Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

20-07-2020

ECLI

ECLI:NL:TADRAMS:2020:163

Zaaknummer

20-299/A/A

Inhoudsindicatie

Gegronde klacht over de eigen advocaat. Verweerder heeft het neerleggen van de opdracht van klaagster niet op zorgvuldige wijze gedaan. Hij heeft klaagster vervolgens belemmerd in het indienen van een interne klacht hierover door haar geen kopie van den kantoorklachtenregeling te verstrekken. Ook heeft verweerder klaagster belemmerd in het vinden van een opvolgend advocaat door haar mee te delen dat hij gebruik zal maken van zijn recht om de opvolgend advocaat niet toe te staan werkzaamheden in het dossier te verrichten totdat de eigen bijdrage is voldaan, en dat in een zaak waarin spoed geboden was. Berispring en kostenveroordeling.

Uitspraak

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam

van 20 juli 2020

in de zaak 20-299/A/A

naar aanleiding van de klacht van:

klaagster

over:

verweerder

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1    Op 25 november 2019 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.

1.2    Op 23 april 2020 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 1040662/EJH/YH van de deken ontvangen.

1.3    De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 15 juni 2020. Daarbij waren klaagster en verweerder aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

1.4    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 11.

2    FEITEN

2.1    Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.

2.2    Verweerder heeft klaagster op toevoegingsbasis bijgestaan in vier zaken; een strafzaak, een zaak tegen de Rabobank, een zaak tegen haar ex-echtgenoot (hierna: de man) en een arbeidszaak.

2.3    In de arbeidszaak heeft verweerder op 1 februari 2019 namens klaagster een brief aan de werkgever van klaagster gestuurd waarin hij de werkgever heeft gesommeerd het salaris tot en met januari 2019 te voldoen en op 11 februari 2019 de laatste salarisbetaling te verrichten.

2.4    De zaak tegen de man zag onder meer op de boedelverdeling na echtscheiding en de kinderen. Klaagster en de man hebben op 19 december 2018 een overeenkomst gesloten waarin onder meer is opgenomen dat zij twee jaar lang geen procedures tegen elkaar aanhangig zouden maken. Volgens klaagster hield de man zich niet aan de bepalingen van de overeenkomst. Bij e-mail van 6 mei 2019 heeft verweerder klaagster hierover geschreven:

“Beide zaken zijn verwezen naar 7 oktober 2019 om de rechter te informeren over de stand van zaken, met een formulier kunnen beide zaken naar een eerdere datum gehaald worden voor een zitting.”

2.5    Op 22 mei 2019 heeft de Raad voor Rechtsbijstand in de arbeidszaak, na peiljaarverlegging, een toevoeging verleend en het bedrag van de eigen bijdrage op € 145,- gesteld.

2.6    Bij e-mail van 27 mei 2019 heeft verweerder klaagster geschreven:

“Als er niet is betaald wordt aan uw zaak niet gewerkt, die werkzaamheden zijn al maanden geleden gestart!”

2.7    Klaagster heeft verweerder hierop bij e-mail van eveneens 27 mei 2019 geschreven:

“Ik vraag u nu nogmaals wanneer u start met de procedure.

Er is geen discussie over dat u gaat starten nadat de declaratie is betaald. Dat heeft u reeds vele malen aan mij gezegd en gemaild.

Wanneer kunt u met de procedure starten, na betaling declaratie, en wanneer verwacht u dat dit bij de rechtbank ligt dan.

De zaak was duidelijk voor u.”

2.8    Bij e-mail van 29 mei 2019 heeft verweerder klaagster geschreven:

“In [de arbeidszaak] zijn wij niet verder tot elkaar gekomen.

Ik zie geen basis meer voor een vertrouwensrelatie cliente/advocaat en ik leg mijn werkzaamheden dan ook neer en geef de opdracht terug.

U kunt een andere advocaat verzoeken uw belangen verder te behartigen , dit geldt tevens voor de alimentatie/boedelscheiding.”

2.9    Bij e-mail van 6 augustus 2019 heeft klaagster verweerder een aantal vragen gesteld. Op 7 en 8 augustus 2019 heeft klaagster verweerder een rappel gestuurd. Bij e-mail van 12 augustus 2019 heeft klaagster verweerder onder meer gevraagd een verzoek bij de rechtbank in te dienen om de zaak over de boedelverdeling los te koppelen van de zaak over de kinderen. Op 14 en 19 augustus 2019 heeft klaagster verweerder een rappel gestuurd.

