Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

21-12-2020

ECLI

ECLI:NL:TADRAMS:2020:289

Zaaknummer

20-649/A/A

Inhoudsindicatie

Deels gegronde klacht over de eigen advocaat. Verweerder heeft klaagster niet gewezen op de en de klachtplicht ex artikel 6:89 BW en haar onvoldoende gewezen op de goede en kwade kansen van een procedure. Dit valt hem tuchtrechtelijk te verwijten. Waarschuwing en kostenveroordeling.

Uitspraak

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam

van 21 december 2020

in de zaak 20-649/A/A

naar aanleiding van de klacht van:

klaagster

gemachtigde: mr. J.L.W. Nillesen

over:

verweerder

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1    Op 30 oktober 2019 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.

1.2    Op 28 augustus 2020 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2018-1029577/EJH/Avo/DR van de deken ontvangen.

1.3    De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 23 november 2020. Daarbij waren klaagster en haar gemachtigde en verweerder aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

1.4    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 4 en I tot en met IV.

2    FEITEN

2.1    Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.

2.2    Klaagster heeft verweerder in 2015 verzocht om juridische bijstand in verband met een vordering die zij stelde te hebben op de verkoper van de woning die zij in 1999 voor f 309.000,- had gekocht. De woning was destijds nog in aanbouw, de verkoper had de grond gekocht van de gemeente Almere en liet daarop een woning bouwen door een aannemer.

2.3    De woning is in 2000 aan klaagster geleverd. In 2015 heeft klaagster ontdekt dat de verkoper voor de woning een koop-/aanneemsom had betaald van f186.500,-. Klaagster voelde zich daardoor ernstig benadeeld en wenste haar schade verhalen op de verkoper, dan wel de makelaar dan wel de notaris dan wel de bank die haar de hypothecaire lening had verstrekt.

2.4    Bij brief van 19 augustus 2015 heeft verweerder klaagster onder meer geschreven:

“Ik ben ervan uitgegaan dat een verkoopprijs van f 189.000,00 (…) een redelijke verkoopprijs was voor de verkoop aan u. Zoals besproken is dit een aanname; in die tijd was het heel gewoon dat een woning die werd gekocht op basis van een koop-/aanneemovereenkomst op een moment dat hij nog moest worden gebouwd, veel meer waard was zodra hij klaar was. (…) U moet er dan ook rekening mee houden, dat het enkele feit dat u (veel) meer voor de woning heeft betaald, dan [de verkoper] enkele maanden eerder, op zichzelf ook kan worden verklaard door destijds gebruikelijke prijsstijgingen. In dat geval zal uw beroep op dwaling, bedrog en misbruik van omstandigheden, zoals opgenomen in mijn brief aan [de verkoper], niet opgaan. De rechter zal hierover moeten oordelen.

Daarbij komt dat u destijds ook op andere manieren erachter had kunnen komen dat de door u te betalen koopprijs van f 309.000,00 veel hoger lag dan de prijs van de overige woningen in uw directe omgeving. (…) op u als koper rust een onderzoeksplicht. Dat zal aan u in een eventuele rechtszaak ook door de andere partij(en) worden tegengeworpen. (…)

Zoals besproken zie ik voor u vordering jegens [de verkoper] risico’s in verband met uw hierboven genoemde onderzoeksplicht; ten aanzien van de notaris leid ik uit de op deze en dergelijke zaken toepasselijke jurisprudentie af, dat deze niet onrechtmatig jegens u heeft gehandeld, omdat op hem geen plicht rust u te informeren over het verschil tussen de door u en door [de verkoper] betaalde aankoopprijs. Daarbij speelt de geheimhoudingsplicht die de notaris heeft een belangrijke rol.

Ten aanzien van de makelaar geldt dat ik weliswaar in de jurisprudentie geen directe aanknopingspunten heb kunnen vinden voor aansprakelijkheid, maar dat het wel gaat om een zodanig groot prijsverschil dat hij, mede gezien zijn eerdere opdrachten voor [het bouwbedrijf], waardoor hij met het prijsverschil op de hoogte was, u toch had moeten inlichten.

Ik heb met u besproken dat u in geval van het verliezen van een gerechtelijke procedure waarschijnlijk zult worden veroordeeld in de proceskosten, die kunnen oplopen tot € 1.500,00 ἀ € 2.000,00 per procespartij.

Wij bespraken,, dat ik u in deze zaak graag wil bijstaan ; dat betekent dat ik bereid ben voor u een rechtszaak op te starten tegen de drie genoemde partijen. (…)

Zoals besproken verwacht ik niet dat de aansprakelijkheid zal worden erkend of dat betalingen zullen worden verricht, zodat er geen andere weg is dan het opstarten van een gerechtelijke procedure. Daarvoor zal ik een dagvaarding opstellen”

2.5    Verweerder heeft vervolgens op 24 augustus 2015 de verkoper, de makelaar en de notaris aansprakelijk gesteld. Geen van deze partijen heeft aansprakelijkheid erkend. In augustus 2016 heeft verweerder ook de bank die aan klaagster een hypothecaire geldlening had verstrekt aansprakelijk gesteld. Ook de bank heeft aansprakelijkheid afgewezen.

