Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

02-12-2019

ECLI

ECLI:NL:TADRAMS:2019:232

Zaaknummer

19-719/A/A

Inhoudsindicatie

Voorzittersbeslissing. Klacht van een derde (informant) over de advocaat van één van de partijen kennelijk ongegrond. Verweerder heeft terecht aangevoerd dat niet hij, maar zijn cliënt de aangifte tegen klager heeft gedaan. Het enkele feit dat verweerder bij het doen van die aangifte aanwezig was valt hem niet tuchtrechtelijk te verwijten. Verweerder heeft voorts onbetwist gesteld dat het artikel in De Telegraaf niet van zijn hand is. Dat verweerder antwoord heeft gegeven op vragen van de journalist en het standpunt van zijn cliënt heeft verwoord valt hem niet tuchtrechtelijk te verwijten.

Uitspraak

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort  Amsterdam

van  2 december 2019

in de zaak 19-719/A/A

naar aanleiding van de klacht van:

klager

tegen:   

verweerder

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) van 17 oktober 2019 met kenmerk 847027, door de raad ontvangen op dezelfde dag, en van de op de daarbij gevoegde inventarislijst vermelde stukken. Tevens heeft de voorzitter kennisgenomen van de e-mail van verweerder aan de deken van 17 oktober 2019.

1    FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht wordt, gelet op de stukken, van de volgende feiten uitgegaan.

1.1    Verweerder vertegenwoordigt cliënten die een claim wegens stormschade (hierna: de claim) hebben ingediend op hun bedrijfsschadepolis bij Nationale Nederlanden. Er loopt een onderzoek naar de claim. Klager is bij de kwestie betrokken vanuit zijn functie als toedrachtonderzoeker voor de verzekeraar.

1.2    De cliënten van verweerder hebben in 2018 ING Bank N.V. gedagvaard voor de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam. Op 30 mei 2018 heeft er een zitting plaatsgevonden. Klager is op die zitting als informant gehoord.

1.3    Op 28 februari 2019 heeft een van de cliënten van verweerder aangifte jegens klager gedaan van belediging/smaad. Het proces-verbaal aangifte luidt, voor zover relevant:

“Ik doe aangifte van smaad en als slachtoffer van het gepleegde feit ben ik gerechtigd tot het doen van deze aangifte. Ik doe aangifte en klacht tegen [klager], forensic expert (…)

Ik doe deze aangifte in vertegenwoordiging van mijn advocaat [verweerder].

Op woensdag 30 mei 2018 vond er bij de voorzieningenrechter in Amsterdam een kort geding plaats naar aanleiding van een conflict met de ING Bank N.V. (…)

Door [klager] werd op een gegeven moment tijdens de zitting een getuigenverklaring afgelegd tegenover de rechter. Door de rechter werd eerst een inventarisatie gemaakt van de aanwezigen in de zittingszaal. [Klager] vertelde op dat moment tegen de rechter dat hij een fraude-onderzoek deed namens Nationale Nederlanden en daarom aanwezig was. Daarna werd hij tijdens de zitting door de ING Bank naar voren gevraagd om een getuigenverklaring af te leggen. Ik hoorde hem tijdens het afleggen van die getuigenverklaring het volgende zeggen: “Ik ben onafhankelijk verzekeringsexpert en ik doe een onderzoek naar verzekeringsfraude (…) Ik kan het mij zelf niet meer herinneren maar mijn advocaat [verweerder] heeft hem daarop nog een korte toelichting horen geven waarbij [klager] zei dat er een valse factuur was ingediend. (…)

Door de uitspraken van [klager] voelde ik mij in goede naam aangetast. (…) Het feit dat er zogenaamd sprake was van fraude en dat onze bankrekeningen geblokkeerd waren, heeft ook een hoop schade toegebracht aan mijn bedrijven. Er is namelijk ook een krantenartikel verschenen in De Telegraaf, de Haagse editie. (…) Ik werd op een gegeven moment benaderd door een journalist die kennelijk op de hoogte was van de zitting die had plaatsgevonden. Ik heb toen mijn kant van het verhaal verteld en later heeft Nationale Nederlanden in het kader van verplichte wederhoor ook een verklaring tegenover de journalist afgelegd. (…)

Mijn advocaat heeft over deze zaak een compleet dossier en afschriften hiervan, waaronder 8 getuigenverklaringen, die van belang zijn voor het onderzoek naar de smaad gepleegd door [klager] “

1.4    In het artikel in De Telegraaf staat onder meer het volgende:

“Een door NN ingeschakelde expert zou zelfs hebben gesteld dat er een fraudeonderzoek gaande is naar [de cliënt van verweerder]. Iets wat de directie weersprak na een klacht van advocaat [verweerder], die [de cliënt van verweerder] bijstaat. Wel behoudt het bedrijf zich het recht voor een claim te onderzoeken en er is een feitenonderzoek gaande. (…)

Raadsman [verweerder] heeft wel een vermoeden welk spel er wordt gespeeld.