2.10    Bij e-mail van 22 augustus 2019 heeft verweerder klaagster onder meer geschreven:

“In de zaak met betrekking tot de kinderen waarin [mr. S] u bijstaat alsmede zaak met betrekking tot alimentatie en verdeling van de huwelijksgemeenschap zou in april 2019 een zitting in plaatsvinden. Op uw verzoek is daarvoor uitstel verzocht, u gaf daarvoor grond aan dat u een overeenkomst heeft met [de man] om de komend 2 jaar geen rechtszaken te voeren.

De rechtbank verwacht voor 7 oktober 2019 een bericht van partijen waarin zij aangeven of zij alsnog een zitting wensen of dat zij verder uitstel wensen.

U liet weten niet in 1 uitspraak beslist te zien, maar het vaste beleid van de rechtbank is om alle aan de orde zijnde onderdelen van het geschil 1 uitspraak te doen.

Ik zal dan ook geen verzoek tot afzonderlijke behandeling of vastleggen in een afzonderlijke beschikking doen.

Los van het bovenstaande bericht ik U als volgt:

Inzake de facturen met betrekking tot het griffierecht van het kort geding en de eigen bijdrage in de arbeidszaak concludeer ik dat er door uw uiterst onredelijke reacties wel degelijk sprake is van een onherstelbare vertrouwensbreuk, in ieder geval aan mijn zijde.

Een advocaat hoeft geen werkzaamheden te verrichten voordat de eigen bijdrage is voldaan en als de eigen bijdrage na in rekening stelling niet voldaan wordt mag de advocaat de Raad voor de Rechtsbijstand verzoeken de toevoeging in te trekken.

De cliënt heeft dan met terugwerkende kracht geen recht meer op rechtsbijstand op grond va die ingetrokken toevoeging en de cliënt moet de advocaat dan zelf geheel betalen.”

2.11    Klaagster heeft verweerder hierop bij e-mail van eveneens 22 augustus 2019 onder meer geschreven:

“Ik heb uw bericht met enige interesse gelezen.

Allereerst is het zo dat u zelf over een vertrouwensbreuk spreekt, ik heb dat gevoel zelf niet, en hierdoor voelde u zich niet verplicht (blijkbaar) om al mijn eerdere berichten te beantwoorden. U had deze ‘vertrouwensbreuk’ – uwe zijde eerder kunnen mededelen, en bovenal tevens naar een oplossing, al dan niet gezamenlijk te zoeken.

Ik wijs al uw schrijven over openstaande betalingen dan ook van de hand. U wenste bv geen werkzaamheden in de arbeidszaak meer te verrichten, maar u bleef mij wel over andere zaken informeren…..Dat is nogal vreemd.

(…) U deelde mij mede dat u geen werkzaamheden meer zou verrichten in de Rabobank zaak. Daarna heeft u eenzijdig al het contact verbroken, ten minste heeft u op geen enkele mail meer mij geantwoord. (…)

Ik zal gaan nadenken en nog terugkomen op deze werkwijze van u, waarin ik zal nagaan of ik schade loop door uw werkwijze.”

2.12    Bij e-mail van 26 augustus 2019 heeft verweerder klaagster onder meer geschreven:

“In de “Arbeidszaak” zal ik geen werkzaamheden verrichten omdat u de eigen bijdrage niet betaalt.

U kunt voor deze zaak een andere advocaat vragen om de behandeling ervan van mij over te nemen, ik maak gebruik van mijn recht om die die advocaat niet toe te staan werkzaamheden in het dossier te verrichten totdat de eigen bijdrage is voldaan.

Met de “andere zaken” doelt u waarschijnlijk op de strafzaak, maar voor die zaal voldeed u de eigen bijdrage wel en ik heb nadien uiteraard het nodige ondernomen om de blunder van de OvJ om te dagvaarden en nadien een transactievoorstel te doen ongedaan te maken.

Los van het bovenstaande, heeft u niet gereageerd op mijn vraag of de afspraak die u met [de man] heeft gemaakt (de familiezaken twee jaar laten rusten), gestand wilt doen. (…)

Nu u aangekondigd heeft te onderzoeken of u schade door mijn handelen heeft geleden kan ik niet anders concluderen dan dat ook u de relatie advocaat/cliente verstoord acht.”