2.6    Verweerder heeft de in 2.5 genoemde partijen gedagvaard voor de rechtbank Midden-Nederland en gevorderd hen te veroordelen tot betaling aan klaagster van een bedrag van € 57.717,21.

2.7    De makelaar heeft bij conclusie van antwoord een beroep gedaan op de exeptio plurium litis consortium, omdat de mede-eigenaar van de woning niet in de procedure is betrokken. Bij vonnis van 17 januari 2018 heeft de rechtbank klaagster toegestaan om de mede-eigenaar als partij in de procedure op te roepen en iedere verdere beslissing aangehouden.

2.8    Bij vonnis van 6 februari 2019 heeft de rechtbank de vordering van klaagster afgewezen, omdat klaagster de klachtplicht als bedoeld in artikel 6:89 Burgerlijk Wetboek heeft geschonden.

2.9    Op 3 mei 2019 heeft verweerder namens klaagster op nader aan te voeren gronden hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 6 februari 2019.

2.10    Bij brief van 6 mei 2019 heeft verweerder klaagster onder meer geschreven:

“U heeft mij aangegeven dat u hoger beroep wenst in te stellen tegen het vonnis (…) van 6 februari 2019. Op uw verzoek heb ik de 4 wederpartijen aangeschreven, met de vraag of zij wilde instemmen met betaling van een bedrag van € 10.000 in totaal aan u; kopieën van die brieven heb ik aan u toegezonden.

(…)

Op uw verzoek heb ik een dagvaarding in hoger beroep laten uitbrengen, en wel tegen de datum van 30 juli 2019, zoals we telefonisch hebben besproken.

Dit betekent, dat u in beginsel tot die datum, dus nu nog 2 maanden en 3 weken, de tijd heeft een andere advocaat te zoeken die het hoger beroep voor u inhoudelijk gaat behandelen. We hebben telefonisch besproken dat ikzelf de inhoudelijke behandeling van uw hoger beroep niet op me zal nemen. Bij brief van 23 april 2019 heb ik dat ook nog schriftelijk bevestigd.

Ik heb voor u toevoeging aangevraagd voor het hoger beroep (…)

De eigen bijdragen die u aan mij verschuldigd bent voor de toevoeging zal ik niet aan u in rekening brengen. Uw nieuwe advocaat, die de zaak inhoudelijk gaat behandelen, kan de toevoeging op zijn naam laten overzetten. U kunt daarbij mededelen dat ik geen aanspraak zal maken op verrekening van de door mij in de zaal besteedde uren, zodat in dat geval de volledige vergoeding voor de toevoeging aan uw nieuwe advocaat zal toekomen.”

3    KLACHT

3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerder het volgende.

a)    Verweerder heeft klaagster onvoldoende gewezen op de risico’s verbonden aan het voeren van een procedure, waaronder het risico verbonden aan de exeptio plurium litis consortium en het risico verbonden aan de klachtplicht ex artikel 6:89 BW.

b)    Verweerder heeft klaagster onvoldoende gewezen op de goede en kwade kansen van een procedure.

c)    Verweerder heeft klaagster de mogelijkheid ontnomen om tot een schikking te komen.

4    VERWEER

4.1    Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

5    BEOORDELING

5.1    De raad stelt voorop dat bij de beoordeling van de kwaliteit van de dienstverlening aan een cliënt rekening moet worden gehouden met de vrijheid die de advocaat heeft met betrekking tot de wijze waarop hij een zaak behandelt en met de keuzes - zoals over procesrisico en kostenrisico - waar de advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Deze vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door de eisen die aan de advocaat als opdrachtnemer in de uitvoering van die opdracht mogen worden gesteld en die met zich brengen dat zijn werk dient te voldoen aan datgene wat binnen de beroepsgroep als professionele standaard geldt.

5.2    Tot die professionele standaard behoort het inschatten van de slagingskansen van een aanhangig te maken procedure, het wijzen op risico’s van de verschillende mogelijkheden en het daarover informeren van de cliënt. De raad zal de klacht aan de hand van deze maatstaven beoordelen.

Klachtonderdeel a)

5.3    In klachtonderdeel a) verwijt klaagster verweerder dat hij haar onvoldoende heeft gewezen op de risico’s verbonden aan het voeren van een procedure, waaronder de risico’s verbonden aan de exeptio plurium litis consortium en de klachtplicht ex artikel 6:89 BW.

