Naar boven ↑

Rechtspraak

Raad van Discipline Amsterdam, 3 juni 2019
ECLI:NL:TADRAMS:2019:116

19-121/A/A/D: Deels gegrond dekenbezwaar. De vrijheid van meningsuiting, die ook voor advocaten geldt, brengt mee dat een advocaat geen spreekverbod kan worden opgelegd. In een noodsituatie zou dit anders kunnen zijn, maar daarvan is volgens de raad geen sprake. De raad begrijpt dat de deken wil voorkomen dat advocaten elkaar over en weer beschuldigen in de media, maar het middel dat de deken daarvoor heeft gebruikt schiet zijn doel voorbij. Wat verweerder wel te verwijten valt is dat hij bij Jinek uitspraken heeft gedaan over een gesprek dat hij en zijn kantoorgenoot mr. B  met de deken hebben gevoerd. In dat gesprek heeft de deken tegen verweerder en mr. B gezegd hoe mr. A het gesprek met mr. B, waarin mr. B volgens H zou hebben gedreigd, destijds heeft ervaren. Verweerder had dit niet mogen doen. De uitspraken gaan over hetgeen mr. A aan de deken heeft verklaard in het kader van het onderzoek naar mogelijk tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen van mr. B en verweerder wist dat de deken ook aan mr. A had gevraagd zich niet over de kwestie uit te laten. De uitspraken van verweerder, die erop neerkomen dat de verklaring van mr. A mr. B zeker zal vrijpleiten, zijn bovendien niet juist. De raad legt verweerder hiervoor een waarschuwing op. Dat verweerder bij Jinek heeft willen aantonen dat er voor de deken geen goede reden was om een onderzoek naar mr. B in te stellen, is niet gebleken.