Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

27-05-2019

ECLI

ECLI:NL:TADRSHE:2019:84

Zaaknummer

18-858/DB/LI

Inhoudsindicatie

De voorzitter heeft terecht geoordeeld dat klaagster onvoldoende heeft onderbouwd dat en waarom verweerder aanleiding had om te twijfelen aan de juistheid van de door zijn cliënt verstrekte informatie en nader onderzoek had moeten doen. Verzet ongegrond

Uitspraak

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch

van  27 mei 2019

in de zaak 18-858/DB/LI

 

naar aanleiding van het verzet tegen de beslissing van de voorzitter van de raad van discipline van 11 december 2018 op de klacht van:

 

klaagster

 

tegen:

 

 

verweerder

 

 

 

 

 

1          Verloop van de procedure

1.1      Bij e-mail d.d. 14 juni 2018 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Limburg, hierna: “de deken”, een klacht ingediend tegen verweerder.

1.2      Bij e-mail d.d. 1 november 2018 heeft de deken de klacht ter kennis gebracht van de raad. 

1.3      Bij beslissing van 11 december 2018 heeft de (plaatsvervangend) voorzitter van de raad van discipline in het ressort ’s-Hertogenbosch de klacht op grond van artikel 46j lid 1 sub c Advocatenwet kennelijk ongegrond verklaard. De beslissing van de voorzitter is op 11 december 2018 verzonden aan klaagster.

1.4      Bij faxbericht d.d. 9 januari 2019 heeft mr. R, de advocaat van klaagster, verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter.

1.5      Het verzet is behandeld ter zitting van de raad van 1 april 2019. Verschenen zijn klaagster, bijgestaan door haar advocaat mr. R, en verweerder. Beide partijen hebben hun standpunten toegelicht aan de hand van een pleitnota.

1.6      De raad heeft kennisgenomen van de beslissing van de voorzitter waarvan verzet en van de stukken waarop de beslissing blijkens de tekst daarvan is gegeven en het verzetschrift van klaagster.

 

2          FEITEN

2.1      Voor een weergave van de vaststaande feiten verwijst de raad naar de beslissing van de voorzitter, waartegen klaagster in verzet in zoverre niet opkomt. 

 

 

3          KLACHT EN VERZET

3.1      De klacht, zoals weergegeven in de beslissing van de voorzitter, houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat hij:

heeft gehandeld in strijd met de gedragsregels 7 en 8 doordat hij bewust gebruik heeft gemaakt van onjuiste informatie en zich jegens klaagster onnodig grievend heeft uitgelaten.

3.2      De gronden van het verzet houden, zakelijk weergegeven, in:

Verweerder is in de discussie met klaagster niet binnen de grenzen van gedragsregel 8 gebleven. Als er gerede reden is tot twijfel moet hij onderzoek doen tenzij dat niet mogelijk is. Verweerder had nader onderzoek moeten doen naar aanleiding van de mededeling van klaagster d.d. 9 maart 2018 dat er slechts twee telefoongesprekken hadden plaatsgevonden, te weten op 21 en 23 februari 2018, en dat de beide telefoongesprekken ’s middags hadden plaatsgevonden. Klaagster heeft aan het verzetschrift een overzicht van gevoerde telefoongesprekken gehecht. Het overzicht vermeldt een telefoongesprek op 21 februari 2018 te 14:55 uur met een duur van 2,5 minuut en een telefoongesprek op 23 februari 2018 te 14:14 uur met een duur van 22 seconden.

 

4 BEOORDELING  

4.1      De raad is van oordeel dat de voorzitter terecht heeft overwogen dat het verweerder vrij stond om in het kader van de behartiging van de belangen van zijn cliënt, standpunten in te nemen die afweken van die van klaagster en daarbij af te gaan op de door zijn cliënt verstrekte informatie. De voorzitter heeft terecht geoordeeld dat klaagster onvoldoende heeft onderbouwd dat en waarom verweerder aanleiding had om te twijfelen aan de juistheid van de door zijn cliënt verstrekte informatie en nader onderzoek had moeten doen. Het eerst bij verzet door klaagster overgelegde overzicht van gevoerde telefoongesprekken maakt dit niet anders, mede gelet op het feit dat de raad niet heeft kunnen vaststellen wat de bron is van het overzicht, noch hoe de opvraag heeft geluid. De voorzitter heeft kortom het juiste beoordelingscriterium gehanteerd en heeft acht geslagen op alle relevante feiten en omstandigheden van het geval.

4.2      De raad komt tot de slotsom dat de voorzitter terecht en op juiste gronden toepassing heeft gegeven aan artikel 46j Advocatenwet, op grond waarvan de klacht zonder voorafgaande mondelinge behandeling bij beslissing van de voorzitter kan worden afgedaan. Nu het verzet van klaagster tegen de beslissing van de voorzitter ook overigens geen nieuwe gezichtspunten oplevert is er geen plaats voor verder onderzoek naar de klacht en moet het verzet ongegrond worden verklaard.

 

 

 

 

 

 

 

 

BESLISSING

De raad van discipline:

-       verklaart het verzet ongegrond.

 

 

 

Aldus beslist door mr. M.T. van Vliet, voorzitter, mrs. H.C.M. Schaeken en L.J.G. de Haas, leden, bijgestaan door mr. T.H.G. Huber - Van de Langenberg, als griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 27 mei 2019

 

 

Griffier                                                                       Voorzitter