Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

22-03-2021

ECLI

ECLI:NL:TADRAMS:2021:58

Zaaknummer

21-105/A/A

Inhoudsindicatie

Niet gebleken dat het aan de advocaat betaalde bedrag van € 5.000,- enkel was bedoeld voor het voeren van een procedure in hoger beroep. De advocaat heeft werkzaamheden verricht en daarvoor terecht kosten in rekening gebracht. Advocaat heeft voorts voldoende onderbouwd dat zij aanleiding zag om de procedure in eerste aanleg af te ronden zonder beroep tegen de tussenbeslissing in te stellen. Advocaat heeft klaagster na het eindvonnis van de rechtbank gewezen op de risico’s in procedure in hoger beroep en haar geadviseerd daarvan af te zien. Zij heeft zich bovendien bereid verklaard de procedure, conform de gemaakte (financiële) afspraken af te ronden.

Inhoudsindicatie

Klacht kennelijk ongegrond.

Uitspraak

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort  Amsterdam

van  22 maart 2021

in de zaak 21-105/A/A

naar aanleiding van de klacht van:

klaagster

over:

verweerster

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) van 4 februari 2021 met kenmerk 1084036/EJH/AvO en van de op de daarbij gevoegde inventarislijst vermelde stukken 1 t/m  8.

1    FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht wordt, gelet op de stukken, van de volgende feiten uitgegaan.

1.1    Verweerster heeft klaagster bijgestaan in een verdelingsprocedure en in een alimentatiekwestie. In de verdelingsprocedure was door de rechtbank op 6 maart 2019 een tussenvonnis gewezen. Klaagster wenste hoger beroep in te stellen. De voormalige advocaat van klaagster adviseerde klaagster daarvoor naar een andere advocaat te gaan. Klaagster is vervolgens via Facebook in contact gekomen met verweerster. Verweerster heeft klaagster hierna in de verdelingsprocedure tot en met het eindvonnis van de rechtbank van 30 oktober 2019 in de verdelingsprocedure bijgestaan.

1.2    Verweerster heeft op 15 maart 2019 een opdrachtbevestiging aan klaagster toegezonden. Hierin stond de opdracht als volgt geformuleerd:

“Op dit moment dienen er nog werkzaamheden te worden afgerond in de verdelingsprocedure die bij de Rechtbank te Amsterdam aanhangig is. Ik zal de stukken, die ik vandaag heb ontvangen, bestuderen. Daarna zal ik overleg met je hebben over de mogelijkheden die ik nog in deze procedure zie.

Wij hebben afgesproken dat ik, indien nodig, hoger beroep zal instellen van het vonnis in de verdelingsprocedure.

Tot slot heb ik de dossiers opgevraagd bij je voormalige advocaat met betrekking tot de echtscheidingsprocedure. Wij hebben afgesproken dat ik na bestudering van deze dossiers jou zal adviseren ten aanzien van de mogelijkheden om een wijzigingsprocedure voor de (kinder) alimentatie aanhangig te maken.

(…)

Wij hebben afgesproken dat mijn uurtarief €198 bedraagt, vermeerderd met 5 % kantoorkosten en 21 % BTW.

(…)

Wij hebben afgesproken dat ik je maximaal € 5.000 exclusief BTW in rekening zal brengen voor mijn werkzaamheden in bovengenoemde kwesties.”

Klaagster antwoordde hierop per email van 15 maart 2019 als volgt: “Vind je het goed als ik de opdrachtbevestiging aanstaande maandag tijdens onze afspraak om 16 uur onderteken? De aangepaste opdrachtbevestiging is helemaal prima!”

1.3    Verweerster heeft in de verdelingsprocedure op 3 april 2019 een akte tot overlegging producties tevens akte uitlating en op 3 juli 2019 een antwoordakte, tevens akte overlegging producties genomen. De rechtbank heeft op 30 oktober 2019 eindvonnis in de verdelingsprocedure gewezen. Op 15 november 2019 heeft verweerster voormeld vonnis van de rechtbank met klaagster besproken. Verweerster heeft klaagster tijdens dit gesprek gewezen op de kansen en risico’s in hoger beroep.

