Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

26-10-2026

ECLI

ECLI:NL:TADRAMS:2026:244

Zaaknummer

26-028/A/A

Inhoudsindicatie

Klacht over de voormalig eigen advocaat en latere advocaat van de wederpartij in een familierechtelijke procedure. Geen sprake van belangenverstrengeling. Aan de uitzonderingsgronden van gedragsregel 15 lid 3 is voldaan. Niet gebleken dat bewust onjuiste informatie is verstrekt. Gelet op de context en omdat duidelijk is gemaakt dat verweerster het standpunt van haar cliënt vertegenwoordigde, is geen sprake van onnodig grievende uitlatingen. Klacht ongegrond.

Uitspraak

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam van 26 oktober 2026 in de zaak 26-028/A/A naar aanleiding van de klacht van:

klaagster

over

verweerster gemachtigde: mr. M. Zwennes

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE 1.1    Op 19 mei 2025 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster. 1.2    Op 13 januari 2026 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2493651/EvR/KV van de deken ontvangen.  1.3    De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 14 september 2026. Daarbij waren klaagster, verweerster en haar gemachtigde aanwezig. 1.4    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventaris genoemde bijlagen 00 tot en met 04.

2    FEITEN 2.1    Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten. 2.2    Verweerster heeft klaagster in 2007 en 2008 bij haar toenmalige werkgever bijgestaan in een verblijfsvergunningsprocedure.  2.3    Sinds december 2022 is verweerster de ex-partner van klaagster gaan bijstaan in een familierechtelijke procedure tegen klaagster over de omgang met hun gezamenlijke kind. 2.4    Op 3 april 2023 heeft de cliënt van verweerster een aanvraag gedaan voor een paspoort voor het kind bij het Italiaanse consulaat. De cliënt heeft daarbij als verblijfsplaats van het kind zijn eigen adres ingevuld. De plek waar de gegevens van de moeder ingevuld diende te worden en haar handtekening gezet moest worden, heeft de man doorgestreept. Daarbij heeft hij opgeschreven: “Per sentenza della corte di giustizia di Amsterdam”.  2.5    Op 5 juni 2023 heeft verweerster namens haar cliënt (de man) een verzoekschrift ingediend tot wijziging van de omgangsregeling, met als onderbouwing dat hij vanwege zijn werk vaker moet reizen en dat zakenreizen lastig te plannen zijn met de bestaande zorgregeling. 2.6    Op 17 juni 2023 heeft verweerster namens de man een verzoekschrift tot wijziging van de kinderalimentatie ingediend. Als bijlage is onder andere een ‘tax return’ over 2023 overgelegd, waaruit volgt dat de man € 82.111,- aan vermogen in box 3 heeft opgegeven. 2.7    Op 21 juni 2023 heeft verweerster aan klaagsters advocaat verzocht om toestemming om het kind twee weken bij de man te houden als vakantie, waarbij wordt opgemerkt dat de man van plan is in Amsterdam te blijven omdat hij recent door een reorganisatie werkloos is geworden en het daardoor financieel zwaar heeft. 2.8    Op 18 juli 2023 heeft een zitting plaatsgevonden. Verweerster heeft tijdens deze zitting gebruik gemaakt van een pleitnota, waarin zij onder meer heeft opgenomen: “(…) Met betrekking tot hetgeen wordt gesteld over het aanvraagformulier van het Italiaanse paspoort (randnr 19 verweerschrift), merkt de man op dat hij per ongeluk zijn adres had ingevuld in plaats van [het kind]’s adres. Hierover is al eerder uitgebreid tussen de advocaten gecorrespondeerd. De vrouw valt in herhaling met haar verwijten jegens de man. De vrouw beweert dat de man opzettelijk de gegevens van de vrouw betreffende haar toestemming voor dit paspoort heeft weggelaten. De man heeft dit gedaan omdat de rechtbank hem vervangende toestemming heeft gegeven (zie uitspraak van 27-10-2021, 5.5.1 van dictum) en haar gegevens dus niet nodig waren.” 