Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

17-12-2012

ECLI

ECLI:NL:TADRSGR:2012:YA3858

Zaaknummer

R. 3773/11.175

Inhoudsindicatie

De klacht valt uiteen in zes klachtonderdelen.

Inhoudsindicatie

Twee klachtonderdelen betreffen het starten van procedures zonder instemming van klager.

Inhoudsindicatie

Gelet op het feit dat schriftelijke vastlegging ontbreekt, althans verweerster haar stelling dat er opdracht gegeven is niet nader heeft onderbouwd, ook niet na uitdrukkelijk verzoek daartoe in een tussenbeschikking van de raad, acht de raad de klachtonderdelen gegrond.

Inhoudsindicatie

De klacht dat verweerster ondanks toezegging, geen cassatieberoep heeft ingesteld, wordt eveneens gegrond verklaard. Verweerster verzuimt om haar stelling, dat zij aanstonds klager meegedeeld heeft geen cassatieberoep in te zullen stellen, nader te onderbouwen.

Inhoudsindicatie

Het klachtonderdeel dat ziet op het niet verwerken van opmerkingen van klager in een concept memorie van grieven en het niet indienen van stukken naar aanleiding van een tussenarrest van het hof, acht de raad gegrond. Verweerster heeft nagelaten door haar geponeerde stellingen nader te onderbouwen althans heeft zij het klachtonderdeel onvoldoende weersproken.

Inhoudsindicatie

Het klachtonderdeel dat ziet op het schenden van de geheimhoudingsverplichting die klager ten opzicht van verweerster heeft omdat deze in de klachtprocedure informatie uit het dossier van klager naar voren heeft gebracht, is ongegrond.

Inhoudsindicatie

Een advocaat kan in een tuchtrechtelijk onderzoek zich niet beroepen op zijn geheimhoudingsverplichting. Dit betekent dat een klager zich niet ten opzichte van de advocaat over wie hij zich beklaagt zich op het beroepsgeheim van deze advocaat kan beroepen.

Inhoudsindicatie

Een advocaat zal anders geschaad kunnen worden in zijn verdediging.

Inhoudsindicatie

Ongegrond is de klacht waarin verzocht wordt om toekennen van materiële en immateriële schadevergoedingen. Het al dan niet toekennen van schadevergoedingen is niet ter beoordeling aan de tuchtrechter. Dit zijn zaken die voorbehouden zijn aan de civiele rechter, hetzelfde geldt voor het bepalen dat bedragen aan klager dienen te worden terugbetaald.

Inhoudsindicatie

De Raad van Discipline legt verweerster een voorwaardelijke schorsing in de uitoefening van de praktijk op of voor de duur van twee weken met een proeftijd van twee jaar.

Inhoudsindicatie

 

Uitspraak

 1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1 De raad verwijst naar hetgeen is vermeld in de tussenbeslissing van 16 april 2012.

1.2 De tussenbeslissing is aan partijen verzonden op 17 april 2012.

1.3 De griffier heeft klager en verweerster opgeroepen voor de zitting van 14 mei 2012.

1.4 Bij e-mail van 9 mei 2012 heeft klager een wrakingsverzoek bij de raad ingediend en daarbij de behandelende kamer van de raad gewraakt.

1.5 Het wrakingsverzoek is op 4 juni 2012 behandeld.

1.6 Bij beslissing van 18 juni 2012 heeft de wrakingskamer het wrakingsverzoek afgewezen.

1.7 De behandeling van de klacht is voortgezet ter zitting van de raad van 15 oktober 2012. Partijen zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.

1.8 De raad heeft kennis genomen van de stukken die op grond van het bepaalde in artikel 49 lid 2 van de Advocatenwet ten kantore van de griffier ter inzage hebben gelegen.

 

2 FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht wordt, gelet op de stukken van de volgende feiten uitgegaan:

2.1 Verweerster heeft klager bijgestaan in een geschil met een revalidatiecentrum alwaar klagers dochter was opgenomen. De dochter moest na de behandelperiode het revalidatiecentrum verlaten, waartegen klager zich wenste te verzetten.

2.2 Het revalidatiecentrum is in kort geding een beëindigings- en uitzettingsprocedure tegen klager en zijn dochter gestart. In de procedure heeft verweerster een reconventionele vordering ingediend strekkende tot voortzetting van de behandelingsovereenkomst.

