Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

16-12-2019

ECLI

ECLI:NL:TAHVD:2019:218

Zaaknummer

190057

Inhoudsindicatie

Hoger beroep ingesteld door verweerder tegen gedeeltelijk gegrond verklaarde klacht. Tijdens de mondelinge behandeling van de zaak door het hof hebben partijen nadere afspraken gemaakt. Deze afspraken zijn na de zitting schriftelijk door partijen aan het hof bevestigd. Verweerder doet daarbij een aantal toezeggingen en klager geeft aan de klacht alsnog te willen intrekken. Het hof ziet ervan af om de deken te vragen of hij de klacht wenst voort te zetten om redenen van algemeen belang. Het hof vernietigt de beslissing van de raad en verstaat dat op de klacht niet hoeft te worden beslist.

Uitspraak

BESLISSING

van 16 december 2019

in de zaak 190057

naar aanleiding van het hoger beroep van:

verweerder

tegen:

klaagster

 

1    HET GEDING IN EERSTE AANLEG

Het hof verwijst naar de beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden (verder: de raad) van 14 januari 2019, gewezen onder nummer 18-712. Deze beslissing is op 14 januari 2019 aan partijen toegezonden. In deze beslissing is klachtonderdeel a.) ongegrond verklaard en is klachtonderdeel b.) gegrond verklaard.  Aan verweerder de maatregel van berisping opgelegd. Voorts is verweerder veroordeeld tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klaagster en is verweerder veroordeeld tot betaling van de proceskosten van € 1.000,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten.

Deze beslissing is gepubliceerd op tuchtrecht.nl als ECLI:NL:TADRARL:2018:289.

 

2    HET GEDING IN HOGER BEROEP

2.1    Het beroepschrift waarbij verweerder van deze beslissing van de raad in hoger beroep is gekomen, is op 13 februari 2019 zowel per e-mail als per fax door de griffie van het hof ontvangen.

2.2    Het hof heeft voorts kennisgenomen van:

-    het dossier van de raad;

-    het verweerschrift met bijlagen van de gemachtigde van klaagster, mr. T. Polak, van 16 april 2019.

2.3    De eerste mondelinge behandeling vond plaats op 28 juni 2019, waarbij alleen [werknemer klaagster] namens klaagster, bijgestaan door mr. T.D. Polak, zijn verschenen.

2.4    Toen is geconstateerd dat klaagster en de leden van het hof pas diezelfde ochtend kennis hebben genomen van de mail van 17 juni 2019 van verweerder waaruit bleek dat hij niet op de mondelinge behandeling zou verschijnen. Na overleg met klaagster is besloten de behandeling van de zaak aan te houden, omdat zowel het hof als klaagster het belangrijk vinden dat verweerder tijdens de mondelinge behandeling aanwezig is.

2.5    Het hof heeft de zaak vervolgens mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 7 oktober 2019. Verweerder is verschenen en heeft woord gevoerd. Namens klaagster is verschenen [werknemer klaagster], met als gemachtigden mrs. T.D. Polak en M. Kremer, waarbij eerstgenoemden het woord hebben gevoerd.

 

3    KLACHT

De klacht houdt, zakelijk weergegeven en voor zover in hoger beroep nog aan de orde, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat:

a)  (…)

b) verweerder [werknemer klaagster], werkzaam bij klaagster, in diskrediet heeft gebracht, zowel bij de erven van [cliënt verweerder] als bij het Hof van Discipline. In genoemde e-mail insinueert verweerder allerlei zaken die onjuist zijn en die niet onderbouwd zijn met feiten. Hij beticht [werknemer klaagster] van liegen en manipuleren. Dat heeft hij als zeer grievend ervaren.

 

4    BEOORDELING

4.1    Bij de voortgezette mondelinge behandeling van de zaak door het hof hebben partijen nadere afspraken gemaakt die door de voorzitter als volgt zijn samengevat:

Ten aanzien van verweerder:

hij onderneemt geen verdere actie tegen [cliënt verweerder];

hij stelt geen verzet in tegen de voorzittersbeslissing in de zaak van de heer Kremer;

hij trekt de klacht over de heer Polak in;

hij onderneemt geen actie richting [werknemer klaagster];

hij stelt geen civiele actie of claim in tegen [klaagster];

Ten aanzien van klaagster:

zij geeft te kennen dat zij alsnog de klacht tegen verweerder wenst in te trekken en gaat ermee akkoord dat de beslissing van de raad alsnog wordt vernietigd en dat gelet op de gemaakte afspraken.

Procedureafspraken

Verweerder en klaagster zullen deze afspraken nader schriftelijk vastleggen en aan het hof toesturen. Verweerder krijgt daarvoor een termijn van twee weken voor het opstellen van deze brief. Klaagster krijgt hierop een termijn van drie weken, zodat het college de gelegenheid heeft om de afspraken goed te keuren.

Binnen zes weken sturen verweerder en klaagster een gezamenlijke brief aan het hof met de uitkomsten van de afspraken.

4.2    Ter uitvoering van de gemaakte afspraken hebben partijen het hof bij e-mails van 11 december 2019 van mr. Polak namens klaagster en van verweerder bericht dat deze nadere afspraken zijn gemaakt en daarbij zijn de uitkomsten vermeld.

4.3    Het hof heeft vervolgens om proceseconomische redenen ervan afgezien de deken te vragen of hij de klacht wenst voort te zetten om redenen van algemeen belang. De rechtvaardiging voor het achterwege laten van deze stap is gelegen in de omstandigheid dat de deken bij de doorzending van de klacht aan de raad bij brief van 27 februari 2018 heeft overwogen dat een minnelijke regeling ex artikel 46d uiteindelijk niet is beproefd, waaruit het hof afleidt dat deze afdoening bij de deken niet op bezwaren stuit.

4.4    Naar het oordeel van het hof zijn in deze zaak bepaald geen omstandigheden aanwezig die voortzetting als bedoeld in artikel 47a in samenhang met artikel 57 Advocatenwet vergen. Het hof zal de beslissing van de raad vernietigen en verstaan dat op de klacht niet behoeft te worden beslist.

 

BESLISSING

Het Hof van Discipline:

-    vernietigt de beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden van 14 januari 2019, gewezen onder nummer 18-172;

-    verstaat dat op de klacht niet hoeft te worden beslist.

 

Aldus gewezen door mr. T. Zuidema, voorzitter, mrs. L. Ritzema, G. Creutzberg, W.F. Boele en R.N.E. Visser, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Bijleveld, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 16 december 2019.

griffier            voorzitter

De beslissing is verzonden op 16 december 2019.