2.9    Op 20 juli 2023 heeft verweerster in reactie op een verzoek van klaagster om mee te werken aan het opzetten van psychologische hulp voor het kind, aan klaagsters advocaat geschreven: “My client believes the person who needs therapy is not [het kind] and he does not agree on any therapists” 2.10    Op 26 oktober 2023 heeft verweerster aan klaagsters advocaat medegedeeld dat de man niet beschikt over een salarisspecificatie over augustus 2023, omdat hij sinds eind juni 2023 geen toegang meer heeft tot de systemen van zijn voormalige werkgever. Verweerster heeft daarbij opgemerkt dat uitgegaan kan worden van het inkomen over 2022 bij de berekeningen en dat zij dan ook geen reden ziet om alle vragen van klaagsters advocaat over het inkomen over 2023 te beantwoorden of daarover nadere stukken te overleggen. Op vragen over het box 3-inkomen van klaagsters advocaat is verweerder niet ingegaan. 2.11    Op 2 november 2023 heeft verweerster aan klaagsters advocaat geschreven dat de man ‘geen ander buitenlands inkomen’ heeft. 2.12    Op 2 juli 2024 heeft verweerster in haar processtuk opgenomen: “De vrouw stelt grote twijfels te hebben of bij de Italiaanse autoriteiten bekend is dat [het kind] de hoofdverblijfplaats bij de vrouw heeft en er gezamenlijk ouderlijk gezag is. (…) De man heeft de geboorteakte en de beschikkingen van de rechtbank door een beëdigd vertaler laten vertalen en in de gemeente [plaats]. De Italiaanse autoriteiten zijn dus op de hoogte dat de hoofdverblijfplaats van [het kind] bij de vrouw is en dat de ouders het gezamenlijk gezag hebben. De man acht de bewerkingen van de vrouw hierover nogal paranoia. Italië is lid van de Europese Unie en partij bij het Haags Kinderontvoeringsverdrag (IKO-verdrag); de man kan [het kind] niet van de vrouw weghouden omdat dit strafbaar zou zijn. De vrouw geeft geen enkel goed argument waarom vakanties met [het kind] naar Italië niet veilig of in het belang van [het kind] zouden zijn. De man verzoekt zijn ingediend verzoek om vervangende toestemming voor a.s. zomervakantie zo spoedig mogelijk te verlenen (…)” 2.13    Op 6 november 2024 heeft klaagsters advocaat aan verweerster geschreven: “Dank voor uw telefoontje van zojuist. In navolging hierop het volgende: U heeft tijdens ons gesprek mij twee maal voorgehouden dat cliënte de rechtbank vervangende toestemming heeft verzocht om naar Rusland te verhuizen met de minderjarige. Ik heb bij u aangegeven dat dit verzoek mij niet bekend voorkomt. Na het naslaan van het dossier heb ik een dergelijk verzoek namens cliënte niet kunnen vinden. Ik stel voor dat we samen vaststellen wat er daadwerkelijk is gebeurd. (…)”  Verweerster heeft diezelfde dag gereageerd: “Ik heb mij vergist door te zeggen dat uw cliënte eerder van plan was om naar Rusland te verhuizen; dat speelde in een andere zaak van mij die veel gelijkenis met onderhavige zaak vertoonde. Excuses hiervoor.” 2.14    Op 28 februari 2025 heeft een zitting plaatsgevonden bij het gerechtshof Amsterdam. Tijdens deze zitting heeft verweerster gezegd: “Ook zal de moeder haar Russische nationaliteit moeten opgeven omdat zij inmiddels de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen.” 2.15    Op 19 mei 2025 heeft klaagster bij de deken een klacht ingediend over verweerster.

3    KLACHT 3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerster het volgende:  a)    Verweerster heeft in strijd gehandeld met gedragsregel 15, door vertrouwelijke informatie uit klaagsters verblijfsvergunningsprocedure tegen haar te gebruiken in de familierechtelijke procedure; b)    Verweerster heeft in strijd gehandeld met gedragsregel 8, door informatie te verstrekken waarvan zij wist of redelijkerwijs kon weten dat deze onjuist was en door te goed te praten dat haar cliënt onvolledige en onjuiste informatie verstrekt c)    Verweerster heeft in strijd gehandeld met gedragsregel 7, door zich onnodig grievend uit te laten over klaagster.