1.4    Klaagster heeft verweerster bij e-mail van 18 november 2019 het volgende geschreven: “Ik wou je even meedelen dat ik deze hele week tot en met maandag 25-11 afwezig ben en niet bereikbaar zal zijn voor contact via welk medium dan ook. Ik wil je ook vragen om in die tijd van mijn afwezigheid niks te doen qua werkzaamheden en ook niet te reageren mocht de tegenpartij jou iets mailen of jou contacteren. Ik neem zelf na maandag de 25ste contact met je op.”. Daarop heeft verweerster geantwoord dat zij alleen de werkzaamheden zou doen die vrijdag 15 november 2019 waren afgesproken. Hierop heeft klaagster weer geantwoord dat verweerster ook dat niet hoefde te doen. Vervolgens heeft verweerster klaagster onder meer het volgende geschreven: “Wij hebben vrijdag een aantal werkafspraken gemaakt. Wil je niet dat ik op dit moment iets doe vanwege ons gesprek van vrijdag november jl.? Waarin ik aangeef dat ik graag op (…) naar de kosten wil kijken voor de alimentatieprocedure nu je inmiddels wel over financiële middelen beschikt  (…) Ik heb vrijdag duidelijk aangegeven dat ik deze procedure goed afrond. En wat mij betreft ook de andere procedure, ivm alimentatie. Ook heb ik aangegeven dat ik alles in goed overleg met je wil doen, en in alle redelijkheid.(….) Vrijdag jl. hebben we een en ander uitgepraat en ik had de indruk dat we dat in goede harmonie hebben gedaan.”  Daarop heeft klaagster geantwoord dat zij wil nadenken over het voorstel van verweerster om meer betaald te worden. In antwoord hierop heeft verweerster, nog steeds op 18 november 2019, klaagster bericht dat dat prima is, dat zij zoals gezegd de procedure af zal maken en dat, als het problematisch zou zijn nieuwe afspraken te maken, men de discussie zou afsluiten. Hieraan voegde verweerster nog toe dat zij niet wilde dat klaagster er een vervelend gevoel bij had. Verweerster heeft bij brief van 29 november 2019 aan klaagster bevestigd dat klaagster tijdens het gesprek van 15 november 2019 te kennen had gegeven geen hoger beroep te willen instellen van het vonnis van 30 oktober 2019. Verweerster heeft klaagster vervolgens gewezen op de voor de afwikkeling van de verdeling nog te realiseren punten. Zij heeft klaagster op die datum voorts bericht dat zij tot sluiting van het dossier zou overgaan, omdat zij op 25 november 2019 van een medewerkster van het Juridisch Loket had begrepen dat klaagster de samenwerking met het kantoor van verweerster per die datum had beëindigd.

1.5    Bij brief van 12 februari 2020 heeft klaagster bij de deken een klacht ingediend over verweerder. Bij brief van 25 mei 2020 heeft klaagster haar klacht uitgebreid.

2    KLACHT

2.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat:

a.    verweerster, ondanks toezegging daartoe, heeft nagelaten hoger beroep in te stellen en weigert het door klaagster daarvoor betaalde bedrag aan klaagster te restitueren;

b.    verweerster klaagster emotioneel onder druk heeft gezet om meer te betalen dan was afgesproken;

c.    de werkzaamheden van verweerster na het tussenvonnis van 6 maart 2019 zinloos waren omdat daarin over de peildatum al een beslissing was genomen waarop de rechtbank niet meer terug zou kunnen komen.

3    VERWEER

3.1    Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

4    BEOORDELING

vooraf

4.1    Volledigheidshalve en naar aanleiding van de e-mail van klaagster aan mr. O van 14 juli 2020 merkt de voorzitter op dat haar niet is gebleken dat mr. K in de onderhavige procedure optreedt als gemachtigde van klaagster.

de klacht

4.2    De klacht heeft betrekking op de kwaliteit van de dienstverlening van de eigen advocaat. De tuchtrechter heeft gezien het bepaalde in artikel 46 Advocatenwet mede tot taak de kwaliteit van de dienstverlening aan een cliënt te beoordelen indien deze daar over klaagt. Wel zal de tuchtrechter rekening hebben te houden met de vrijheid die de advocaat heeft met betrekking tot de wijze waarop hij een zaak behandelt en met de keuzes - zoals over procesrisico en kostenrisico - waar de advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. De vrijheid die de advocaat heeft met betrekking tot de wijze waarop hij een zaak behandelt en de keuzes waar hij voor kan komen te staan zijn niet onbeperkt, maar worden begrensd door de eisen die aan de advocaat als opdrachtnemer in de uitvoering van die opdracht mogen worden gesteld en die met zich brengen dat zijn werk dient te voldoen aan datgene wat binnen de beroepsgroep als professionele standaard geldt. Tot die professionele standaard behoort het inschatten van de slagingskans van een aanhangig te maken procedure en de cliënt daarover te informeren. De cliënt dient door de advocaat erop gewezen te worden wat in zijn zaak de proceskansen zijn en het kostenrisico is. Voorts dienen procestukken te voldoen aan de redelijkerwijs daaraan te stellen eisen.

