Naar boven ↑

Rechtspraak

Behandeld in Nieuwsbrief NOvA Tuchtrecht Updates, nummer 2021-4

Dekenbezwaar. Verweerder zou in strijd met het tuchtrecht hebben gedeclareerd door facturen op naam van een vennootschap te zetten, terwijl de gefactureerde werkzaamheden geen betrekking hadden op voor deze vennootschap verrichte werkzaamheden, maar op werkzaamheden verricht voor een derde. Het hof overweegt dat uitgangspunt is dat een declaratie op naam wordt gesteld van de cliënt/opdrachtgever ten behoeve van wie de werkzaamheden zijn verricht. Wanneer de cliënt en een derde een advocaat verzoeken om de declaratie te richten aan de derde, dan dient de declaratie nog steeds op naam van de cliënt gesteld te worden. Desgewenst kan deze wel “ter attentie” of “per adres” van de derde aan de derde verzonden worden. Een juiste inrichting van de declaratie brengt mee dat de declaratie op naam van de cliënt/opdrachtgever moet staan, ook al wordt deze voldaan door een derde. Voor zover dat niet het geval is moet uit de inrichting van de declaratie blijken wie de cliënt is, welke werkzaamheden voor die cliënt zijn verricht en op welke grond de declaratie aan de derde is gericht. Verweerder heeft zijn declaraties niet op de juiste wijze ingericht. Vernietiging beslissing van de raad, gegrondverklaring dekenbezwaar. Gelet op het principiële karakter van het dekenbezwaar en het feit dat verweerder erkent dat de declaraties ten onrechte zijn gericht aan de vennootschap, ziet het hof aanleiding om af te zien van het opleggen van een maatregel.