2.13    Klaagster heeft verweerder hierop bij e-mail van 3 september 2019 onder meer geschreven:

“Onderstaande bericht kan ik me niet in vinden. Ik heb u vele mails gestuurd, en vragen gesteld bv over de contractzaak, waar ik helemaal geen antwoord van u heb ontvangen destijds. Tevens is het zo dat u zelf ook helemaal geen antwoord hebt gegeven op mijn vragen in de mails in de vermogensverdeling zaak. U heeft nu alles op 1 hoop samengevoegd en weigert nu de zaken te vervolgen, ook al heb ik recht op uw bijstand in deze lopende rechtszaken.

U heeft mij zelf voorgesteld een aantal zaken voor mij te behandelen. U heeft niet eerder dan onlangs aangegeven dat u een probleem ervaarde rond wat voor onderwerp dan ook.

Indien we er onderling niet uitkomen zal ik vervolgen met een het indienen van een klacht volgens u klachtenregeling, kunt u mij die per ommegaande toesturen? (…)

U heeft nog de mogelijkheid om met mij in gesprek te gaan, en indien u dat wenst dan sta ik daar voor open.”

2.14    Op 11 september 2019 hebben klaagster en verweerder met elkaar gesproken op het kantoor van verweerder.

2.15    Bij faxbrief van 3 oktober 2019 heeft verweerder de rechtbank namens klaagster verzocht om in de zaak tegen de man op korte termijn een comparitiedatum vast te stellen.

3    KLACHT

3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerder het volgende.

a)    Verweerder heeft geweigerd werkzaamheden voor klaagster te verrichten.

b)    Verweerder heeft klaagster geen kopie gestuurd van de kantoorklachtenregeling.

c)    Verweerder heeft berichten van klaagster niet beantwoord.

d)    Verweerder heeft klaagster niet netjes te woord gestaan.

4    VERWEER

4.1    Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

5    BEOORDELING

5.1    De raad stelt voorop dat bij de beoordeling van de kwaliteit van de dienstverlening aan een cliënt rekening moet worden gehouden met de vrijheid die de advocaat heeft met betrekking tot de wijze waarop hij een zaak behandelt en met de keuzes - zoals over procesrisico en kostenrisico - waar de advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Deze vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door de eisen die aan de advocaat als opdrachtnemer in de uitvoering van die opdracht mogen worden gesteld en die met zich brengen dat zijn werk dient te voldoen aan datgene wat binnen de beroepsgroep als professionele standaard geldt.

Klachtonderdelen a), c) en d)

5.2    Deze klachtonderdelen lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

5.3    De raad stelt bij de beoordeling voorop dat het een advocaat vrij staat om de werkzaamheden te beëindigen. Wel dient hij dat op zorgvuldige wijze te doen en dient hij ervoor zorg te dragen dat zijn cliënt daarvan zo min mogelijk nadeel ondervindt (zie ook Gedragsregel 14 lid 3).

5.4    Op de zitting van de raad heeft verweerder toegelicht dat hij zijn werkzaamheden voor klaagster heeft beëindigd omdat zij in de arbeidszaak de declaratie voor de eigen bijdrage niet voldeed en omdat zij in haar e-mail van 27 mei 2019 heeft geschreven dat zij de declaratie pas zou betalen als hij werkzaamheden zou verrichten, terwijl hij op dat moment al werkzaamheden had verricht en dus recht had op betaling van de eigen bijdrage.

5.5    De raad overweegt als volgt. Uit het klachtdossier volgt dat in de arbeidszaak op 22 mei 2019 een toevoeging is afgegeven. Verweerder heeft niet betwist dat hij klaagster op of omstreeks die datum een declaratie heeft gestuurd voor de eigen bijdrage (volgens klaagster heeft zij de declaratie op 23 mei 2019 ontvangen). Op 29 mei 2019 – ongeveer een week later – heeft verweerder de opdracht van klaagster neergelegd. Verweerder heeft weliswaar aangevoerd dat hij de opdracht ook heeft neergelegd vanwege de e-mail van klaagster van 27 mei 2019, maar de raad is anders dan verweerder van oordeel dat die e-mail niet zo kan worden gelezen dat klaagster daarin als voorwaarde voor het betalen van de declaratie heeft gesteld dat verweerder werkzaamheden zou moeten verrichten. Verweerder had de arbeidszaak al in januari 2019 aangenomen en in de periode tot en met 27 mei 2019 slechts één brief aan de werkgever gestuurd. De raad vindt het dan ook begrijpelijk dat klaagster verweerder in haar e-mail van 27 mei 2019 heeft gevraagd wanneer hij een procedure gaat starten. Klaagster kreeg immers haar loon niet uitbetaald en had derhalve belang bij spoedige actie richting haar (voormalig) werkgever.