2.3 De vordering in conventie is toegewezen. De reconventionele vordering is afgewezen.

2.4 Tegen de beslissing heeft verweerster spoedappel ingesteld.

2.5 Verweerster heeft een kort gedingprocedure aanhangig gemaakt strekkende tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing in de beëindigings- en uitzettingsprocedure.

2.6 Klager is zowel in het spoedappel als in het executie kort geding in het ongelijk gesteld.

2.7 Verweerster heeft nadien een verzoek tot mentorschap ingediend bij de kantonrechter.

2.8 Bij brief van 1 oktober 2012 heeft klager zich bij de deken beklaagd over verweerster.

 

3 KLACHT

3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster heeft gehandeld in strijd met de tuchtrechtelijke norm van artikel 46 Advocatenwet.

3.2 Meer in het bijzonder verwijt klager verweerster dat zij: 

a. zonder instemming van klager een kort gedingprocedure gestart is teneinde de executie van het eerste kort geding vonnis betreffende de uitzitting te schorsen, terwijl verweerster bovendien had moeten weten dat een dergelijke procedure in het geval van klager zinloos was;

b. geen acht geslagen heeft op de opmerkingen die klager gemaakt heeft bij het door verweerster opgestelde concept van de memorie van grieven en verweerster bovendien naar aanleiding van een tussenarrest in het kader van het spoedappel geen nadere stukken in het geding heeft gebracht terwijl dit uitdrukkelijk was verzocht;

c. zonder instemming van klager een verzoek tot mentorschap heeft ingediend bij de kantonrechter, terwijl een dergelijk verzoek bovendien niet toewijsbaar was aangezien klagers echtgenote niet ingeschreven stond in de gemeentelijke basisadministratie, hetgeen verweerster bekend was. Als er al een procedure gestart had moeten worden dan had dat een procedure tot onder bewindstelling moeten zijn;

d. ondanks haar eerdere toezeggingen cassatie in te stellen van het arrest van het hof betreffende het spoedappel, van het instellen van cassatie heeft afgezien en wel op een ontijdig moment. Klager was dientengevolge niet meer in staat om een andere advocaat te zoeken voor het instellen van cassatieberoep. Verweerster had bovendien moeten weten dat zij voor de cassatieprocedure geen toevoeging kon krijgen, zodat zij de zaak al helemaal niet had moeten aannemen en niet had moeten beloven cassatie in te zullen stellen;

e. haar geheimhoudingsverplichting ten opzichte van klager heeft geschonden door in de klachtprocedure informatie uit het dossier van klager naar voren te brengen;

f. zowel financiële als emotionele schade veroorzaakt heeft bij klager. Klager verzoekt verweerster te veroordelen om hem deze schade, waaronder een bedrag aan emotionele schadevergoeding, te vergoeden.

 

4 VERWEER

4.1 Ad klachtonderdeel a.

Klager heeft verweerster verzocht om alles in het werk te stellen om uitzetting van zijn dochter te voorkomen. Op verzoek van klager is in dat kader een executie kort geding gestart. De dochter van klager had namelijk geen alternatieve verblijfplaats, zodat zij op straat gezet zou worden.

4.2 Ad klachtonderdeel b.

Klager heeft verweerster verzocht om een spoedappel aanhangig te maken.

4.3 Ad klachtonderdeel c.

Verweerster heeft op verzoek van klager een verzoekschrift strekkende tot het vaststellen van een mentorschap ingediend. Klager had het uitspreken van het mentorschap nodig om de bankzaken te kunnen behartigen van zijn dochter. Het mentorschap was bovendien nodig voor het CZ-formulier. De opdracht van klager volgt uit e-mailcorrespondentie van verweerster en klager. De betreffende procedure is op dit moment opgeschort.

4.4 Ad klachtonderdeel d.

Verweerster heeft expliciet en gemotiveerd geweigerd om in cassatie te gaan bij de afwijzing van het spoedappel. Hetgeen klager stelt ter onderbouwing van zijn klachtonderdeel is daarmee onjuist.

4.5 Ad klachtonderdeel e.

De klachtprocedure noodzaakt verweerster om mededelingen te doen uit het dossier van klager. Zij dient zich te kunnen verweren.

4.6 Ad klachtonderdeel f

Het klachtrecht is niet bedoeld om te bepalen dat kosten gedragen worden door verweerster. De klacht van klager is ingegeven om onder de betaling van eigen bijdragen, griffierecht etcetera uit te komen.

