Naar boven ↑

Rechtspraak

Verzoeker vraagt herziening van de beslissing van het hof van 19 augustus 2019. Hij voert daartoe aan dat het hof bij de behandeling van de zaak de dwingendrechtelijke bepalingen betreffende de beroepstermijn (de artikelen 50 en 56 Advocatenwet (Aw)) niet onverkort, correct en volledig heeft toegepast als gevolg waarvan er bij de behandeling van het hoger beroep geen sprake is geweest van een eerlijk proces. Het hof is van oordeel dat verweerder de mogelijkheid heeft gehad om verweer te voeren tegen de stelling van de deken dat verzoeker te laat hoger beroep had ingesteld. Het verzoek om herziening wordt ongegrond verklaard.