5.4    Verweerder heeft erkend dat hij klaagster hierover niet heeft geïnformeerd. Dat had wel van hem als redelijk handelend en redelijk bekwaam advocaat verwacht mogen worden. Doordat de wederpartijen van klaagster zich hebben beroepen op de exeptio plurium litis consortium heeft de procedure vertraging opgelopen en leverde dit extra kosten op. Verweerder wist dat klaagster en haar zwager samen eigenaar waren van de woning en hij had klaagster daar dan ook op moeten wijzen. Het beroep door de wederpartijen van klaagster op de klachtplicht ex artikel 6:89 BW heeft geleid tot afwijzing van de vorderingen van klaagster. Verweerder had, gelet op het feit dat de koopovereenkomst dateerde van 15 jaar terug, kunnen en zelfs moeten weten dat door de wederpartijen een beroep zou worden gedaan op de klachtplicht dan wel op verjaring en had klaagster daarover moeten informeren. Dat hij dit niet heeft gedaan valt hem tuchtrechtelijk te verwijten. Klachtonderdeel a) is dan ook gegrond.

Klachtonderdeel b)

5.5    Klaagster verwijt verweerder in dit klachtonderdeel dat hij haar voorafgaand aan de procedure onvoldoende heeft gewezen op de goede en kwade kansen van de procedure.

5.6    Uit het klachtdossier en hetgeen op de zitting is besproken volgt dat verweerder de slagingskansen van de door klaagster gewenste procedure zeer laag achtte. Naar het oordeel van de raad heeft verweerder dat onvoldoende duidelijk aan klaagster kenbaar gemaakt. Verweerder heeft klaagster in zijn brief van 19 augustus 2015 weliswaar gewezen op een aantal hobbels die genomen zouden moeten worden, maar verweerder had klaagster stelliger moeten wijzen op de geringe slagingskansen van een procedure. Dat geldt temeer in het geval het gaat om een cliënt die heel graag wil procederen, zoals bij klaagster het geval was. Dat heeft verweerder, ook na 19 augustus 2015, niet gedaan. Verweerder had klaagster voorts moeten wijzen op de proceskosten die klaagster bij verlies van de procedure zou moeten betalen. Verweerder heeft klaagster er in zijn brief van 19 augustus 2015 weliswaar op gewezen dat zij rekening diende te houden met € 1.500,- ἀ € 2.000,- aan proceskosten per partij, maar die inschatting was onjuist, nu alleen al het griffierecht van drie van de vier partijen € 2.000,- bedroeg. Klachtonderdeel b) is eveneens gegrond.

Klachtonderdeel c)

5.7    In dit klachtonderdeel verwijt klaagster verweerder dat hij haar de mogelijkheid heeft ontnomen om tot een schikking te komen met de wederpartijen. Volgens klaagster heeft verweerder de rechter op de tweede comparitie, zonder overleg met haar, meegedeeld dat zij niet wilde schikken. Verweerder heeft dit betwist. Volgens verweerder heeft hij op de tweede comparitie slechts gezegd dat schikken geen zin had omdat de wederpartijen daartoe niet bereid waren. Nu de zienswijzen van partijen over hetgeen tijdens de tweede comparitie is gezegd uiteenlopen en de raad niet beschikt over het proces-verbaal of de zittingsaantekeningen van de tweede comparitie, kan de raad niet vaststellen dat verweerder op de zitting heeft gezegd dat klaagster niet wilde schikken. Klachtonderdeel c) is daarom ongegrond.

6    MAATREGEL

6.1    Verweerder heeft klaagster niet gewezen op de en de klachtplicht ex artikel 6:89 BW en haar onvoldoende gewezen op de goede en kwade kansen van een procedure. Dit valt hem tuchtrechtelijk te verwijten. De raad acht in de gegeven omstandigheden een waarschuwing passend en geboden. Bij de hoogte van de maatregel heeft de raad meegewogen dat verweerder op de zitting van de raad inzicht heeft getoond in zijn eigen handelen.

7    GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING

7.1    Omdat de raad de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart, moet verweerder op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klaagster betaalde griffierecht van € 50,- aan haar vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.

7.2    Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder daarnaast op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:

a) € 25,- reiskosten van klaagster

b) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en

c) € 500,- kosten van de Staat.

7.3    Verweerder moet het bedrag van € 25,- aan reiskosten binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, betalen aan klaagster. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.

7.4    Verweerder moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder b en c genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.

BESLISSING

De raad van discipline:

-    verklaart klachtonderdelen a) en b) gegrond;

-    verklaart klachtonderdeel c) ongegrond;

-    legt aan verweerder de maatregel van waarschuwing op;

-    veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klaagster;

- veroordeelt verweerder tot betaling van de reiskosten van € 25,- aan klaagster, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3;

-    veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.4.

Aldus beslist door mr. E.J. van der Molen, voorzitter, mrs. P. van Lingen en C.C. Oberman, leden, bijgestaan door mr. S. van Excel als griffier en uitgesproken in het openbaar op 21 december 2020.

Griffier    Voorzitter

Verzonden op 21 december 2020

mededelingen van de griffier ter informatie:

Verzending

Deze beslissing is in afschrift gelijktijdig verzonden.