Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

26-10-2026

ECLI

ECLI:NL:TADRAMS:2026:238

Zaaknummer

26-854/A/A

Inhoudsindicatie

Voorzittersbeslissing; klacht over de advocaat wederpartij kennelijk ongegrond. Verweerder mocht uitgaan van de juistheid van de informatie van zijn cliënte. Verder heeft verweerder zich niet onnodig grievend over klaagster uitgelaten.

Uitspraak

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam van 26 oktober 2026 in de zaak 26-854/A/A

naar aanleiding van de klacht van:

  klaagster

over:

verweerder

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) van 30 september 2026 met kenmerk 2570676/ER/BF, door de raad ontvangen op eveneens 30 september 2026, en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 00 tot en met 04. 

1    FEITEN Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten. 1.1    ZHZ B.V. (hierna: ZHZ) is een thuiszorginstelling die zorg verleent aan kwetsbare cliënten. HH B.V. (hierna: HH) houdt 50% van de aandelen in het kapitaal van ZHZ. EBH B.V. (hierna: EBH) houdt de andere 50% van de aandelen in het kapitaal van ZHZ. HH en EBH zijn bestuurders van ZHZ. 1.2    Tussen HH en EBH is een bestuurdersgeschil ontstaan. EBH wordt in dit geschil bijgestaan door verweerder. 1.3    Op 20 februari 2026 heeft verweerder namens zijn cliënte - EBH - een brief gestuurd aan de advocaat van HH waarin, voor zover relevant, het volgende is opgenomen: “Eenzijdige personeelsaanstellingen Uw cliënt heeft zonder enig overleg met cliënte personeel aangesteld, waaronder zijn eigen echtgenote, [klaagster]. Deze aanstelling is op meerdere gronden juridisch en ethisch problematisch. Ten eerste ontving [klaagster] een WAJONG-uitkering terwijl zij structureel werkzaamheden verrichtte voor de onderneming. Cliënte heeft zich vanaf het begin gedistantieerd van deze handelwijze en heeft aangegeven hier geen onderdeel van te willen zijn, aangezien zij geen medeplichtigheid wenst aan deze onrechtmatige praktijk. Ten tweede functioneerde [klaagster] binnen de organisatie structureel onder de valse naam “Asmae”. Richting medewerkers, cliënten en derden werd zij onder deze valse naam gepresenteerd en communiceerde zij onder deze naam. Dit creëerde juridische en administratieve problemen en ondermijnde het vertrouwen in de organisatie. Het gebruik van een valse identiteit in zakelijke verhoudingen en richting kwetsbare cliënten is volstrekt onaanvaardbaar en roept vragen op over de betrouwbaarheid van de bedrijfsvoering. Ten derde wordt [klaagster] gepresenteerd en laat uw cliënt haar functioneren als "zorgcoördinator", waarbij zij wijkzorgtaken uitvoert en naar buiten optreedt alsof zij bevoegd is om namens de Vennootschap te handelen en afspraken te maken met cliënten. Dit is juridisch onjuist. Uit het uittreksel van de Kamer van Koophandel blijkt dat de bestuurders van [ZHZ] uitsluitend zijn [EBH] en HH. [Klaagster] is geen bestuurder en beschikt derhalve niet over vertegenwoordigingsbevoegdheid namens de Vennootschap, tenzij haar dit expliciet bij schriftelijke volmacht is verleend door het bestuur. Een dergelijke volmacht is echter nimmer verstrekt en is in ieder geval niet in een bestuursvergadering vastgesteld waarbij cliënte als medebestuurder aanwezig was en heeft kunnen stemmen. 25. Het feit dat uw cliënt personeel aanstelt en zijn echtgenote laat handelen alsof zij bevoegd is namens de Vennootschap op te treden, zonder enig overleg met zijn medebestuurder, is een ernstige schending van de collegialiteitsplicht en de bestuurdersplicht. Bovendien is sprake van tegenstrijdig belang wanneer het gaat om aanstelling van de echtgenote van uw cliënt.” 1.4    Op 21 februari 2026 heeft klaagster bij de deken een klacht ingediend over verweerder. 

2    KLACHT 2.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerder dat hij zich onnodig grievend heeft uitgelaten en de privacy van klaagster en de AVG heeft geschonden door persoonlijke, gevoelige, irrelevante en ongefundeerde informatie over klaagster op te nemen in een brief met betrekking tot een geschil waarin zij geen partij is. 