4    VERWEER  4.1    Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

5    BEOORDELING Toetsingskader 5.1    Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren.  Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen. 5.2    Verder geldt dat in familierechtkwesties de advocaat ervoor moet waken dat de verhoudingen tussen partijen niet escaleren. Van de advocaat mag een zekere terughoudendheid worden verwacht in het doen van uitlatingen over de wederpartij die deze naar verwachting als kwetsend zal ervaren, en in het starten van procedures. De advocaat moet daarbij in iedere zaak afwegen: – het belang van zijn cliënt bij het voeren van de procedure, – het belang van de wederpartij én dat van de kinderen bij het voorkomen daarvan, – het verloop van het geschil tot dan toe en – de kans op succes van de procedure. Klachtonderdeel a) 5.3    Gedragsregel 15 luidt, voor zover relevant: 1.    Gelet op zijn gehoudenheid aan met name de kernwaarden partijdigheid en vertrouwelijkheid is het de advocaat niet toegestaan, behoudens in de gevallen genoemd in het derde en vierde lid: a.    (…) b.    tegen een cliënt of een voormalige cliënt op te treden. 2.    (…) 3.    Van de verplichting uit het eerste lid kan de advocaat alleen afwijken indien is voldaan aan elk van de volgende drie voorwaarden: a.    de aan de advocaat toe te vertrouwen belangen betreffen niet dezelfde zaak ten aanzien waarvan de voormalige of bestaande cliënt werd of wordt bijgestaan door de advocaat, houden daar ook geen verband mee en een toekomstig verband is evenmin aannemelijk; b.    de advocaat beschikt niet over vertrouwelijke informatie afkomstig van zijn voormalige of bestaande cliënt, dan wel over zaaksgebonden informatie of informatie de voormalige of bestaande cliënt betreffende, die redelijkerwijs van belang kan zijn bij de behandeling van de zaak tegen deze voormalige of bestaande cliënt; en c.    niet is gebleken van redelijke bezwaren aan de zijde van de voormalige of bestaande cliënt. (…) 5.4    De raad is van oordeel dat verweerster niet in strijd heeft gehandeld met gedragsregel 15 lid 1, omdat voldaan is aan de drie voorwaarden uit het derde lid. Dat wordt als volgt toegelicht. 5.5    Verweerster heeft klaagster in 2007 en 2008 bijgestaan in een verblijfs-vergunningskwestie. Vanaf 2022 is zij de ex-partner van klaagster gaan bijstaan in een procedure tegen klaagster over, kort gezegd, de zorgregeling voor het kind. Beide zaken houden geen verband met elkaar. Aan voorwaarde a) is voldaan.  5.6    Het is de raad verder niet gebleken dat verweerster beschikte over vertrouwelijke informatie over klaagster uit het verblijfvergunningsdossier die relevant kon zijn voor de zorgregelingskwestie. Verweerster heeft toegelicht dat zij al geruime tijd niet meer werkzaam is bij het kantoor waar zij in 2007 en 2008 werkte en ook geen toegang had tot haar oude dossiers. Over de opmerking die zij heeft gemaakt over het afstaan van de Russische nationaliteit, heeft verweerster toegelicht uit algemene kennis te weten dat bij het aannemen van de Nederlandse nationaliteit de andere nationaliteit in beginsel dient te worden opgegeven. De raad kan verweerster hierin volgen dat dit kennis is die zij in het algemeen kan hebben, zeker als advocaat op het gebied van het immigratierecht, en dat daaruit niet kan worden afgeleid verweerster beschikte over vertrouwelijke informatie afkomstig uit het verblijfsvergunningsdossier. Aan voorwaarde b) is dus ook voldaan. 5.7    Tot slot is het de raad niet gebleken dat er redelijke bezwaren zijn aan de zijde van klaagster. Klaagster was kennelijk al vanaf 2022 ermee bekend dat verweerster haar voormalige advocaat is. Zij heeft dat pas voor het eerst ruim tweeënhalf jaar later, na de zitting van 28 februari 2025, aan de orde gesteld vanwege de opmerking die verweerster gemaakt heeft over het opgeven van de Russische nationaliteit. Zoals hiervoor is overwogen, is die opmerking gemaakt op basis van de algemene kennis van verweerster. Dit kan dan ook geen redelijk bezwaar vormen waarom verweerster de ex-partner van klaagster ruim 15 jaar later na het verblijfsvergunningsdossier niet zou mogen bijstaan. Andere bezwaren zijn niet aangevoerd en zijn de raad, mede vanwege het aanzienlijke tijdsverloop voordat klaagster dit aan de orde heeft gesteld, ook niet gebleken. Aan voorwaarde c) is ook voldaan. 5.8    Klachtonderdeel a) is ongegrond. Klachtonderdeel b)  5.9    Gedragsregel 8 luidt: De advocaat dient zich zowel in als buiten rechte te onthouden van het verstrekken van feitelijke informatie waarvan hij weet, althans behoort te weten, dat die onjuist is. 5.10    Verweerster wordt verder verweten dat zij onjuiste informatie heeft verkondigd over de aanvraag van het Italiaanse paspoort van het kind, over de financiële gegevens van haar cliënt en dat klaagster met het kind naar Rusland zou willen verhuizen. 5.11    Over de wijze waarop het paspoort is aangevraagd, heeft verweerster toegelicht wat het standpunt van haar cliënt daarover was. Zij mocht uitgaan van de juistheid van de informatie die zij daarover van haar cliënt kreeg. Klaagster gelooft de intenties van haar ex-partner niet, maar niet is gebleken dat deze informatie onjuist is of dat verweerster dit wist dan wel had moeten weten. De klacht is in zoverre ongegrond. 5.12    Het is de raad ook niet gebleken dat verweerster onjuiste informatie heeft verstrekt toen zij begin juni 2023 heeft verzocht om de omgangsregeling te wijzigen omdat haar cliënt voor zijn werk vaker zou reizen. Dat haar cliënt eind juni 2023 ontslagen zou worden wegens een reorganisatie, was toen nog niet bekend en dat had verweerster ook redelijkerwijs niet kunnen weten. Over het box 3-inkomen van haar cliënt, heeft verweerster toegelicht uit te zijn gegaan van de informatie die zij van haar cliënt heeft ontvangen. Omdat haar cliënt had achtergehouden dat hij vermogen in de Verenigde Staten had, kon zij dat ook niet weten. De raad kan dit volgen. Van klachtwaardig handelen is ook op dit punt niet gebleken. 5.13    Verweerster heeft verder toegelicht dat zij zich had vergist in het dossier toen zij tegen klaagsters advocaat zei dat klaagster van plan was om naar Rusland te verhuizen. Dat heeft zij ook tijdig aan klaagsters advocaat kenbaar gemaakt, waarbij zij ook haar excuses heeft aangeboden. Verweerster heeft haar fout daarmee tijdig en op behoorlijke wijze rechtgezet. 5.14    Klachtonderdeel b) is ongegrond. Klachtonderdeel c) 5.15    Gedragsregel 7 luidt: De advocaat dient zich niet onnodig grievend uit te laten. 5.16    Verweerster wordt verweten dat zij zich onnodig kwetsend heeft uitgelaten over klaagster met passages: “My client believes the person who needs therapy is not [het kind] and he does not agree on any therapists”

