Naar boven ↑

Update

Nummer 9, 2026
Uitspraken van tot

Onder het kopje ‘Selectie uitspraken door de NOvA’ wordt toegelicht waarom de uitspraken zijn geselecteerd. Door te klikken op het ECLI-nummer wordt u doorgeleid naar de database NOvA Tuchtrecht Updates

Onder het kopje ‘Samenvattingen’ vindt u de samenvattingen die door de tuchtcolleges ten behoeve van de publicatie zijn gemaakt. Deze samenvattingen zijn ook te vinden in de database NOvA Tuchtrecht Updates

Selectie uitspraken door de NOvA 

ECLI:NL:TADRSGR:2025:131: Waarschuwing wegens schending geheimhoudingsclausule van vaststellingsovereenkomst
Deze zaak betreft een klacht tegen de advocaat van de wederpartij. Verweerster had een vaststellingsovereenkomst als productie ingebracht in een procedure met een derde, terwijl daar een geheimhoudingsclausule op rustte. De overeenkomst was in 2020 gesloten tussen klager en de cliënten van verweerster. Verweerster was niet betrokken bij de onderhandelingen, maar ontving de correspondentie daarover wel in cc. De vaststellingsovereenkomst is door verweerster op 29 november 2022 ingebracht in de procedure.

Eerder was al een tuchtklacht ingediend tegen de kantoorgenoot van verweerster, die aanvankelijk als procesadvocaat optrad. In de procedure is vastgesteld dat niet de kantoorgenoot, maar verweerster zelf de vaststellingsovereenkomst had ingediend. De kantoorgenoot is daarvoor uiteindelijk door het hof van discipline berispt. Klager heeft daarop een afzonderlijke klacht tegen verweerster ingediend.

De raad verklaart klager ontvankelijk. Over het handelen van verweerster was nog niet eerder tuchtrechtelijk geoordeeld en van ne bis in idem is geen sprake. Inhoudelijk oordeelt de raad dat op de vaststellingsovereenkomst een geldige geheimhoudingsclausule rustte en dat van een advocaat mag worden verwacht dat zij deze respecteert. Verweerster heeft aangevoerd dat zij niet wist dat de overeenkomst een geheimhoudingsbeding bevatte, omdat zij een onvolledige versie had ontvangen waarin één pagina ontbrak. De raad volgt dit verweer niet. De overeenkomst was voorzien van paginanummering, waaruit bleek dat een pagina ontbrak. Van een redelijk handelend advocaat mocht worden verwacht dat zij in dat geval de ontbrekende pagina zou opvragen, temeer nu zij die eenvoudig bij haar kantoorgenoot had kunnen verkrijgen.

Daarnaast was verweerster betrokken bij de e-mailcorrespondentie rond de totstandkoming van de overeenkomst, zodat zij redelijkerwijs bekend had moeten zijn met het bestaan van een geheimhoudingsclausule. De raad concludeert daarom dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Daarbij weegt mee dat niet is vastgesteld dat verweerster daadwerkelijk wist van de geheimhoudingsclausule, maar wel dat zij dit had moeten weten. Anders dan bij haar kantoorgenoot is er geen sprake van bewust handelen of het afschuiven van verantwoordelijkheid. De klacht wordt gegrond verklaard en er wordt aan verweerster een waarschuwing opgelegd.

ECLI:NL:TADRAMS:2025:117: Voorwaardelijke schorsing wegens onvoldoende voortvarende belangenbehartiging
Deze zaak betreft een klacht tegen de eigen advocaat. Klaagster heeft zich in oktober 2022 tot verweerster gewend voor bijstand in twee zaken: een strafzaak waarin zij onder andere slachtoffer is geworden van identiteitsfraude en een civiele zaak waarin zij door een kredietverstrekker aansprakelijk is gesteld voor de terugbetaling van een lening die, aldus klaagster, onder haar naam door haar ex-partner was aangegaan. Klaagster verwijt verweerster dat zij haar zaken onvoldoende voortvarend heeft behandeld en haar belangen onvoldoende heeft behartigd. Klaagster licht toe dat de samenwerking aanvankelijk goed verliep, maar dat na verloop van tijd verweerster structureel onbereikbaar was. Door nalatigheid van verweerster heeft klaagster veel schade geleden.

De raad stelt vast dat verweerster bij aanvang van haar dienstverlening weliswaar enkele stappen heeft gezet, maar daarna geen concrete werkzaamheden meer heeft verricht in de zaken van klaagster. Klaagster heeft herhaaldelijk en over een lange periode tevergeefs geprobeerd contact te krijgen met verweerster. Toezeggingen tot terugkoppeling en actie werden niet nagekomen. Hierdoor is klaagster bij verstek veroordeeld en is beslag gelegd op haar auto en loon. Ook heeft verweerster nagelaten tijdig voor waarneming te zorgen, terwijl zij wegens persoonlijke omstandigheden en verblijf in het buitenland niet beschikbaar was, en heeft zij ondanks het verzoek daartoe het dossier niet aan klaagster teruggegeven.

De raad oordeelt dat verweerster ernstig tekort is geschoten in de behartiging van de belangen van klaagster en niet heeft gehandeld met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat mag worden verwacht. De klacht wordt gegrond verklaard. De raad acht de maatregel van een voorwaardelijke schorsing voor de duur van vier weken passend.