5.6    Door de opdracht neer te leggen binnen een week na het versturen van de declaratie voor de eigen bijdrage terwijl klaagster op dat moment belang had bij spoedige actie richting haar (voormalig) werkgever omdat zij haar loon niet kreeg uitbetaald en door klaagster bovendien bij e-mail van 26 augustus 2019 mee te delen dat hij bij overname van de zaak door een andere advocaat gebruik zal maken van zijn recht om die advocaat niet toe te staan werkzaamheden in het dossier te verrichten totdat de eigen bijdrage is betaald, is de raad van oordeel dat verweerder bij het neerleggen van de opdracht van klaagster niet zorgvuldig heeft gehandeld. Klachtonderdeel a) is dan ook gegrond.

5.7    Dat verweerder niet heeft gereageerd op berichten van klaagster en hem dat tuchtrechtelijk te verwijten valt en/of klaagster niet netjes te woord heeft gestaan heeft klaagster onvoldoende feitelijk onderbouwd. Klachtonderdelen c) en d) zijn daarom ongegrond.

Klachtonderdeel b)

5.8    Niet is in geschil dat verweerder, ondanks meerdere verzoeken daartoe, klaagster geen kopie van de kantoorklachtenregeling heeft verstrekt. Ook de deken heeft verweerder tot twee keer toe – de tweede keer onder dreiging van het indienen van een dekenbezwaar – verzocht een kopie van de kantoorklachtenregeling aan hem toe te sturen, maar ook op dat verzoek heeft verweerder niet gereageerd. De vraag is of verweerder überhaupt beschikt over een kantoorklachtenregeling. Daartoe is hij op grond van artikel 6.28 lid 1 van de Verordening op de advocatuur wel verplicht. Klachtonderdeel b) is gegrond.

6.    MAATREGEL

6.1    Verweerder heeft het neerleggen van de opdracht van klaagster niet op zorgvuldige wijze gedaan. Hij heeft klaagster vervolgens belemmerd in het indienen van een interne klacht hierover door haar geen kopie van den kantoorklachtenregeling te verstrekken. Ook heeft verweerder klaagster belemmerd in het vinden van een opvolgend advocaat door haar mee te delen dat hij gebruik zal maken van zijn recht om de opvolgend advocaat niet toe te staan werkzaamheden in het dossier te verrichten totdat de eigen bijdrage is voldaan, en dat in een zaak waarin spoed geboden was. De raad rekent verweerder dit zwaar aan. Mede gelet op het tuchtrechtelijk verleden van verweerder acht de raad een berisping passend en geboden.

7.    GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING

7.1    Omdat de raad de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart, moet verweerder op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klaagster betaalde griffierecht van € 50,- aan haar vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.

7.2    Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder daarnaast op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:

a) € 25,- reiskosten van klaagster,

b) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en

c) € 500,- kosten van de Staat.

7.3    Verweerder moet het bedrag van € 25,- aan reiskosten binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, betalen aan klaagster Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerster door.

7.4    Verweerder moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder b en c genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.

BESLISSING

De raad van discipline:

-    verklaart klachtonderdelen a) en b) gegrond;

-    verklaart klachtonderdelen c) en d) ongegrond;

-    legt aan verweerder de maatregel van berisping op;

-    veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 25,- aan klaagster;

-    veroordeelt verweerder tot betaling van de reiskosten van € 50,- aan klaagster, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3;

-    veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.4.

Aldus beslist door mr. C. Kraak, voorzitter, mrs. E.M.J. van Nieuwenhuizen en D. Horeman, leden, bijgestaan door mr. S. van Excel als griffier en uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2020.

Griffier    Voorzitter

Verzonden op 20 juli 2020

mededelingen van de griffier ter informatie:

Verzending

Deze beslissing is in afschrift gelijktijdig verzonden.