Naar boven ↑

Rechtspraak

Klager (een voormalig advocaat) verwijt verweerder dat hij in strijd heeft gehandeld met het streven van advocaten naar een onderlinge verhouding die berust op welwillendheid en vertrouwen, zoals vervat in gedragsregel 24. In deze zaak gaat het om de vraag of verweerder in een interview met een krant verslag heeft mogen doen van de inhoud van een (beweerdelijke) telefoongesprek met de zaaksofficier en of verweerder daarmee jegens klager onbetamelijk heeft gehandeld, door zich publiekelijk over hem uit te laten en daarmee de indruk te versterken dat klager banden zou hebben met een criminele organisatie. De raad heeft de klacht gegrond verklaard. Het hof bekrachtigt de beslissing van de raad. ​​​​​Verweerder had geen belang bij het doen van belastende en schadelijke uitlatingen over klager, juist of niet. Verweerder heeft door het doen van zijn uitlatingen in het interview niet de welwillendheid die hij tegenover klager als beroepsgenoot in acht had horen te nemen, in acht genomen. Verweerder heeft daarmee gehandeld in strijd met de kernwaarde integriteit (artikel 10a Advocatenwet).