De raad overweegt tot slot dat verweerster momenteel geschorst is op grond van artikel 60b Advocatenwet. Samenloop tussen een schorsing op grond van 60b Advocatenwet en een tuchtprocedure levert geen strijd met het ne bis in idem-beginsel op. Een 60b-procedure is immers geen tuchtrechtelijke procedure. De procedures kennen elk eigen criteria (zie Hof van Discipline 12 juli 2010, ECLI:NL:TAHVD:2010:YA0851).

ECLI:NL:TADRAMS:2025:111: Geen tuchtrechtelijk verwijt bij scherpe procesvoering in civiel geschil
Deze zaak betreft een klacht tegen de advocaat van de wederpartij in een civiel geschil. Klaagster verwijt verweerder onder meer dat hij de procedure heeft gefrustreerd door een offensieve processtrategie, waardoor de duur en de kosten van het deskundigenonderzoek zijn opgelopen. Daarnaast zou verweerder hebben gedreigd met een tuchtklacht om informatieverstrekking aan een deskundige te verhinderen, zich onnodig grievend hebben uitgelaten en zich schuldig hebben gemaakt aan valsheid in geschrifte.

Ten aanzien van het verwijt dat verweerder de procedure heeft gefrustreerd, oordeelt de raad dat onvoldoende feitelijke grondslag bestaat om verweerder verantwoordelijk te houden voor de duur en kosten van het deskundigenonderzoek. De vertraging hield mede verband met de complexiteit van het geschil en de handelwijze van beide partijen. Daarnaast hing het ook samen met interne organisatorische en technische omstandigheden bij zijn cliënte. Dat verweerder in correspondentie met de deskundige stellingen heeft ingenomen die klaagster betwist, is inherent aan het civiele debat en levert geen schending van gedragsregel 8 op.

Het verwijt dat verweerder heeft gedreigd met een tuchtklacht, faalt eveneens. Uit de overgelegde e-mailcorrespondentie blijkt niet dat verweerder met een tuchtklacht heeft gedreigd. Hij heeft de advocaat van klaagster aangesproken op het delen van stukken die volgens de rechtbank niet aan de deskundige mochten worden verstrekt en daarbij gewezen op strijd met de gedragsregels. Dat is niet klachtwaardig.

Ook het klachtonderdeel over onnodig grievende uitlatingen wordt ongegrond verklaard. Hoewel verweerder zich scherp en kritisch heeft uitgelaten over klaagster en haar bestuurder, passen deze uitlatingen binnen de context van het inhoudelijk verhitte geschil. Daarbij weegt de raad mee dat klaagster op haar beurt eveneens zware beschuldigingen aan het adres van verweerders cliënt heeft geuit. Van onnodig grievend taalgebruik in de zin van gedragsregel 7 is geen sprake.

Tot slot biedt het dossier geen aanknopingspunten voor het verwijt van valsheid in geschrifte. De door klaagster aangevoerde bezwaren zien op het procesrechtelijk verloop van de civiele procedure en vallen buiten het bereik van het tuchtrecht. Daarom komt de raad tot de conclusie dat de gehele klacht ongegrond wordt verklaard.

ECLI:NL:TAHVD:2025:127: Beklag artikel 13 Advocatenwet is gegrond
Deze zaak betreft een beklag op grond van artikel 13 Advocatenwet tegen de beslissing van de deken van Den Haag om geen advocaat aan te wijzen. Klager had de deken verzocht een advocaat aan te wijzen voor het indienen van een herzieningsverzoek van een strafrechtelijke veroordeling waarbij aan hem een gemaximeerde tbs is opgelegd. De deken heeft dit verzoek afgewezen onder verwijzing naar een eerdere afwijzing, omdat klager geen nieuwe feiten of omstandigheden had aangevoerd en de gewenste herzieningsprocedure geen redelijke kans van slagen zou hebben.

Het hof stelt vast dat klager zich in het kader van zijn nieuwe verzoek heeft beroepen op aanvullende medische informatie, waaronder een recente brief van een behandelinstelling. Uit deze brief blijkt dat bij behandelaars twijfel is ontstaan over de eerder gestelde diagnose waanstoornis en dat tevens sprake is van (nog lopend) onderzoek naar darmproblematiek. Het hof constateert dat de deken in haar verweer tegen het beklag niet (inhoudelijk) is ingegaan op deze brief en dat niet duidelijk is of en in hoeverre de in de brief genoemde informatie relevant kan zijn voor de beoordeling van de herzieningskansen.

Het hof overweegt dat, hoewel de mogelijkheden tot herziening van een strafrechtelijke uitspraak zeer beperkt zijn, het niet aan het hof is om te beoordelen of in dit specifieke geval sprake is van een redelijke kans van slagen. Die beoordeling behoort toe aan een gespecialiseerd strafrechtadvocaat, die klager hierover kan adviseren. Het beklag wordt daarom gegrond verklaard.

Samenvattingen (bron: tuchtcolleges)

1. Wat een behoorlijk advocaat betaamt

2. Eigen advocaat

3. Advocaat wederpartij

20. Aanwijzing advocaat