Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

20-05-2019

ECLI

ECLI:NL:TADRSGR:2019:106

Zaaknummer

18-712/DH/RO

Inhoudsindicatie

Gegrond, zonder oplegging van maatregel. Verweerster heeft met het toezenden van de dagvaarding aan de afdeling HR van de werkgever van klager de grenzen van de haar toekomende vrijheid overschreden. Verweerster heeft met haar handelwijze echter niet beoogd klager opzettelijk in zijn belangen te schaden. Gelet daarop en op de tijdsdruk waaronder verweerster heeft moeten handelen, ziet de raad aanleiding om af te zien van het opleggen van een maatregel. Daarbij heeft de raad tevens in aanmerking genomen dat verweerster een schoon tuchtrechtelijk verleden heeft.

Uitspraak

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag

van 20 mei 2019

in de zaak 18-712/DH/RO

 

naar aanleiding van de klacht van:

klager

over:

verweerster

 

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1    Bij brief van 14 mei 2018 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Rotterdam een klacht ingediend over verweerster.

1.2    Bij brief aan de raad van 29 augustus 2018 met kenmerk 18-712/DH/RO, door de raad ontvangen op 30 augustus 2018, heeft de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Rotterdam de klacht ter kennis van de raad gebracht.

1.3    De klacht is behandeld ter zitting van de raad van 18 maart 2019 in aanwezigheid van verweerster, vergezeld van haar gemachtigde mr. L.H. Rijpkema. Klager is met voorafgaand bericht niet verschenen. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

1.4    De raad heeft kennisgenomen van de processtukken, bedoeld in artikel 49 lid 2 van de Advocatenwet, alsmede van de door verweerster op 4 maart 2019 nagezonden stukken.

 

2    FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht wordt, gelet op de stukken en hetgeen ter zitting is verklaard, van de volgende feiten uitgegaan.

2.1    Klager is verwikkeld in een echtscheidingsprocedure. In die procedure en de daaraan gerelateerde procedures wordt de echtgenote van klager bijgestaan door verweerster.

2.2    Verweerster heeft namens haar cliënte een dagvaarding in kort geding opgesteld, waarin zij een straat- en contactverbod voor klager met zijn echtgenote vordert. Deze dagvaarding is op 12 oktober 2017 tezamen met een aanvraagformulier kort geding in concept aan de rechtbank gezonden.

2.3    De rechtbank heeft op 16 oktober 2017 bepaald dat de zitting op 17 oktober 2017 om 9.00 uur zou plaatsvinden. Op het aanvraagformulier dat die dag om 8.24 uur aan verweerster is gefaxt, heeft de rechtbank de volgende voorwaarden vermeld c.q. aangekruist:

“Verlof verkorte termijn verleend onder de voorwaarde dat de dagvaarding uiterlijk aan de partij wordt betekend op maandag 16 oktober 2017 te 13.00 uur.

Onverwijld mededeling zittingsdatum en –tijdstip en toezending concept-dagvaarding aan de gedaagde partij.

Vermelding van deze voorwaarden in de dagvaarding.”

2.4    Verweerster heeft op 16 oktober 2018 contact opgenomen met een medewerkster van de HR-afdeling van de werkgever van klager en haar gevraagd of klager op het werk aanwezig was. Dat was het geval, waarna verweerster die dag per e-mail van 9.50 uur aan de desbetreffende HR-medewerkster de dagvaarding heeft toegezonden met het verzoek deze te printen en in een gesloten enveloppe aan klager te overhandigen.

2.5    De HR-medewerkster heeft hieraan gehoor gegeven en dat per e-mail van 10.19 uur die dag aan verweerster bevestigd.

2.6    De deurwaarder heeft de dagvaarding op 16 oktober 2018 tijdig op het toenmalige tijdelijke verblijfadres van klager betekend, alsmede aan hem in persoon op het adres van zijn werkgever.

 

3    KLACHT

3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 van de Advocatenwet doordat zij:

a)   de dagvaarding bij de werkgever van klager heeft laten betekenen;

b)    het aanvraagformulier en de conceptdagvaarding per e-mail aan de afdeling HR van de werkgever van klager heeft toegezonden, met het verzoek deze te printen en aan klager te overhandigen.

3.2    Klager stelt dat het voldoende was geweest de dagvaarding alleen aan hem te laten betekenen en dat hij door toedoen van verweerster in zijn eer en goede naam is aangetast.

 

4    VERWEER

4.1    Verweerster heeft zich tegen de klacht verweerd, op welk verweer de raad hierna zo nodig zal ingaan.

 

5    BEOORDELING

5.1    Klager klaagt over een gedraging van de advocaat van zijn wederpartij. De raad stelt voorop dat een advocaat volgens vaste rechtspraak van het Hof van Discipline een grote mate van vrijheid heeft om de belangen van zijn cliënt in overleg met die cliënt te behartigen. Deze vrijheid mag niet ten gunste van een processuele wederpartij worden beperkt, tenzij de belangen van die wederpartij nodeloos en op ontoelaatbare wijze worden geschaad. De advocaat dient zich vanzelfsprekend te allen tijde te gedragen zoals een behoorlijk advocaat betaamt.

Ad klachtonderdeel a)

5.2    Met verweerster is de raad van oordeel dat het haar onder de gegeven omstandigheden vrij stond om de dagvaarding aan klager in persoon te laten betekenen op zijn werkadres. De klacht mist in zoverre doel.

Ad klachtonderdeel b)

5.3    Naar het oordeel van de raad heeft verweerster met het toezenden van de dagvaarding aan de afdeling HR van de werkgever van klager echter wel de grenzen van de haar toekomende vrijheid overschreden. De instructie van de rechtbank op het aanvraagformulier, zoals weergeven onder 2.3, had verweerster ook op een andere, voor klager minder belastende wijze kunnen naleven. De betekening door de deurwaarder vond immers diezelfde ochtend plaats. Verweerster had er dus voor kunnen kiezen om het aanvraagformulier en de conceptdagvaarding als bijlage bij de dagvaarding te voegen. Hiermee zou ook voldaan zijn aan de voorwaarde om klager onverwijld in kennis te stellen. De klacht is naar het oordeel van de raad in zoverre dan ook gegrond.

 

6    MAATREGEL

6.1    Blijkens de zich in het dossier bevindende stukken en het verhandelde ter zitting heeft verweerster met haar handelwijze niet beoogd klager opzettelijk in zijn belangen te schaden. Met andere woorden, dat zij kwade bedoelingen had, is de raad niet gebleken. Gelet daarop en op de tijdsdruk waaronder verweerster heeft moeten handelen ziet de raad aanleiding om af te zien van het opleggen van een maatregel. Daarbij heeft de raad tevens in aanmerking genomen dat verweerster een schoon tuchtrechtelijk verleden heeft.

 

7    GRIFFIERECHT

7.1    Omdat de raad de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart, moet verweerster op grond van artikel 46e, vijfde lid, van de Advocatenwet het door klager betaalde griffierecht van € 50,- aan hem vergoeden.

 

BESLISSING

De raad van discipline:

-    verklaart klachtonderdeel a) ongegrond;

-    verklaart klachtonderdeel b) gegrond;

-    bepaalt dat geen maatregel wordt opgelegd;

-    veroordeelt verweerster tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klager.

 

Aldus beslist door mr. S.M. Krans, voorzitter, mrs. M.P. de Klerk, T. Hordijk, R. de Haan en J.G. Colombijn-Broersma, leden, bijgestaan door mr. M.M.C. van der Sanden als griffier en uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2019.