Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

05-02-2021

ECLI

ECLI:NL:TAHVD:2021:26

Zaaknummer

200068

Inhoudsindicatie

Klacht over advocaat wederpartij in familierechtelijke procedure. De klacht van klager dat verweerster haar verweerschrift niet gelijktijdig aan de rechtbank als aan zijn advocaat heeft toegezonden wordt ongegrond verklaard, bij gebrek aan feitelijke grondslag daarvoor. Klacht ongegrond.

Uitspraak

BESLISSING                               

van 5 februari 2021

in de zaak 200068

naar aanleiding van het hoger beroep van:

klager

tegen:

verweerster

 

1    DE PROCEDURE BIJ DE RAAD

Het hof verwijst naar de beslissing van 10 februari 2020 van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag (verder: de raad) (zaaknummer: 19-683/DH/DH). In deze beslissing is van de klacht van klager klachtonderdeel a) ongegrond en klachtonderdeel b) gegrond verklaard. Aan verweerster is de maatregel van waarschuwing opgelegd en verweerster is veroordeeld in de betaling van het griffierecht en de proceskosten.

De beslissing van de raad is gepubliceerd op tuchtrecht.nl onder ECLI:NL:TADRSGR:2020:38.

 

2    DE PROCEDURE BIJ HET HOF

2.1    Het beroepschrift van klager tegen deze beslissing is op 9 maart 2020 ontvangen door de griffie van het hof.

2.2    Verder bevat het dossier van het hof:

-    de stukken van de raad;

-    het verweerschrift d.d. 6 april 2020 van verweerster;

-    de brief d.d. 11 november 2020 van verweerster dat zij niet ter zitting zal verschijnen met bijgevoegd een bewijs van uitschrijving van het tableau;

-    het e-mailbericht d.d. 2 december 2020 van mr. L. Schonewille dat zij als gemachtigde van klager optreedt.

 

2.3    Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 4 december 2020. Daar verscheen klager met zijn gemachtigde. De gemachtigde van klager heeft pleitaantekeningen aan het hof verstrekt.

 

3    KLACHT

3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat zij:

a) het op 3 mei 2019 bij de rechtbank ingediende verweerschrift niet ook per gelijke post aan klagers advocaat heeft verzonden, waardoor klagers advocaat dit stuk pas op 8 mei 2019 heeft ontvangen;

b) (…).

 

4    FEITEN

Voor zover in beroep van belang, stelt het hof de volgende feiten vast.

4.1    Klager is met zijn ex-partner verwikkeld in een familierechtelijke procedure ex art. 1:253a BW met betrekking tot de zorgregeling van het minderjarige kind van klager en zijn ex-partner. Verweerster staat de ex-partner van klager bij. In deze door klager gestarte procedure over de zorgverdeling heeft verweerster – kort gezegd – een verweerschrift met een zelfstandig verzoek (hierna: het verweerschrift) naar de rechtbank Den Haag (hierna: de rechtbank) en de advocaat van klager gestuurd. Verweerster heeft in het verweerschrift opgenomen tot welke uitbreiding van de zorgverdeling haar cliënte bereid zou zijn ten opzichte van de zorgverdeling zoals deze was opgenomen in het concept ouderschapsplan. Als bijlage bij het verweerschrift heeft verweerster het concept ouderschapsplan overgelegd.

4.2    De rechtbank heeft het verweerschrift ontvangen en daarop de ontvangstdatum 3 mei 2019 gestempeld.

4.3    Op 8 mei 2019 heeft de advocaat van klager het verweerschrift ontvangen.

 

5    BEOORDELING

Beoordeling raad

5.1    Voor zover in beroep van belang, heeft de raad als volgt geoordeeld. De raad heeft op basis van de dossierstukken en de ter zitting afgelegde verklaringen vastgesteld dat het verweerschrift niet gelijktijdig bij de rechtbank en de advocaat van klager is aangekomen. De raad heeft aannemelijk geacht dat daarbij geen sprake was van kwade wil van verweerster en dat het de bedoeling was van verweerster dat het verweerschrift gelijktijdig bij de rechtbank en klagers advocaat zou worden bezorgd. Nadat bleek dat het verweerschrift niet gelijktijdig was aangekomen, heeft verweerster haar excuses aangeboden, getracht te achterhalen wat er verkeerd was gegaan en maatregelen genomen om ervoor te zorgen dat dit in de toekomst niet meer zal gebeuren. Hoewel verweerster verantwoordelijk is voor de wijze waarop zij het verweerschrift heeft laten bezorgen en de controle van verweerster op de postbezorging door het door haar ingeschakelde bedrijf wellicht beter had gekund, is de raad van oordeel dat haar van de niet gelijktijdige bezorging van het verweerschrift geen tuchtrechtelijk verwijt als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet kan worden gemaakt. De raad heeft klachtonderdeel a ongegrond verklaard.