Ad onderdeel a

4.3    Uit de opdrachtbevestiging van 15 maart 2019 volgt dat verweerster zou bezien welke mogelijkheden klaagster nog had in de bij de rechtbank aanhangige verdelingsprocedure en dat zij, indien nodig, hoger beroep zou instellen van het vonnis in de verdelingsprocedure. Voor zover hiermee het instellen van hoger beroep tegen het tussenvonnis van 6 maart 2019 werd bedoeld, heeft verweerster, mede aan de hand van de jurisprudentie over de mogelijkheden op het terugkomen op bindende eindbeslissingen, onderbouwd aangevoerd dat er voldoende aanleiding was om een aantal relevante juridische zaken in eerste aanleg nader uit te werken, wat verweerster in overleg met klaagster heeft gedaan. Verweerster heeft in die procedure een tweetal aktes genomen en deze gebruikt om nog zoveel mogelijk zaken aan de orde te stellen in de procedure in eerste aanleg. Verweerster heeft vervolgens het eindvonnis van 30 oktober 2019 met klaagster besproken en haar gewezen op de kansen en risico’s in hoger beroep. Verweerster zag risico’s voor klaagster bij een hoger beroep en heeft klaagster daarom geadviseerd hiervan af te zien. Verweerster heeft haar advies onderbouwd weergegeven en bij brief van 29 november 2019 aan klaagster bevestigd. Verweerster heeft bovendien per e-mail van 18 november 2019 aan klaagster bevestigd de procedure goed af te zullen ronden. Vervolgens heeft klaagster, kennelijk vanwege gebrek aan vertrouwen in verweerster, afgezien van verdere werkzaamheden van verweerster en zich tot een andere advocaat gewenden. Verweerster heeft in de opdrachtbevestiging van 15 maart 2019 haar uurtarief vermeld en de afspraak dat zij voor haar werkzaamheden maximaal € 5.000,- exclusief BTW in rekening zou brengen. De stelling van klaagster dat klaagster een bedrag van €5.000,- exclusief BTW heeft betaald louter voor het instellen van hoger beroep volgt niet uit de in de opdrachtbevestiging tussen partijen vastgelegde financiële afspraken. Verweerster heeft in de verdelingsprocedure en in de alimentatiekwestie werkzaamheden verricht en deze werkzaamheden volgens de gemaakte afspraken in rekening gebracht. Ter zake valt verweerster tuchtrechtelijk geen verwijt te maken.

Ad onderdeel b

4.4    Klaagster en verweerster hebben op 15 maart 2019 financiële afspraken gemaakt. Dat klaagster door verweerster onder druk is gezet om het geld bij haar familie te lenen is door klaagster niet nader onderbouwd. Uit de aan de raad overgelegde stukken is hiervan ook niet gebleken. Verweerster heeft in haar reactie op de klacht bij dupliek naar voren gebracht dat zij tijdens het gesprek op 15 november 2015 aan klaagster de vraag heeft voorgelegd of het, gelet op de gewijzigde financiële situatie van klaagster, nog wel redelijk was om verweerster aan de afspraak te houden dat zij voor haar werkzaamheden in de verdelingszaak en de alimentatiekwestie maximaal € 5.000,- in rekening zou brengen, waarbij zij dacht aan een aanvullend bedrag van € 2.000,- exclusief BTW. Het stond verweerster vrij om dit voorstel aan klaagster voor te leggen, zoals het klaagster eveneens vrijstond om al dan niet op dit voorstel van verweerster in te gaan. Verweerster heeft bovendien in haar e-mails van 18 november 2019 aan klaagster bericht haar werkzaamheden te zullen voltooien en dat indien het voorstel van verweerster bij klaagster tot problemen zou leiden, zij de financiële afspraken zou laten zoals die waren. Niet valt in te zien welk tuchtrechtelijk verwijt verweerster hiervan valt te maken.

Ad onderdeel c

4.5    De voorzitter volgt klaagster niet in haar stelling dat verweerster na het tussenvonnis van de rechtbank van 6 maart 2019 in de verdelingsprocedure zinloze werkzaamheden heeft verricht. Verweerster heeft dit gemotiveerd betwist en, zoals hiervoor overwogen, onderbouwd weergegeven op grond waarvan zij in overleg met klaagster ervoor heeft gekozen om te proberen de rechter in eerste aanleg te overtuigen, welke aanpak de voorzitter niet onbegrijpelijk voorkomt. Verweerster heeft terecht aangevoerd dat de appeltermijn van een tussenvonnis gaat lopen op het moment dat eindvonnis is gewezen. Dit ligt anders ten aanzien van een deelvonnis, maar daarvan was in de zaak van klaagster geen sprake. De voorzitter volgt klaagster niet in haar stelling dat verweerster de belangen van klaagster heeft geschaad en in de verdelingsprocedure zinloze werkzaamheden heeft verricht. Ook hiervan valt verweerster tuchtrechtelijk geen verwijt te maken. 

4.6    Op grond van het voorgaande zal de voorzitter de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet in alle onderdelen kennelijk ongegrond verklaren.

BESLISSING

De voorzitter verklaart:

de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, in alle onderdelen kennelijk ongegrond.

Aldus beslist door mr. P.M. Wamsteker, plaatsvervangend voorzitter, met bijstand van mr. I.J.M. Huysmans-van Opstal, als griffier op 22 maart 2021

Griffier     Voorzitter

mededelingen van de griffier ter informatie:

Deze beslissing is in afschrift verzonden.