 En  “De man acht de bewerkingen van de vrouw hierover nogal paranoia.” 5.17    Hoewel het de voorkeur voordient om zo min mogelijk scherpe en ferme bewoordingen te gebruiken, wat hier mogelijk was geweest, acht de raad de twee uitlatingen in dit geval niet als klachtwaardig. Het conflict tussen de ouders van het kind over de zorgregeling was reeds geëscaleerd en zij beschuldigden elkaar over en weer van pogingen om het kind te ontvoeren naar hun eigen thuisland. Ook waren er al vele procedures gevoerd in een kort tijdbestek. Gelet op die context en in aanmerking genomen dat verweerster duidelijk heeft gemaakt dat zij het standpunt van haar cliënt vertegenwoordigde, is geen sprake van onnodig grievende bewoordingen en uitlatingen (vergelijk HvD 3 juli 2026, ECLI:NL:TAHVD:2026:200, onder 8.5). Conclusie 5.18    De raad zal de klacht in het geheel ongegrond verklaren.

BESLISSING De raad van discipline verklaart de klacht ongegrond.

Aldus beslist door mr. M.V. Ulrici, voorzitter, mrs. F.J.J. Baars en mr. C.C. Horrevorts, leden, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 26 oktober 2026.

Griffier    Voorzitter

Verzonden op: 26 oktober 2026