen heeft aangepast, zodat de raad niet verwacht dat van een minder zware maatregel een waarschuwend, dan wel lerend, effect zal uitgaan. Dit alles maakt dat de raad de maatregel van schrapping noodzakelijk acht.

7 KOSTENVEROORDELING 7.1 Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten: a) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en b) € 500,- kosten van de Staat. 7.2 Verweerder moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.1 onder a en b genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 0790 00, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer 22-689/AL/NN/D.

BESLISSING De raad van discipline: - verklaart het dekenbezwaar gegrond; - legt aan verweerder de maatregel van schrapping op, ingaande op de tweede werkdag na het onherroepelijk worden van deze beslissing; - veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3.

Aldus beslist door mr. M.H. van der Lecq, voorzitter, mrs. G.N. Paanakker, M.J.J.M. van Roosmalen, S.H.G. Swennen, H.J. Voors, leden, bijgestaan door mr. M.M. Goldhoorn als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2023.   Griffier                                                                                                Voorzitter

Verzonden d.d. 20 februari 2023