3    VERWEER 3.1    Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

4    BEOORDELING Toetsingskader 4.1    De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een over een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is daarbij niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn, gezien ook het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld. 4.2    Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel vanuit mogen gaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen. Beoordeling   4.3    De voorzitter stelt voorop dat de tuchtrechter niet zelfstandig beoordeelt of een handeling van een advocaat past binnen de kaders van de AVG of andere privacywetgeving. Het oordeel of verweerder op enig moment in strijd hiermee heeft gehandeld, is voorbehouden aan de daarvoor in het leven geroepen (rechterlijke) instanties, niet aan de tuchtrechter. In dit kader merkt de voorzitter overigens op dat verweerder zijn brief enkel aan de gemachtigde van HH heeft gestuurd en niet heeft verspreid onder derden.  4.4    De voorzitter oordeelt verder dat het evenmin tot de taak van de tuchtrechter behoort om in het onderliggende geschil een oordeel te geven. Een oordeel daarover is voorbehouden aan de civiele rechter. De voorzitter beoordeelt uitsluitend aan de hand van de bepalingen van de advocatenwet en de gedragsregels of verweerder zich in zijn bijstand aan EBH ten opzichte van klaagster heeft gedragen op een manier die niet passend is voor een behoorlijk handelende advocaat. Zoals volgt uit het hiervoor weergegeven toetsingskader geldt daarbij dat aan verweerder een grote mate van vrijheid toekomt om de belangen van EBH te behartigen op een wijze die hem passend voorkomt. Deze vrijheid mag niet ten gunste van een (processuele) wederpartij worden beknot, tenzij de belangen van die wederpartij nodeloos en op ontoelaatbare wijze worden geschaad. Daarvan is de voorzitter niet gebleken. 4.5    De voorzitter is van oordeel dat verweerder in het belang van zijn cliënte - EBH - de door klaagster aangehaalde passages in zijn brief van 20 februari 2026 (weergegeven onder de feiten) mocht opnemen. Verweerder heeft toegelicht dat de vermelding van klaagsters naam, functie en uitkeringsstatus noodzakelijk was om de bezwaren van zijn cliënte EBH concreet te formuleren, haar wettelijke bestuurders-verantwoordelijkheid te waarborgen en haar positie in het geschil te onderbouwen. Daarbij geldt dat klaagster geen willekeurige derde is, maar de partner van de bestuurder van de wederpartij en door die bestuurder - zonder instemming van EBH - als medebestuurder is aangesteld in een functie binnen de vennootschap. Dit raakt rechtstreeks aan het bestuurdersgeschil. De vermelding van klaagsters naam, functie en werkzaamheden was derhalve onvermijdelijk en noodzakelijk om de bezwaren van EBH tegen het handelen van de wederpartij concreet en verifieerbaar te formuleren. Verweerder kon dit niet doen zonder de persoon in kwestie te noemen. Ook de vermelding van de Wajong-uitkering betreft een feitelijke omstandigheid die relevant is voor het bestuurdersgeschil. De kern van het bezwaar van EBH is dat de wederpartij klaagster structureel werkzaamheden laat verrichten voor de vennootschap terwijl zij een Wajong-uitkering ontvangt. EBH wenst geen medeplichtigheid aan uitkeringsfraude. Dit raakt aan de bestuurlijke verantwoordelijkheid van EBH. Dat klaagster gelijktijdig een Wajong-uitkering ontvangt en werkzaamheden verricht, betreft informatie die afkomstig is van EBH. Verweerder mocht uitgaan van de juistheid van die informatie en niet is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerder gehouden was die informatie nader te onderzoeken.  4.6    Anders dan klaagster is de voorzitter ook niet gebleken dat verweerder zich onnodig grievend over klaagster heeft uitgelaten in zijn brief. Hoewel de voorzitter begrijpt dat klaagster zich onaangenaam getroffen voelde door de in die brief over haar ingenomen stellingen kwalificeren deze in de context van het geschil niet als onnodig grievend. Daarvan is pas sprake als de grievende bewoordingen (bijvoorbeeld) in redelijkheid geen bijdrage kunnen leveren aan het debat waarbinnen de bewoordingen zijn gebruikt (zie onder meer Hof van Discipline, 19 juni 2023, ECLI:NL:TAHVD:2023:91) en dat is in dit geval niet gebleken. Verweerder heeft met het voorgaande onderbouwd dat de ingenomen stellingen functioneel en ter zake dienend waren.  4.7    Nu ook verder geen feiten of omstandigheden zijn gesteld of gebleken waaruit zou volgen dat klaagster door het handelen van verweerder onnodig of onevenredig in zijn belangen is geschaad zonder doel, zal de voorzitter de klacht van klaagster kennelijk ongegrond verklaren.

BESLISSING De voorzitter verklaart:  -    de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond. 

Aldus beslist door mr. W. Aardenburg, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. N. Borgers-Abu Ghazaleh als griffier en uitgesproken in het openbaar op 26 oktober 2026. 

Griffier          Voorzitter

Verzonden op: 26 oktober 2026