4.7 Algemeen

Verweerster heeft in haar verweer gesteld dat zij desgewenst het volledige dossier van klager ter beschikking zou stellen.

  

5 BEOORDELING

5.1 De raad stelt voorop dat het behoort tot de verplichtingen van de advocaat om zijn cliënt op de hoogte te brengen van belangrijke informatie, feiten en afspraken. Waar nodig, ter voorkoming van misverstand, onzekerheid of geschil, dient hij belangrijke informatie en afspraken schriftelijk aan zijn cliënt te bevestigen.

Ten aanzien van klachtonderdeel a.

5.2 Verweerster heeft gesteld dat zij opdracht heeft van klager om een kort geding te starten om de executie te schorsen. De raad heeft verweerster in zijn tussenbeslissing expliciet verzocht om opdrachtbevestigingen in het geding te brengen. Desondanks heeft verweerster verzuimd om bewijs van de door haar gestelde opdracht over te leggen.

5.3 Gelet op de gemotiveerde stelling van klager en de blote ontkenning van verweerster, gaat de raad voorbij aan het gevoerde verweer en houdt de raad het ervoor dat klager geen opdracht gegeven heeft.

5.4 De raad is niet gebleken dat verweerster klager over de kansen en de risico’s van een executie kort geding, heeft geïnformeerd, terwijl verweerster dit wel, gelet op de op haar rustende zorgplicht, had dienen te doen. Daarbij kan in het midden blijven in hoeverre het gevoerde kort geding zinloos is geweest.

5.5 Het klachtonderdeel is gegrond.

Ten aanzien van klachtonderdeel b.

5.6 Verweerster heeft verzuimd haar stelling, dat klager haar opdracht gegeven heeft om een spoedappel aanhangig te maken, te onderbouwen door overlegging van een opdrachtbevestiging en/of correspondentie tussen haar en klager. Verweerster heeft dit ook niet gedaan na het expliciete verzoek van de raad in zijn tussenbeslissing. Verweerster heeft geen verweer gevoerd tegen het door klager gestelde met betrekking tot de concept memorie van antwoord en het bij tussenarrest gestelde. De klacht is daarmee in zoverre niet, althans onvoldoende weersproken.

5.7 Het klachtonderdeel is gegrond.

Ten aanzien van klachtonderdeel c.

5.8 Verweerster heeft haar stelling dat klager haar opdracht gegeven heeft om een mentorschapsprocedure aanhangig te maken niet nader onderbouwd, terwijl klager zijn klacht heeft onderbouwd.

5.9 De stelling van verweerster dat een dergelijke procedure moest worden gevoerd om bankzaken te kunnen regelen, is bovendien, gelet op de invulling die de wet geeft aan het mentorschap, onjuist.

5.10 Aangezien verweerster in gebreke is gebleven om een opdrachtbevestiging over te leggen en ook overigens de raad niet van enige opdracht is gebleken gaat de raad voorbij aan het gevoerde verweer en moet er van worden uitgegaan dat de door verweerster gestelde opdracht niet is verstrekt.

5.11 Het klachtonderdeel is gegrond.

Ten aanzien van klachtonderdeel d.

5.12 Klager heeft zijn klacht deugdelijk onderbouwd. Verweerster heeft derhalve niet kunnen volstaan met een blote ontkenning van het door klager gestelde.

5.13 Het klachtonderdeel is gegrond.

Ten aanzien van klachtonderdeel e.

5.14 In een tuchtrechtelijk onderzoek kan een advocaat tegen wie het onderzoek is gericht zich niet op zijn geheimhoudingsverplichting beroepen. Dit betekent evenzeer dat een klager zich niet ten opzichte van de advocaat, tegen wie hij een klacht heeft ingediend, op het beroepsgeheim van deze advocaat kan beroepen. De advocaat zou anders geschaad kunnen worden in zijn verdediging.

5.15 Het klachtonderdeel is ongegrond.

Ten aanzien van klachtonderdeel f.

5.16 Het toekennen van materiële en immateriële schadevergoedingen, alsmede te bepalen dat bedragen aan klager dienen te worden terugbetaald, is niet ter beoordeling aan de tuchtrechter. Dit zijn zaken die voorbehouden zijn aan de civiele rechter.