Beroepsgrond

5.2    Klager heeft in beroep aangevoerd dat het oordeel van de raad op aannames is gebaseerd en geen feitelijke grondslag heeft. Daarbij heeft de raad ten onrechte overwogen dat verweerster direct excuses had gemaakt, aangezien zij dit pas in de tuchtprocedure heeft gedaan. Verder is door verweerster geen klacht ingediend bij het postbezorgingsbedrijf. Klager is van mening dat aan de zijde van verweerster wel degelijk sprake is geweest van kwade wil, gezien haar slotpleidooi ter zitting van de raad. Klager is van mening dat klachtonderdeel a gegrond is en aan verweerster de maatregel van berisping moet worden opgelegd. Ter zitting van het hof is door de gemachtigde van klager aangevoerd dat verweerster het beginsel van fair play heeft geschonden doordat zij de advocaat van klager niet tijdig in de gelegenheid heeft gesteld zich voor te bereiden op het verzoek in het verweerschrift van verweerster.

Verweer in beroep

5.3    Verweerster heeft gemotiveerd verweer gevoerd in beroep. Dat verweer wordt bij de beoordeling besproken voor zover van belang.

Toetsingskader

5.4    Ingevolge Regel 21 lid 1 van de Gedragsregels 2018 is het de advocaat niet geoorloofd zich in een aanhangig geding anders dan tezamen met de advocaat van de wederpartij tot de rechter te wenden, tenzij schriftelijk en met gelijktijdige toezending van een afschrift van de mededeling aan de advocaat van de wederpartij en voorts zo tijdig dat die advocaat voldoende gelegenheid heeft om op de mededeling te reageren. De tuchtrechter is bij de toetsing aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen niet gebonden aan de gedragsregels maar die regels kunnen, gezien het open karakter van de wettelijke normen, ter invulling van deze normen wel van belang zijn. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen, hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld (vgl. HvD 21 september 2020, ECLI:NL:TAHVD:2020:195).

Beoordeling – gelijktijdige toezending

5.5    Deze gedragsregel is gericht op een gelijktijdige toezending van stukken en betreft dus niet, zoals de raad bij de beoordeling van de klacht kennelijk als uitgangspunt heeft genomen, gelijktijdige bezorging van het verweerschrift bij de rechtbank en de advocaat van klager.

5.6    Nu klager zich op het standpunt stelt dat verweerster haar verweerschrift niet gelijktijdig heeft toegezonden aan de rechtbank en aan zijn advocate, ligt het op zijn weg dit te onderbouwen. In dit verband is het volgende aangevoerd door klager. De rechtbank heeft aan klager bevestigd dat het verweerschrift door de rechtbank is geregistreerd en gestempeld met de ontvangstdatum 3 mei 2019. Het postbezorgingsbedrijf stempelt de stukken op het moment dat zij de stukken in ontvangst neemt. De envelop van het door zijn advocaat ontvangen verweerschrift is gestempeld op 6 mei 2019. In dit verband heeft klager een afschrift overgelegd van een (niet nader te duiden) envelop met daarop gestempeld de datum 6 mei 2019.

Tegenover deze motivering van klager staat de stelling van verweerster dat zij het verweerschrift pas voor verzending heeft aangeboden op 3 mei 2019. Zij heeft in eerste aanleg een overzicht van de bij het postbezorgingsbedrijf ingeboekte zendingen van haar kantoor overgelegd, waaruit blijkt dat haar kantoor op 30 april 2019 een stuk heeft aangeboden, vervolgens op 3 mei 2019 drie stukken heeft aangeboden daarna pas weer op 9 mei 2019 een stuk heeft aangeboden aan het postbezorgingsbedrijf. Hieruit concludeert het hof dat beide stukken voor verzending moeten zijn aangeboden op 3 mei 2019.

5.7    Het hof is op basis van de overgelegde stukken van oordeel dat de stelling van klager dat verweerster het verweerschrift niet gelijktijdig heeft toegezonden aan de rechtbank en zijn advocaat onvoldoende is onderbouwd. Daaraan voegt het hof, zoals ook ter zitting, toe dat het enkele feit dat de rechtbank de ontvangstdatum van het verweerschrift heeft vastgesteld op 3 mei 2019 niet betekent dat verweerster het verweerschrift niet gelijktijdig aan de rechtbank en de advocaat van klager heeft gestuurd op 3 mei 2019. Zo is het hof ambtshalve bekend dat sommige rechtbanken de stukken die in het weekend in de brievenbus zijn ontvangen op maandagochtend zekerheidshalve stempelen voor ontvangst op de voorgaande werkdag, in dit geval zijnde 3 mei 2019.

5.8    Het hof komt gezien het voorgaande tot de conclusie dat klachtonderdeel a niet is bewezen en derhalve ongegrond verklaard dient te worden wegens gebrek aan een feitelijke grondslag. De overige stellingen die klager in beroep heeft aangevoerd, aangaande de klacht bij het postbezorgingsbedrijf, de excuses en gestelde kwade wil, komen niet aan de orde nu de klacht reeds wegens gebrek aan een feitelijke grondslag ongegrond is verklaard.

    BESLISSING

Het Hof van Discipline:

- bekrachtigt de beslissing van 10 februari 2020 van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag, gewezen onder nummer 19-683/DH/DH, voor zover die aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Aldus gewezen door mr. A.M.J.G. van Amsterdam, voorzitter, mrs. G. Creutzberg en P.J.G. van den Boom, leden, in tegenwoordigheid van mr. L.E. Verwey, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 5 februari 2021.

 

griffier    voorzitter            

De beslissing is verzonden op 5 februari 2021.