„Men werkt zo langzaam deze onderneming onder de aarde. Er is sprake van een bewust uitrookbeleid.” (…)

Naast de gang naar de rechter heeft [de cliënt van verweerder] ook aangifte gedaan tegen de expert van NN. Die zou hebben gesteld dat hij fraude pleegt, al spreekt de verzekeraar dit weer tegen. Er wordt ontkend dat dergelijke uitspraken zijn gedaan. „Ik heb acht getuigenverklaringen van mensen die deze uitspraak hebben gehoord”, zegt advocaat [verweerder].

Volgens [verweerder] is de gang van zaken ‘in strijd met de gedragsrichtlijnen waaraan verzekeraars zijn gebonden’. „De hele zweem van fraude die ze erop leggen en de stroperigheid waarmee wordt gehandeld, is frustrerend”. De zaak heeft volgens hem ‘een onverkwikkelijk karakter gekregen’.

1.5    Klager heeft bij de deken een klacht ingediend over verweerder.

2    KLACHT

2.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat hij de aangifte van zijn cliënt jegens klager terzake van belediging/smaad  ondersteunt terwijl hij weet dat klager de hem in de aangifte verweten uitspraken niet heeft gedaan en doordat hij een artikel in De Telegraaf heeft geplaatst.

3    VERWEER

3.1    Verweerder voert verweer dat hierna, voor zover van belang, zal worden weergegeven.

4    BEOORDELING

4.1    De voorzitter stelt voorop dat een advocaat een ruime mate van vrijheid geniet om de belangen van zijn cliënt te behartigen op de wijze als hem in overleg met zijn cliënt goeddunkt. Deze vrijheid is niet absoluut, maar kan onder meer beperkt worden doordat (a) de advocaat zich niet onnodig grievend mag uitlaten over de wederpartij, (b) de advocaat geen feiten mag poneren waarvan hij de onwaarheid kent of redelijkerwijs kan kennen, (c) de advocaat bij de behartiging van de belangen van zijn cliënt de belangen van de wederpartij niet onnodig of onevenredig mag schaden zonder redelijk doel. Daarbij geldt voorts dat de advocaat de belangen van zijn cliënt dient te behartigen aan de hand van het feitenmateriaal dat zijn cliënt hem verschaft, en dat hij in het algemeen mag afgaan op de juistheid daarvan en slechts in uitzonderingsgevallen gehouden is de juistheid daarvan te verifiëren. De advocaat behoeft in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat hij voor zijn cliënt wil bereiken met de middelen waarvan hij zich bedient, opweegt tegen het nadeel dat hij daarmee aan de wederpartij toebrengt. Wel moet de advocaat zich onthouden van middelen die op zichzelf beschouwd ongeoorloofd zijn of die, zonder dat zij tot enig noemenswaardig voordeel van zijn cliënt strekken, onevenredig nadeel aan de wederpartij toebrengen.

4.2    Klager verwijt verweerder allereerst dat hij de aangifte van zijn cliënt jegens klager ondersteunt terwijl hij weet dat klager de hem in de aangifte verweten uitspraken niet heeft gedaan. Daargelaten de vraag of klager op de zitting van 30 mei 2018 het woord fraude heeft gebezigd, heeft verweerder terecht aangevoerd dat niet hij, maar zijn cliënt de aangifte heeft gedaan. Het enkele feit dat verweerder bij het doen van die aangifte aanwezig was valt hem niet tuchtrechtelijk te verwijten. Dit deel van de klacht is dan ook kennelijk ongegrond.

4.3    Hetzelfde geldt voor het artikel in De Telegraaf. Verweerder heeft onbetwist gesteld dat het artikel waarover klager zich beklaagt niet van zijn hand is, maar het resultaat is van zelfstandig journalistiek onderzoek, waarbij door de journalist hoor en wederhoor is toegepast. Dat verweerder antwoord heeft gegeven op vragen van de journalist en het standpunt van zijn cliënt heeft verwoord kan hem niet tuchtrechtelijk worden verweten. Ook dit deel van de klacht is kennelijk ongegrond. 

4.4    Voor zover klager er ook over klaagt dat verweerder op 14 september 2018 een verklaring heeft opgesteld en ondertekend waarin staat dat klager op de zitting van 30 mei 2018 heeft gezegd te handelen als fraude-onderzoeker en een dossier wegens verzekeringsfraude in behandeling te hebben geldt dat op basis van het klachtdossier niet kan worden vastgesteld dat die verklaring onjuist is.

BESLISSING

De voorzitter verklaart:

de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.

Aldus in het openbaar uitgesproken door mr. C. Kraak, plaatsvervangend voorzitter, met bijstand van mr. S. van Excel als griffier op 2 december 2019.

Griffier     Voorzitter

mededelingen van de griffier ter informatie:

Deze beslissing is in afschrift op 2 december 2019 verzonden.