5.17 Het klachtonderdeel is ongegrond.

 

6 MAATREGEL

 6.1 Verweerster heeft door diverse procedures te starten zonder opdracht van klager, geen cassatieberoep in te stellen ondanks uitdrukkelijke opdracht daartoe en geen nadere stukken in te dienen in een beroepprocedure ondanks het in een tussenbeslissing bepaalde, niet gehandeld zoals een behoorlijk advocaat betaamt. Zij heeft daarenboven, terwijl zij in het dekenonderzoek te kennen heeft gegeven bereid te zijn het volledig dossier over te leggen, en de raad verweerster (evenals klager) uitdrukkelijk verzocht heeft om haar stellingen nader te onderbouwen, nagelaten voor deugdelijke onderbouwing van haar verweer zorg te dragen. Door verzoeken van de raad te negeren en niet - zonder voorafgaand bericht van afwezigheid - ter zitting te verschijnen, heeft verweerster bovendien niet gehandeld zoals een behoorlijk advocaat in de onderhavige klachtprocedure betaamt.

 6.2 Het handelen alsmede het nalaten van verweerster acht de raad dusdanig dat het vertrouwen in de advocatuur in het algemeen, alsmede het vertrouwen in verweerster in het bijzonder ernstig is geschaad. De raad acht derhalve de maatregel van schorsing in de praktijkuitoefening geboden. De raad volstaat met een voorwaardelijke schorsing zodat verweerster nog kan laten zien dat zij zich kan gedragen zoals een behoorlijk advocaat betaamt.

 

7 BESLISSING

De raad van discipline:

- verklaart de klachtonderdelen a., b., c., d. gegrond;

- verklaart de klachtonderdelen e. en f. ongegrond;

- legt aan verweerster de maatregel op van schorsing in de uitoefening van de praktijk voor de duur van twee weken;

- bepaalt dat deze maatregel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de raad van discipline later anders mocht oordelen op grond dat verweerster zich binnen de hierna te vermelden proeftijd heeft schuldig gemaakt aan een in artikel 46 Advocatenwet bedoelde gedraging;

- stelt de proeftijd op een periode van twee jaar, ingaande op de dag dat deze beslissing in kracht van gewijsde gaat.

 

Aldus gewezen door mr. M.F. Baaij, voorzitter, mrs. M. Aukema, R. de Haan,

J.P. Heinrich, H.E. Meerman, leden, bijgestaan door mr. A.H. van Haga als griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 17 december 2012.

griffier voorzitter                     

 

Deze beslissing is in afschrift op 18 december 2012 per aangetekende brief verzonden aan:

- klager

- verweerster

- de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Rotterdam

- de deken van de Nederlandse Orde van Advocaten.

Van deze beslissing kan hoger beroep bij het Hof van Discipline worden ingesteld door:

- klager

- verweerster

- de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Rotterdam

- de deken van de Nederlandse Orde van Advocaten

Het hoger beroep moet binnen een termijn van 30 dagen na verzending van de beslissing worden ingesteld door middel van indiening van een beroepschrift, waarin de gronden van het beroep zijn vermeld en van een motivering zijn voorzien. Het beroepschrift moet in zevenvoud worden ingediend tezamen met zes afschriften van de beslissing waarvan beroep.

De eerste dag van de termijn van 30 dagen is de dag volgend op de dag van de verzending van de beslissing. Uiterlijk op de dertigste dag van die termijn moet het beroepschrift dus in het bezit zijn van de griffie van het Hof van Discipline. Verlenging van de termijn van 30 dagen is niet mogelijk.

Het beroepschrift kan op de volgende wijzen worden ingediend bij het Hof van Discipline:

a.  Per post

Het postadres van de griffie van het Hof van Discipline is:

Postbus 132, 4840 AC Prinsenbeek

b.  Bezorging

De griffie is gevestigd aan het adres Markt 44, 4841 AC Prinsenbeek.

Teneinde er zeker van te zijn dat voor de ontvangst getekend kan worden of dat pakketten die niet in een reguliere brievenbus besteld kunnen worden, afgegeven kunnen worden dient u telefonisch contact op te nemen met de griffie van het hof.

c.  Per fax

Het faxnummer van het Hof van Discipline is 076 - 548 4608. Tegelijkertijd met de indiening per fax dient het beroepschrift tezamen met de beslissing waarvan beroep in het vereiste aantal per post te worden toegezonden aan de griffie van het hof.

Nadere informatie over hoger beroep en over (de griffie van) het hof

076 - 548 4607 of griffie@griffiehvd.nl

Praktische informatie vindt u op www.hofvandiscipline.nl